ECLI:NL:RVS:2026:2133
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
De minister van Asiel en Migratie nam de asielaanvraag van betrokkene, een Turkse staatsburger, niet in behandeling omdat Bulgarije op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk zou zijn. De rechtbank oordeelde dat de minister onterecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanwege mogelijke systeemfouten in de Bulgaarse asielprocedure voor Turkse asielzoekers, gebaseerd op een laag inwilligingspercentage en rapporten van de Asylum Information Database.
De minister stelde in hoger beroep dat het lage inwilligingspercentage op zichzelf geen bewijs is van systeemfouten en dat binnen Bulgarije effectieve rechtsmiddelen beschikbaar zijn. De Raad van State volgde dit standpunt en oordeelde dat de rechtbank ten onrechte een doorslaggevend gewicht gaf aan speculatieve passages in het AIDA-rapport en onvoldoende rekening hield met het nationale rechtsstelsel in Bulgarije.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de minister gegrond, waardoor het beroep van betrokkene alsnog ongegrond werd verklaard. Omdat de overdrachtstermijn aan Bulgarije was verstreken, moet de minister de asielaanvraag zelf behandelen, maar het oordeel heeft geen verdere gevolgen voor betrokkene.
De uitspraak bevestigt het belang van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en benadrukt dat afwijkingen daarvan alleen mogelijk zijn bij concrete en actuele bewijsvoering van systeemfouten. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van betrokkene ongegrond verklaard.