Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14618

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
26/1263 en 26/2379
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:86 AwbParticipatiewetArt. 120 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijstand voor dakloze wegens onvoldoende bewijs verblijfplaats

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering voor daklozen op grond van de Participatiewet, welke door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag is afgewezen. De afwijzing berust op het feit dat eiser onvoldoende controleerbare en verifieerbare gegevens heeft verstrekt over zijn hoofdverblijf gedurende de relevante periode, waarbij hij stelde in een camper te verblijven op een niet-bestaande locatie.

De voorzieningenrechter oordeelt dat eiser niet heeft voldaan aan zijn bewijslast om het recht op bijstand aannemelijk te maken. Het college heeft terecht geweigerd bijstand te verlenen omdat het niet vast te stellen is waar eiser feitelijk verbleef. De rechtbank volgt het college ook in het standpunt dat een verblijf in een camper moeilijk controleerbaar is, mede omdat een camper geen vaste standplaats heeft en niet gekoppeld kan worden aan de Basisregistratie Personen.

Eiser voerde dat het college hem niet voldoende gelegenheid had gegeven om nadere bewijsstukken te overleggen, maar de voorzieningenrechter acht dit niet aannemelijk. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt omdat het hier gaat om een gebonden bevoegdheid op grond van de Participatiewet. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 26/1263 en 26/2379
uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 april 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. M.P. Harten),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: mr. P. Siemerink).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 25 juni 2025 een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering voor daklozen op grond van de Pw. Het college heeft de aanvraag met het primaire besluit van 27 augustus 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 maart 2026 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
2.2.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiser daartegen. [1]
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Eiser ontving laatstelijk vanaf 20 juli 2020 een daklozenuitkering. Het college heeft de bijstandsuitkering van eiser met ingang van 1 oktober 2024 ingetrokken omdat eiser zijn hoofdverblijf niet binnen de gemeente Den Haag heeft. Hierna heeft eiser meerdere aanvragen om een bijstandsuitkering voor daklozen ingediend, welke zijn afgewezen door het college.
3.1.
Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser onvoldoende informatie heeft verstrekt om het recht op bijstand vast te kunnen stellen. Eiser heeft verklaard dat hij gedurende het grootste deel van de opgegeven periode in een camper verbleef op de door hem genoemde locatie “Schaapjesduinenweg”. Nu dit adres niet bestaat en eiser geen objectieve en verifieerbare gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt waar eiser feitelijk verbleef, blijft het onduidelijk waar eiser heeft verbleven. De enkele verklaring dat eiser in een camper heeft geslapen, zonder concrete en verifieerbare locatiegegevens, is onvoldoende.
3.2.
De te beoordelen periode loopt van 25 juni 2025 (datum aanvraag) tot en met 27 augustus 2025 (datum afwijzingsbesluit).
3.3.
Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over onder meer zijn woon- en leefsituatie. Controleerbare gegevens over de feitelijke woon- en verblijfplaats kunnen van essentieel belang zijn voor de beantwoording van de vraag of iemand recht heeft op bijstand.
3.4.
Volgens vaste rechtspraak kan ook van iemand die stelt dak- of thuisloos te zijn worden gevergd dat hij controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats. [2] Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de aanvrager niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
3.5.
Eiser heeft bij het aanvraagformulier een overzicht van slaapadressen overgelegd. Hierop heeft eiser onder andere ingevuld dat hij in de periode van 17 juni 2025 tot en met 8 augustus 2025 verbleef in een camper geparkeerd op een parkeerplaats aan de “Schaapjesduinenweg”. Volgens het verslag van de hoorzitting in bezwaar is eiser voorgehouden dat er geen straat in Den Haag bestaat met die naam, is toegelicht dat het voor het college van belang is om vast te stellen waar eiser feitelijk heeft verbleven, en is gevraagd of er bewijsstukken zijn waaruit blijkt dat eiser daadwerkelijk op een specifieke locatie in een camper heeft geslapen. In het bestreden besluit staat dat de “Schapenduinenweg in Kijkduin” niet bestaat, dat het juist wanneer iemand geen vaste woon- of verblijfplaats heeft noodzakelijk is vast te stellen waar de betrokkene feitelijk heeft verbleven, en dat onduidelijk blijft waar eiser gedurende een substantieel deel van de relevante periode feitelijk heeft verbleven. Nu het opgegeven adres niet bestaat en eiser geen objectieve en verifieerbare gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt waar hij feitelijk verbleef, kan zijn feitelijke verblijfssituatie niet worden vastgesteld, aldus het besluit.
3.6.
Ter zitting heeft de gemachtigde van het college toegelicht dat het college er bij de herbeoordeling in bezwaar van uit is gegaan dat eiser heeft bedoeld het [straatnaam] op te geven als slaapadres. Eiser wordt dus niet uitsluitend tegengeworpen dat hij een niet bestaand adres heeft opgegeven, maar de afwijzing van de aanvraag berust met name op het standpunt dat het hoofdverblijf van een aanvrager die stelt in een camper te verblijven niet controleerbaar is. Een camper heeft namelijk geen vaste staplaats en is ook niet verbonden aan een adres. Hierdoor is ook geen koppeling te maken met de Basisregistratie personen en is ook onderzoek ter plaatse en het opnemen van verklaringen van een hoofdbewoner of eigenaar veelal niet goed mogelijk. Het is daarom bijna niet mogelijk om te controleren waar de betrokkene daadwerkelijk verblijft, en al helemaal niet als het gaat om een periode in het verleden.
3.7.
De rechtbank volgt het college in het standpunt dat eiser onvoldoende duidelijk heeft gemaakt waar hij de betrokken periode heeft verbleven. Op basis van de door eiser aangeleverde informatie is voor een groot deel van de periode waarop de aanvraag ziet niet vast te stellen waar hij zijn hoofdverblijf had. Blijkens de rapportage van 27 augustus 2025 heeft het college bij de feitelijke beoordeling van de verblijfplaats van eiser onderzocht of het aannemelijk is dat eiser gedurende de bedoelde periode in een camper heeft verbleven op het [straatnaam] . In dit kader is navraag gedaan bij de politie. De politie heeft verklaard dat het vrijwel onmogelijk is om langer dan enkele dagen een camper te parkeren in Den Haag zonder dat dat wordt opgemerkt, omdat er streng wordt gecontroleerd en gehandhaafd. De kans dat er twee maanden een camper op een openbare parkeerplaats staat waarin overnacht zonder dat dat wordt opgemerkt was volgens de politie nagenoeg nihil.
3.8.
Voor zover eiser aanvoert dat het college hem in de gelegenheid had moeten stellen om een nadere toelichting te geven over zijn verblijfplaats dan wel om nadere bewijsstukken over te leggen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Uit het verslag van de hoorzitting van 24 december 2025 volgt dat het college aan eiser heeft gevraagd of er bewijsstukken zijn waaruit blijkt dat hij daadwerkelijk op die specifieke locatie in een camper heeft geslapen. Concrete, schriftelijke bewijsstukken waaruit de feitelijke verblijfplaats blijkt zijn echter niet overgelegd. Dat laatste heeft eiser niet gemotiveerd betwist. De voorzieningenrechter volgt eiser daarom niet in zijn stelling dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om nadere bewijsstukken over te leggen. Dat het college niet om de verklaringen van derden heeft verzocht, terwijl eiser dit wel heeft aangeboden, maakt dit niet anders. Dergelijke verklaringen zijn op zichzelf namelijk, zeker als het gaat om verblijf in een camper die niet aan een vaste plaats gebonden is, doorgaans onvoldoende om de feitelijke verblijfssituatie vast te stellen.
3.9.
Voor zover eiser aanvoert dat de afwijzing van zijn aanvraag in strijd is met het evenredigheidbeginsel overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
3.10.
Eiser voldoet niet aan de aan de toekenningsvoorwaarden voor het recht op bijstand. In dat geval is het college verplicht de aanvraag af te wijzen. Het gaat hier om een gebonden bevoegdheid die is gebaseerd op de Pw, een wet in formele zin. Het toetsingsverbod van artikel 120 van Pro de Grondwet staat in de weg aan toetsing hiervan aan algemene rechtsbeginselen, zoals het evenredigheidsbeginsel. Dat is slechts anders als er sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle verdisconteerd zijn in de afweging van de wetgever, waardoor aanleiding kan bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. De voorzieningenrechter gaat voorbij aan het betoog van eiser over de ingrijpende gevolgen die het niet toekennen van bijstand voor hem heeft gehad, nu dit niet is onderbouwd. Er is daarom geen aanleiding om te toetsen of strikte toepassing van de Pw bij de beslissing op de bijstandsaanvraag van eiser leidt tot strijd met het evenredigheidsbeginsel. [3]
3.11.
Gelet op het voorgaande heeft het college de aanvraag om een bijstandsuitkering van verzoeker mogen afwijzen.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is gezien het voorgaande ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. Omdat de voorzieningenrechter bij deze uitspraak beslist op het beroep is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
4.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
 verklaart het beroep ongegrond;
 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 3 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3896 en van 29 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2555.
3.Vergelijk de uitspraak van de CRvB van 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2399.