Uitspraak
8.ECLI:NL:RVS:2024:32.
10.ECLI:NL:RBDHA:2024:4508.
- verklaart het beroep tegen het besluit van 23 juli 2025 ongegrond; en
- veroordeelt de minister tot betaling in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Rechtbank Den Haag
Deze zaak betreft het beroep van een Nigeriaanse derdelander die vanuit Oekraïne naar Nederland is gekomen en tijdelijke bescherming genoot op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB). De minister legde op 7 februari 2024 een terugkeerbesluit op, dat later op 23 juli 2025 werd vervangen door een nieuw terugkeerbesluit, waarbij het eerdere besluit werd ingetrokken omdat het prematuur was genomen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het eerste terugkeerbesluit niet-ontvankelijk is vanwege de intrekking van dat besluit. Het beroep tegen het vervangende terugkeerbesluit is inhoudelijk beoordeeld en ongegrond verklaard. De rechtbank volgt de minister in de uitleg dat de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 is geëindigd en dat het terugkeerbesluit niet prematuur is opgelegd.
De rechtbank overweegt dat het evenredigheidsbeginsel niet is geschonden omdat de tijdelijke bescherming van rechtswege is geëindigd en dat een individuele belangenafweging niet vereist is. Ook is geoordeeld dat de zienswijze van eiser voldoende is betrokken bij het besluit. De minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser vanwege het prematuur genomen eerste besluit.
De uitspraak betekent dat eiser binnen de gestelde termijn moet terugkeren naar Nigeria en dat de eerdere voorlopige voorzieningen die uitzetting verboden, vervallen.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit van 23 juli 2025 is ongegrond verklaard en eiser moet terugkeren naar Nigeria.