ECLI:NL:RBDHA:2026:14631

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
26-1539
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 17 ParticipatiewetArt. 11 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen intrekking bijstandsuitkering wegens weigering huisbezoek

Verzoekster ontving sinds 1994 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag beëindigde deze uitkering per 8 december 2025 nadat verzoekster weigerde medewerking te verlenen aan een huisbezoek, dat was ingesteld vanwege twijfels over haar feitelijke woonsituatie.

Het college baseerde het besluit op een melding van de woningbouwcorporatie, een extreem laag waterverbruik en verklaringen van omwonenden. Verzoekster voerde aan dat er geen redelijke grond was voor het huisbezoek en dat zij door haar depressie niet kon meewerken. De voorzieningenrechter oordeelde dat het college voldoende aanleiding had voor het huisbezoek en dat verzoekster geen zwaarwegend belang had om de weigering te rechtvaardigen.

De rechter stelde vast dat het college terecht de uitkering introk, maar dat verzoekster in bezwaar nieuwe stukken had overgelegd die het waterverbruik corrigeren. Daarom werd het bezwaar niet kansloos geacht. De voorlopige voorziening werd toegewezen, waardoor het recht op uitkering per 8 december 2025 herleeft en het bestreden besluit geschorst wordt tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wordt geschorst en het recht op uitkering herleeft per 8 december 2025.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/1539
uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 april 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. M.L.M. Klinkhamer),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2025 (het bestreden besluit) heeft het college de aan verzoekster toegekende uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) vanaf 8 december 2025 beëindigd.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2026. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mrs. S. Lopez-Yzondervan en L. Orie , namens mr. M.L.M. Klinkhamer. Tevens is verschenen de dochter van verzoekster, [naam] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Voordat kan worden overgegaan tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening, moet worden beoordeeld of sprake is van een spoedeisend belang, als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In een geval als dat van verzoekster kan dat zo zijn wanneer sprake is van een (financiële) noodsituatie, welke het voor haar onevenredig bezwaarlijk maakt dat zij de beslissing in de hoofdzaak af moet wachten.
2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat verzoekster geen inkomen heeft en dat zij schulden heeft en/of betalingsachterstanden voor wat betreft water, gas en de zorgverzekeringspremie. Daarnaast heeft de woningbouwvereniging verzocht om de huur op te zeggen. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat er aanleiding bestaat om uit te gaan van een voldoende spoedeisend belang.
3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
4. De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.
4.1.
Verzoekster ontving vanaf 16 juni 1994 een bijstandsuitkering, laatstelijk naar de norm van een alleenstaande op grond van de Pw.
4.2.
Naar aanleiding van een melding van woningbouwcorporatie Staedion op
17 november 2025, waarin staat dat het vermoeden is dat verzoekster niet in de woning aan de [adres] te [plaats 1] (uitkeringsadres) woont omdat er in de brievenbus ongeopende post is aangetroffen, is het college een onderzoek gestart naar de woon- en leefsituatie van verzoekster.
4.3.
In dat kader heeft het college op 29 november 2025 het waterverbruik bij Dunea opgevraagd waaruit bleek dat het waterverbruik in de periode van 25 juni 2024 tot en met
25 februari 2025 0m³ bedroeg. Daarnaast is er buurtonderzoek gedaan bij het uitkeringsadres en hebben twee omwonenden daar verklaard dat op het adres een oudere Marokkaanse vrouw woonde en dat zij sinds 2023 c.q. 2024 niet meer op het adres woonachtig is. Ook heeft een van hen verklaard dat zij voor een lange periode in het buitenland heeft verbleven.
4.4.
Daarnaast is verzoekster, in het bijzijn van haar dochter, gehoord op 8 december 2025. Tijdens het verhoor heeft zij verklaard dat ze meer dan dertig jaar niet in het buitenland is geweest. Ze verblijft alleen op het uitkeringsadres, behalve wanneer zij ziek is, omdat ze dan soms bij haar dochter verblijft of haar dochter verblijft bij haar. Ook gaf zij aan incidenteel bij familie in [plaats 2] te verblijven. Verzoekster slaapt in de woonkamer op een luchtbed vanwege gezondheidsklachten en een depressie. Haar kleding ligt verspreid in vuilniszakken door de woning. Ook haar administratie bewaart zij in een zak op de gang. In de koelkast zouden enkele verse producten liggen (melk, kaas, groenten); zij heeft geen houdbare levensmiddelen. Over het waterverbruik heeft verzoekster verklaard dat zij zuinig is met water vanwege de hoge kosten voor water. Zij koopt water in flessen en kan gebruik maken van een wasserette als zij dat zou willen. Het ingekochte water gebruikt ze om te douchen en de wc door te spoelen. Ook gaf verzoekster aan dat zij door haar depressie niet weet wanneer zij voor het laatst heeft gedoucht.
4.5.
Vanwege de gerede twijfel over de feitelijke woonsituatie verzocht het college om aansluitend aan het verhoor een huisbezoek af te leggen. Verzoekster weigerde dit en gaf aan dat zij zich schaamt en alleen op afspraak een huisbezoek wil toestaan. De rapporteur legde uit dat weigering van een aansluitend huisbezoek wordt gezien als het niet verlenen van medewerking, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld en beëindiging van de uitkering kan volgen. Ondanks het geven van tweemaal de bedenktijd bleef verzoekster bij haar weigering.
5. De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij het bestreden het recht van verzoekster op een uitkering op grond van de Pw in te trekken vanaf 8 december 2025. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat verzoekster de medewerkingsverplichting uit artikel 17, tweede lid, van de Pw heeft geschonden door geen medewerking te verlenen aan het huisbezoek op 8 december 2025, waardoor kan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
6. Verzoekster voert aan dat zij de op haar rustende medewerkingsverplichting niet heeft geschonden omdat er geen redelijke grond bestond voor het afleggen van een huisbezoek. Er is niet voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De weigering van het meewerken kan volgens verzoekster daarom geen grond vormen voor het bestreden besluit. Het aantal ongeopende brieven in de brievenbus is niet zodanig veel en de waterstand bleek achteraf foutief te zijn geweest.
7. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling van het beroep.
7.1.
Ten aanzien van het niet meewerken aan het huisbezoek overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Indien een belanghebbende de inlichtingen- en medewerkingsverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste en tweede lid, van de Pw, niet of niet in voldoende mate nakomt, en als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende verkeert in bijstandsbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Pw, kan de bijstand worden geweigerd, beëindigd of ingetrokken.
7.2.
Niet in geschil is dat verzoekster niet heeft meegewerkt aan het beoogde huisbezoek op 8 december 2025. Beoordeeld moet worden of het college om die reden de bijstand van verzoekster mocht intrekken.
7.3.
De voorzieningenrechter overweegt dat het besluit tot intrekking van bijstand een voor verzoekster belastend besluit is. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het college. Dit betekent dat het aan het college is om aannemelijk te maken dat voor het huisbezoek een redelijke grond bestond.
7.4.
Een redelijke grond voor een huisbezoek bestaat als voorafgaand aan – dat wil zeggen: voor of uiterlijk bij aanvang van – het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en de bijstandverlenende instantie deze gegevens niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kan verifiëren. [1]
7.5.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college voldoende aanknopingspunten had om redelijkerwijs aan de juistheid van de opgegeven woonsituatie van verzoekster te twijfelen. De melding van Steadion, het extreem lage waterverbruik in de periode van 25 juni 2024 tot en met 25 februari 2025 van 0 m³ en de verklaring van verzoekster over het waterverbruik en het bewaren van haar kleding en administratie in (vuilnis)zakken gaven daartoe voldoende aanleiding. Onder deze omstandigheden heeft het college dan ook terecht van verzoekster verlangd dat zij medewerking zou verlenen aan een af te leggen huisbezoek.
7.6.
De voorzieningenrechter volgt verzoekster niet in haar standpunt dat het college niet heeft voldaan aan het subsidiariteitsbeginsel door aansluitend aan het verhoor een huisbezoek te willen afleggen. De inzet van dit controlemiddel is om de opgegeven woonsituatie te controleren. Door dit niet te doen direct na een gesprek op kantoor bij het college bestaat de mogelijkheid dat er een wijziging wordt aangebracht in de woonsituatie, waardoor dit controlemiddel veel minder effectief zou zijn.
7.7.
Onder bepaalde omstandigheden kan het weigeren van de medewerking de betrokkene echter niet worden tegengeworpen. Dat kan het geval zijn indien de betrokkene een zwaarwegend belang heeft dat de weigering rechtvaardigt of niet in staat is om de medewerking te verlenen door een in de persoon gelegen lichamelijke of psychische oorzaak. Het is aan verzoekster om aannemelijk te maken dat een dergelijke zwaarwegende reden bestond. [2] Hiervan is niet gebleken.
7.8.
Dat verzoekster vanwege haar depressieve klachten geen medewerking kon verlenen, vindt geen steun in de stukken en levert dus niet een zodanig zwaarwegend belang op dat daarvoor het belang van het college om onmiddellijk de door verzoekster opgegeven woonsituatie te verifiëren, had moeten wijken. Ook is niet gebleken dat verzoekster op
8 december 2025 in zulke omstandigheden verkeerde dat zij, toen zij geconfronteerd werd met het huisbezoek, niet in staat was de consequenties van haar weigering te begrijpen of om een afweging te maken tussen haar belang om bijstand te ontvangen en het niet willen meewerken aan een huisbezoek. Blijkens het verhoor heeft verzoekster bedenktijd gekregen. Aan verzoekster is ondubbelzinnig kenbaar gemaakt dat het weigeren van medewerking gevolgen zou kunnen hebben voor haar recht op bijstand. Ook na de hersteltermijn heeft verzoekster het huisbezoek geweigerd. De voorzieningenrechter acht dit in lijn met wat in het kader van de zorgplicht van het college mocht worden verwacht.
7.9.
Omdat verzoekster niet heeft meegewerkt aan het afleggen van een huisbezoek, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat verzoekster de medewerkingsverplichting heeft geschonden, waardoor het recht op bijstand niet was vast te stellen. De voorzieningenrechter is gelet op het vorenstaande van oordeel dat het college, met de gegevens die destijds bekend waren, op juiste gronden de uitkering van verzoekster heeft beëindigd per 8 december 2025.
7.10.
Verzoekster heeft in bezwaar een kopie van de periodeafrekening van Dunea overgelegd waaruit blijkt dat het waterverbruik niet 0 m³, maar 103 m³ was. Daarnaast heeft verzoekster tijdens het gesprek op 8 december 2025 bankafschriften overgelegd over de periode juni 2024 tot en met 4 december 2025. Hieruit blijkt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet dat verzoekster in deze periode niet in de buurt van haar woning zou hebben verbleven. De voorzieningenrechter overweegt dat het college in het kader van de volledige heroverweging in bezwaar de overgelegde stukken zal moeten meenemen in de besluitvorming. Dit kan ertoe leiden dat het college in de beslissing op bezwaar alsnog tot de conclusie kan komen dat er geen twijfel is over de feitelijke woonsituatie van verzoekster. Gelet op het voorgaande, kan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet gezegd worden dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft.
8. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit is geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Dit betekent dat het recht op uitkering herleeft per 8 december 2025.
9. Omdat het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen, krijgt verzoekster een vergoeding voor de proceskosten. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert in dit geval 2 punten op (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,-, bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.868,-.
10. De voorzieningenrechter wijst er op dat het college het door verzoekster betaalde griffierecht dient te vergoeden van € 55,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
  • schorst het bestreden besluit tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 55,- aan verzoekster moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. V.A. Paul, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 5 december 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2348.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 19 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:973.