Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13794

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
NL26.16327
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 17 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Duitsland

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank beoordeelt het beroep zonder zitting en verklaart het kennelijk ongegrond. De minister heeft op 23 februari 2026 een verzoek tot terugname van de asielaanvraag aan Duitsland gedaan, dat op 25 februari 2026 is aanvaard. De rechtbank stelt vast dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel van toepassing is, waardoor Nederland mag aannemen dat Duitsland zijn internationale verplichtingen nakomt.

Eiser heeft onvoldoende concrete aanwijzingen geleverd dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. Ook is onvoldoende onderbouwd dat bijzondere omstandigheden op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro aanwezig zijn om de aanvraag in Nederland te behandelen.

De rechtbank verwijst naar eerdere jurisprudentie en oordeelt dat het beroep niet slaagt. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt in een aparte uitspraak behandeld. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en het besluit tot niet in behandeling nemen van de asielaanvraag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16327

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Marokkaanse nationaliteit.
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de asielaanvraag met het bestreden besluit van 23 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Awb [1] uitspraak zonder zitting.
1.2.
Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen staat geregistreerd onder het zaaknummer NL26.16328. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit tot het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De EU [2] heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. [3] Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [4] In dit geval heeft Nederland op
23 februari 2026 bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 25 februari 2026 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.

Standaardvoornemen

5. Voor zover eiser ook in beroep meent dat het voornemen van de minister niet zorgvuldig tot stand is gekomen en een standaardvoornemen heeft uitgebracht, oordeelt de rechtbank als volgt. Het voornemen voldoet aan de daaraan gestelde vereisten, omdat het de dragende overwegingen bevat. Zo heeft de minister in het voornemen gemotiveerd waarom Duitsland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag en waarom geen toepassing is gegeven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. In het voornemen is daarnaast aangegeven dat er geen reden is om aan te nemen dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Overigens kan het enkele feit dat niet alle afzonderlijke bezwaren van eiser tegen een overdracht aan Duitsland kenbaar zijn betrokken bij een voornemen, op zichzelf niet leiden tot vernietiging van een bestreden besluit. De rechtbank verwijst in dat kader naar de uitspraken van de Afdeling [5] van 23 november 2023 en 11 april 2025 [6] en ziet in eisers geval geen aanleiding om hiervan af te wijken.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. De rechtbank oordeelt dat de Duitse autoriteiten met het claimakkoord in beginsel verantwoordelijk zijn voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van eiser. Dit is alleen anders als moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Duitsland systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM [7] en artikel 4 van Pro het Handvest [8] , waarbij een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid geldt. [9] In de uitspraken van 4 september 2024 [10] heeft de Afdeling geoordeeld dat het in de eerste plaats aan de vreemdeling is om het vermoeden te weerleggen dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat volgens rechtspraak van de Afdeling ten aanzien van Duitsland nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [11] Dit betekent dat de minister in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Duitsland niet in strijd zal zijn met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Duitsland overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen in dat kader.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij na overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten op het gebied van opvang, zorg of rechtsbijstand een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. De minister heeft daarnaast terecht overwogen dat eiser (tijdens het aanmeldgehoor van 20 februari 2026) heeft verklaard dat hij in Duitsland met de dood is bedreigd en dat er een moordpoging op hem is gedaan, maar dat eiser echter niet heeft aangetoond dat de Duitse autoriteiten hem niet willen of kunnen helpen. Hiervoor acht de rechtbank van belang dat eiser tijdens het aanmeldgehoor ook heeft verklaard dat hij in Duitsland geen aangifte heeft gedaan. De beroepsgrond dat de minister in het bestreden besluit niet is ingegaan op wat eiser in Duitsland is overkomen kan gelet op het voorgaande niet slagen. De verklaring van eiser dat hij als gevolg van de moordpoging twee weken in het ziekenhuis heeft gelegen is overigens niet met documenten onderbouwd.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
7. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening moet worden bekeken of er bijzondere, individuele omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding geven om de asielaanvraag van eiser toch in Nederland te behandelen.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom er geen aanleiding bestaat om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich te trekken.
Refoulement
8. Ten aanzien van eisers betoog dat hij bij overdracht aan Duitsland vreest voor indirect refoulement, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van het Hof [12] van
30 november 2023 [13] en de Afdeling van 12 juni 2024 [14] . Uit die uitspraken volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het betreffende land, omdat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er in dat land sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. Zoals hiervoor onder 6.1 en 6.2. is overwogen kan ten aanzien van Duitsland nog altijd worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank onderzoekt daarom niet of er bij overdracht aan Duitsland een risico is op indirect refoulement.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Europese Unie.
3.Verordening (EU) nr. 604/2013.
4.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
8.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
9.Dit volgt uit het Jawo-arrest van het Hof van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
11.Zie bijvoorbeeld de Afdelingsuitspraken van 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588 en
12.Europese Hof van Justitie.
13.ECLI:EU:C:2023:934.