Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11592

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
NL24.9097
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 6:19 AwbArt. 8:57 AwbArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugkeerbesluit tijdelijke bescherming derdelander Oekraïne wegens ontbreken recente non-refoulement beoordeling

Eiser, een Soedanese derdelander die tijdelijke bescherming genoot in Nederland vanwege de inval in Oekraïne, werd geconfronteerd met een terugkeerbesluit van 7 februari 2024 en een vervangend besluit van 4 augustus 2025 waarin zijn tijdelijke bescherming werd beëindigd. Eiser betwistte deze besluiten en voerde aan dat hij niet kon terugkeren naar Soedan vanwege een reëel risico op ernstige schade, zoals bedoeld in artikel 3 EVRM Pro, en dat verweerder voorafgaand aan het terugkeerbesluit een actuele non-refoulement beoordeling had moeten maken.

Verweerder stelde dat het rechtmatig verblijf van eiser op 4 maart 2024 was geëindigd en dat er geen verplichting bestond om een non-refoulement toets te verrichten bij het terugkeerbesluit. Ook werd de relatie van eiser met een partner die nog tijdelijke bescherming geniet niet als duurzaam erkend wegens tegenstrijdige verklaringen en gebrek aan bewijs.

De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit niet zorgvuldig was voorbereid omdat geen geactualiseerde beoordeling van het non-refoulementbeginsel had plaatsgevonden, in strijd met artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn en relevante jurisprudentie van het HvJ EU en de Afdeling bestuursrechtspraak. Hierdoor was het besluit niet deugdelijk gemotiveerd en moest het worden vernietigd.

De rechtbank zag geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Het beroep werd gegrond verklaard en eiser werd in de proceskosten van €1868 tegemoetgekomen. De uitspraak werd gedaan zonder zitting op 11 mei 2026 door rechter M.L. Weerkamp.

Uitkomst: Het terugkeerbesluit wordt vernietigd wegens het ontbreken van een recente non-refoulement beoordeling, het beroep wordt gegrond verklaard en proceskosten worden toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.9097

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Yap)
en
de minister van Asiel en Migratie, [1] verweerder
(gemachtigde: mr. R.E. Thijssen).

Inleiding

In het besluit van 7 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG (Richtlijn Tijdelijke Bescherming, RTB), en dat hij binnen vier weken na die datum moet terugkeren naar zijn land van herkomst.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
De rechtbank heeft het beroep aangehouden in afwachting van de beantwoording van de aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) gestelde prejudiciële vragen in de verwijzingsuitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4394, en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1742.
Het HvJ EU heeft deze vragen beantwoord in het arrest van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak Kaduna en Abkez. Vervolgens zijn op 23 april 2025 de einduitspraken van de Afdeling verschenen (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836) en is op 10 juli 2025 de einduitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, verschenen (ECLI:NL:RBAMS:2025:4843).
Naar aanleiding van deze uitspraken heeft verweerder op 4 augustus 2025 een vervangend terugkeerbesluit genomen. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op dit besluit. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om schriftelijk op dit besluit en de hiervoor genoemde jurisprudentie te reageren.
Eiser heeft aanvullende beroepsgronden ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft hier bij schrijven van 7 november 2025 op gereageerd.
De rechtbank heeft het voornemen geuit om uitspraak te doen zonder een zitting te houden. Hierop hebben partijen niet binnen de gegeven termijn gereageerd. De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser is geboren op [datum] 1995 en heeft de Soedanese nationaliteit.
2. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiser rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na zijn vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft hij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de RTB als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’.
3. In het besluit van 7 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming en Nederland binnen vier weken na die datum moet verlaten. Vervolgens is er onduidelijkheid ontstaan over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit. Daarom heeft verweerder de gevolgen van dit besluit bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt, maar blijft gelden voor personen zoals eiser die nog een lopende procedure hebben. [2] In het vervangende besluit van 4 augustus 2025 heeft verweerder bepaald dat het eerdere terugkeerbesluit te vroeg is genomen, dat een nieuw terugkeerbesluit wordt genomen en dat eiser binnen vier weken na de uitspraak van de rechtbank op het beroep van eiser hiertegen Nederland moet verlaten.
4. Eiser is het niet eens met de besluiten van 7 februari 2024 en 4 augustus 2025. Hij voert aan dat verweerder zijn tijdelijke bescherming niet mag beëindigen. Eiser kan niet terugkeren naar zijn land van herkomst omdat hij daar een reëel risico op ernstige schade loopt zoals bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM. [3] Gelet hierop had verweerder voorafgaand aan het nemen van het terugkeerbesluit een recente beoordeling moeten maken met betrekking tot het beginsel van non-refoulement. Eiser verwijst hierbij naar arrest van het HvJ EU van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892, in de zaak Ararat. Voorts kan eisers tijdelijke bescherming niet worden beëindigd omdat zijn partner nog tijdelijke bescherming geniet in Nederland.
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het rechtmatig verblijf van eiser op 4 maart 2024 van rechtswege geëindigd is, zodat het vervangende terugkeerbesluit rechtmatig is. In een situatie als bedoeld in artikel 28 van Pro de Procedurerichtlijn, [4] waarin het nalaten van de vreemdeling mag worden geduid als een impliciete intrekking van het verzoek om internationale bescherming, bestaat geen verplichting om in het kader van het nemen van een terugkeerbesluit alsnog te onderzoeken of de vreemdeling bij terugkeer in een situatie terechtkomt die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. Nu eiser niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 30c van de Vw, kon bovendien niet worden vastgesteld of sprake was van ‘zwaarwegende en gegronde redenen’ als bedoeld in het arrest van het HvJ EU van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892, in de zaak Ararat. Voorts kan eisers gestelde relatie niet worden aangemerkt als duurzaam, omdat hij en zijn gestelde partner tegenstrijdig hebben verklaard over het moment waarop zij elkaar hebben leren kennen. Daarnaast heeft hij nagelaten aanvullende stukken ter onderbouwing van de gestelde relatie te overleggen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
6. In het arrest Kaduna en Abkez en de daarop gevolgde einduitspraken is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart 2024. Met het vervangende besluit is de tijdelijke bescherming van eiser na die datum beëindigd. Niet gebleken is dat eiser op dat moment of sindsdien in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning, dan wel dat hij een aanvraag daartoe heeft lopen. Het vervangende besluit vermeldt dat hij binnen vier weken moet terugkeren naar Soedan. Daarmee voldoet het vervangende besluit aan de vereisten van de Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn).
7. De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat verweerder voorafgaand aan het nemen van het terugkeerbesluit een recente beoordeling had moeten maken met betrekking tot het beginsel van non-refoulement. Artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn verplicht de bevoegde nationale autoriteiten om in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. In het arrest van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892, in de zaak Ararat heeft het HvJ EU verduidelijkt dat dit meebrengt dat de nationale autoriteiten bij de vaststelling van een terugkeerbesluit een beoordeling moet verrichten of zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest. Daarbij heeft het Hof ook overwogen dat een nationale praktijk op grond waarvan de eerbiediging van het beginsel van non-refoulement slechts kan worden onderzocht in het kader van een asielprocedure, in strijd is met artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn. Uit de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025 volgt daarnaast dat op verweerder in dit verband een onderzoeksplicht rust en dat verweerder zich moet vergewissen dat een dergelijk reëel risico ontbreekt. [5]
8. Vaststaat dat verweerder voorafgaand aan het nemen van het terugkeerbesluit geen geactualiseerde refoulementsbeoordeling heeft verricht. Hieruit volgt dat het bestreden besluit niet berust op een zorgvuldige voorbereiding en evenmin op een deugdelijke motivering.
9. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het beroep reeds daarom gegrond is. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Gelet op de aard van het gebrek ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien.
10. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €1868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van €934 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep gegrond;
 vernietigt het bestreden besluit; en
 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868 (duizend achthonderdachtenzestig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 11 mei 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.https://ind.nl/nl/nieuws/bevriezingsmaatregel-derdelanders-oekraine-stopt-op-4-september-2025.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Richtlijn 2013/32/EU.