ECLI:NL:RBDHA:2026:11583

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
NL26.21931
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 12 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser, een Nigeriaanse minderjarige, diende op 13 maart 2026 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Bulgarije op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiser stelde dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder een niet onderbouwde medische situatie.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel tussen Nederland en Bulgarije, beide partijen bij het EVRM en het Vluchtelingenverdrag. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat Bulgarije zijn verdragsverplichtingen niet zou nakomen of dat zijn terugkeer tot een schending van artikel 3 EVRM Pro zou leiden.

Verder concludeerde de rechtbank dat het bestreden besluit voldoende maatwerk bevatte en dat eiser de gelegenheid had gehad om op het voornemen te reageren. De gestelde depressie werd niet onderbouwd en er was geen reden om de verantwoordelijkheid naar Nederland over te nemen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.21931

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij het besluit van 13 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [2] uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2007 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 13 maart 2026 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Uit onderzoek in EU-Vis is gebleken dat eiser door de buitenlandse vertegenwoordiging van Bulgarije in het bezit is gesteld van een visum, dat geldig was van 20 januari 2026 tot 14 april 2026. Op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening [3] heeft verweerder aan Bulgarije een verzoek om overname gedaan. Op 4 april 2026 hebben de Bulgaarse autoriteiten het verzoek aanvaard, waarmee de verantwoordelijkheid van Bulgarije vaststaat.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartegen aan dat verweerder onvoldoende kenbaar alle persoonlijke omstandigheden heeft betrokken bij de besluitvorming. In dit verband verwijst eiser naar de uitspraak van de Afdeling [4] van 11 april 2025. [5] Het aan het besluit ten grondslag liggende voornemen bevat onvoldoende maatwerk
en niet alle dragende overwegingen zijn inzichtelijk gemaakt. Daarnaast voert eiser aan dat
niet kenbaar is op welke wijze verweerder toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van Pro de
Dublinverordening. Ten slotte stelt eiser dat overdracht aan Bulgarije leidt tot een schending
van artikel 3 van Pro het EVRM, [6] gelet op de depressiviteit waar hij aan lijdt.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Eiser wordt niet gevolgd in zijn stelling dat niet al zijn persoonlijke omstandigheden
in het voornemen zijn betrokken. Hoewel niet alle verklaringen van eiser kenbaar in het
voornemen zijn betrokken, zijn daarin wel de door verweerder dragende overwegingen
opgenomen. Eiser heeft door het indienen van een zienswijze de gelegenheid gehad om op
het voornemen te reageren. Verweerder heeft vervolgens in het bestreden besluit de
verklaringen van eiser uit het aanmeldgehoor en hetgeen eiser in de zienswijze naar voren
heeft gebracht, betrokken. In dit kader verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de
Afdeling van 23 november 2023, [7] waarin sprake was van een vergelijkbare handelwijze van
verweerder. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2025
leidt niet tot een ander oordeel, nu de Afdeling daarin bevestigt dat het voornemen de
dragende overwegingen moet bevatten. Daarvan is in dit geval sprake. Door eiser is ook niet
geconcretiseerd hoe hij hierdoor in zijn belangen is geschaad. Daarnaast is het voornemen
geen rechtshandeling, maar een voorgenomen mededeling van feitelijke aard die aan eiser
wordt bekendgemaakt en geen op rechtsgevolg gericht besluit vormt. Eiser is in de
gelegenheid gesteld om op het voornemen te reageren voordat het bestreden besluit werd
genomen, van welke gelegenheid hij gebruik heeft gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.
5. In beginsel mag verweerder ten opzichte van Bulgarije, dat evenals Nederland partij is bij het EVRM en het Vluchtelingenverdrag, uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is reeds bevestigd in de uitspraken van de Afdeling van 25 mei 2025 [8] en 20 april 2026. [9] Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat in zijn
geval hier niet van kan worden uitgegaan. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt
gesteld dat eiser er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat de Bulgaarse
autoriteiten hun verdragsverplichtingen jegens hem niet zullen nakomen en dat bij terugkeer
een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het
Handvest. [10] Ook is niet gebleken van ernstige, structurele tekortkomingen in het
asielsysteem of de opvangvoorzieningen. Daarnaast heeft verweerder terecht overwogen dat
eiser zich bij voorkomende problemen kan wenden tot de (hogere) Bulgaarse autoriteiten.
Niet is gebleken dat eiser bij voorkomende problemen niet kan klagen of dat dit bij voorbaat
zinloos is.
6. Verder heeft verweerder in de gestelde omstandigheden geen reden hoeven zien om de verantwoordelijkheid aan zich te trekken. De rechtbank merkt daarbij op dat eiser zijn gestelde depressie niet heeft onderbouwd. Niet is gebleken dat sprake is van medische
omstandigheden of dat eiser hiervoor onder behandeling staat. Verder heeft eiser niet
aannemelijk gemaakt dat hij eventuele medische behandelingen niet in Bulgarije zou kunnen krijgen of dat de behandeling enkel in Nederland beschikbaar is. Ook zijn er geen
aanwijzingen dat Nederland het meest geschikte land is voor een eventuele behandeling.
Verweerder heeft dan ook in redelijkheid kunnen beslissen dat er geen aanleiding is om
toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening en kunnen
overwegen dat bij overdracht aan Bulgarije geen sprake zal zijn van een situatie die strijdig
is met artikel 3 van Pro het EVRM.
7. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 11 mei 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Verordening (EU) nr. 604/2013.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
10.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.