AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
Eiser, van Ethiopische nationaliteit, verzet zich tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Spanje verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. De rechtbank heeft het beroep samen met een verzoek om voorlopige voorziening behandeld en verklaart het beroep ongegrond.
De rechtbank oordeelt dat het voornemen van de minister voldoet aan de vereisten, ondanks dat de standaardtekstblokken zijn gebruikt en de Dublinbrochure niet schriftelijk is uitgereikt. De rechtbank past artikel 6:22 AwbPro toe om het gebrek te passeren omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij hierdoor is benadeeld. Ook het ontbreken van de loopbrief ten tijde van het voornemen leidt niet tot schending van het recht op effectieve rechtsbijstand.
Eiser betoogt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet meer geldt vanwege structurele tekortkomingen in de Spaanse opvang, maar de rechtbank volgt de jurisprudentie en concludeert dat deze tekortkomingen niet zodanig ernstig zijn dat overdracht aan Spanje een reëel risico op onmenselijke behandeling oplevert.
Ten aanzien van artikel 17 vanPro de Dublinverordening overweegt de rechtbank dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom geen uitzondering is gemaakt ondanks de medische problematiek van eiser. Eiser heeft onvoldoende bewijs geleverd dat Nederland het meest geschikte land is voor behandeling.
De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser en wijst het beroep af, waardoor de minister de asielaanvraag niet hoeft te behandelen en eiser terecht wordt overgedragen aan Spanje.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de minister hoeft de asielaanvraag niet in behandeling te nemen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.51227
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Ethiopische nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. T.M. van der Wal),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 17 oktober 2025 niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep tegelijk met het verzoek om een voorlopige voorziening, geregistreerd onder zaaknummer NL25.51228, op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.
1.2.
Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist. [1]
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat mede aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de DVO. [2] Op grond van de DVO neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [3] In dit geval heeft Nederland op 14 augustus 2025 bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek op 19 augustus 2025 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, onder a, van de DVO.
Is sprake van onzorgvuldige besluitvorming?
5. Eiser betoogt dat de besluitvorming door de minister onzorgvuldig is. Daarbij voert eiser aan dat het voornemen niet deugdelijk is gemotiveerd, omdat het voornemen alleen uit standaard tekstblokken bestaat en geen op de persoon van eiser toegespitste motivering bevat. Daarnaast voert eiser aan dat de Dublinbrochure niet aan hem is uitgereikt, waardoor aan hem geen schriftelijke informatie is verstrekt. Hierdoor is zijn recht op informatie zoals neergelegd in artikel 4 vanPro de DVO geschonden. Eiser wijst erop dat de minister de loopbrief niet aan het dossier heeft toegevoegd voordat het voornemen is uitgebracht. Ten tijde van het indienen van de zienswijze was het dossier daarom niet compleet en kon niet worden vastgesteld of de Dublinclaim al dan niet tijdig is verzonden en of deze rechtmatig was. Eiser stelt hierdoor geschaad te zijn in zijn recht op effectieve rechtsbijstand in de voornemenprocedure.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat het voornemen aan de daaraan gestelde vereisten voldoet, omdat het de dragende overwegingen bevat. Zo heeft de minister in het voornemen gemotiveerd waarom Spanje verantwoordelijk is voor de asielaanvraag en waarom geen toepassing is gegeven aan artikel 17 vanPro de DVO. In het voornemen is daarnaast aangegeven dat er geen reden is om aan te nemen dat Spanje zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Het enkele feit dat niet alle uit het aanmeldgehoor afzonderlijke bezwaren van eiser kenbaar in het voornemen zijn betrokken, leidt op zichzelf niet tot vernietiging van het bestreden besluit. [4]
5.2.
Ten aanzien van de Dublinbrochure stelt de rechtbank vast dat niet in geschil is dat de minister de betreffende informatiebrochure bij het aanmeldgehoor niet aan eiser heeft uitgereikt. Tijdens het gehoor is eiser wel op de informatie uit de brochure gewezen. [5] In artikel 4, tweede lid van de DVO is vastgelegd dat de informatie schriftelijk moet worden verstrekt waarbij gebruik wordt gemaakt van de voor dat doel opgestelde gemeenschappelijke brochure. [6] Door enkel op de inhoud te wijzen zonder de informatie schriftelijk te verstrekken is sprake van een zorgvuldigheidsgebrek, zodat het besluit in strijd is met artikel 3:2 vanPro de Awb. [7] Eiser is echter door de hoormedewerker gewezen op de inhoud van de brochure, heeft gelegenheid gehad om zijn verhaal te doen en hem is gevraagd om zijn bezwaren tegen overdracht aan Spanje toe te lichten. Door eiser zijn geen correcties en aanvullingen ingediend naar aanleiding van het Aanmeldgehoor Dublin. De ingediende zienswijze is betrokken in de besluitvorming en in de beroepsfase heeft eiser kunnen reageren op het bestreden besluit. Eiser heeft onvoldoende aangevoerd welke concrete informatie hij heeft gemist en in welk belang hij daardoor is geschaad. Door eiser is niet aangevoerd dat het uitreiken van de informatiebrochure tot een andere uitkomst zou hebben geleid. Omdat niet is gebleken dat eiser door de gang van zaken is benadeeld, ziet de rechtbank aanleiding om het gebrek met toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb te passeren.
5.3.
Over de loopbrief overweegt de rechtbank als volgt. De minister heeft de loopbrief tegelijk met het bestreden besluit van 17 oktober 2025 aan het digitale dossier toegevoegd en daarmee het dossier compleet gemaakt. Ten tijde van het voornemen heeft eiser echter al op basis van de in het dossier wel aanwezige Eurodac-treffer en het verzoek om terugname kunnen vaststellen dat de minister het verzoek om terugname tijdig heeft gedaan. [8] Eiser heeft dat ook niet betwist. Dat de loopbrief ten tijde van het voornemen ontbrak doet dan ook niet af aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn betoog dat hij is geschaad in zijn recht op effectieve rechtsbijstand.
5.4.
De rechtbank ziet in het verder in beroep gevoerde betoog geen aanleiding te oordelen dat de besluitvorming onzorgvuldig is.
Interstatelijke vertrouwensbeginsel
6. Eiser betoogt dat ten aanzien van Spanje niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen. Volgens het meest recente AIDA-rapport bestaan er chronische tekortkomingen in het Spaanse opvangsysteem en ondervinden Dublinclaimanten dezelfde obstakels in de opvangvoorzieningen als andere asielzoekers. Daarnaast is de Europese Commissie een inbreukprocedure gestart wegens de omstandigheden in de opvang. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende onderzoek heeft verricht naar mogelijke structurele tekortkomingen in Spanje ten aanzien van de behandeling van asielzoekers. De minister heeft volgens eiser onvoldoende gemotiveerd dat conform het arrest M.S.S. tegen België [9] is gehandeld. De enkele overweging dat Spanje met het Dublin-claimakkoord heeft gegarandeerd dat de asielaanvraag van eiser in behandeling wordt genomen, is volgens eiser onvoldoende.
6.1.
De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van de Afdeling [10] volgt dat de minister voor Spanje mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM [11] , het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. Het is daarom aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Spanje, als gevolg van het niet-nakomen van internationale verplichtingen door de Spaanse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 EVRMPro en artikel 4 vanPro het Handvest strijdige behandeling. Daarvan kan pas sprake zijn als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiser er niet in is geslaagd het voorgaande aannemelijk te maken. De Afdeling heeft in de uitspraak van 25 november 2025 het meest recente AIDA-rapport [12] betrokken en geconcludeerd dat dit rapport geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie van de opvangvoorzieningen in Spanje voor Dublinclaimanten dan volgt uit de landeninformatie die is betrokken in de eerdere uitspraken van de Afdeling. [13] Hoewel het lastig kan zijn voor Dublinclaimanten om toegang te krijgen tot opvangvoorzieningen en de asielprocedure, blijkt niet dat die problemen dermate structureel en ernstig zijn, dat bij overdracht aan Spanje op voorhand sprake is van een reëel risico op een met artikel 3 vanPro het EVRM en artikel 4 vanPro het EU Handvest strijdige behandeling.
6.3.
Voor zover eiser zich beroept op de inbreukprocedure jegens Spanje vanwege het niet volledig omzetten van alle bepalingen van de Opvangrichtlijn [14] , ziet de rechtbank eveneens geen aanknopingspunten voor het oordeel dat ten aanzien van Spanje niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het starten van deze procedure op zichzelf is onvoldoende om aan te tonen dat Spanje structurele tekortkomingen heeft in de opvangvoorzieningen. Daar komt bij dat de Europese Commissie de Spaanse autoriteiten de gelegenheid heeft gegeven om de gebrekkige implementatie van de Opvangrichtlijn te herstellen. [15] Mocht eiser in Spanje toch problemen ervaren, dan dient hij zich hiervoor te wenden tot de (hogere) Spaanse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem niet mogelijk is of dat de Spaanse autoriteiten hem niet zouden kunnen of willen helpen.
7. Eiser voert aan dat er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die een overdracht aan Spanje in de weg staan en hij verzoekt toepassing te geven aan artikel 17 vanPro de DVO. Eiser heeft medische problematiek, die enerzijds is ontstaan door martelingen in Ethiopië en anderzijds tijdens de reis naar Europa, met zowel psychische als lichamelijke klachten als gevolg. Eiser voert verder aan dat de minister in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld, omdat ondanks zijn uitdrukkelijke verzoek om het medische dossier af te wachten alvorens tot besluitvorming over te gaan, al een beslissing is genomen. Hierdoor is het medische dossier niet bij de besluitvorming betrokken.
7.1.
Bij de toepassing van de bevoegdheid de asielaanvraag op grond van artikel 17 vanPro de DVO onverplicht aan zich te trekken heeft de minister veel beslisruimte, zodat de rechtbank alleen terughoudend kan toetsen of de minister goed heeft gemotiveerd waarom er in het geval van eiser geen gebruik wordt gemaakt van die bevoegdheid. [16] De rechtbank is van oordeel dat de minister dat voldoende heeft gedaan. De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eisers medische en psychische omstandigheden geen aanleiding vormen om zijn asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen. Daarbij heeft de minister kunnen betrekken dat niet is gebleken dat eiser onder specialistische behandeling staat of dat hij zo’n behandeling nodig heeft. Er zijn ook geen aanwijzingen dat Nederland het meest geschikte land is om eiser te behandelen. Op basis van het interstatelijke vertrouwensbeginsel mag ervan worden uitgegaan dat de medische problemen in Spanje net zo goed kunnen worden behandeld als in Nederland. De minister heeft aan eiser tegen kunnen werpen dat uit de overgelegde Franse documenten niet blijkt dat eiser onder behandeling staat of deze nodig heeft. Eiser heeft daarom geen begin van bewijs geleverd ten aanzien van zijn medische problematiek. De minister heeft het Nederlandse medische dossier daarom niet af hoeven wachten. Bovendien heeft eiser zijn medisch dossier in beroep alsnog kunnen inbrengen, zodat eiser niet in zijn belangen is geschaad.
8. De rechtbank ziet in hetgeen eiser overigens in beroep naar voren heeft gebracht geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit.
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de minister zijn asielaanvraag niet in behandeling hoeft te nemen en eisers terecht wordt overgedragen aan Spanje.
10. Gelet op de toepassing van artikel 6:22 AwbPro ziet de rechtbank wel aanleiding de minister te veroordelen in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Meesters - van Luijk, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer: NL25.51228.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking), ook wel de Dublinverordening.
3.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
9.Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 21 januari 2011, M.S.S. tegen België en Griekenland (ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609).
10.Zie de uitspraken van de afdeling van 3 februari 2025, ECLI:NLRVS:2025:381, 25 november 2025 ECLI:NL:RVS:2025:5661 en 9 januari 2026, ECLI:NLRVS:2026:92.
11.Het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
12.AIDA-rapport, Country Report: Spain (2024 Update), 30 april 2025.