BRS.24.000429
Datum uitspraak: 20 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 12 november 2024 in zaak nr. NL24.36498 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 12 september 2024 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 12 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M.M. Volwerk, advocaat in Leiden, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. Betrokkene heeft de Turkse nationaliteit. De minister heeft zijn asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat hij eerder in Bulgarije een asielaanvraag heeft ingediend en dat land op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor zijn asielaanvraag.
2. Ondanks dat de termijn om betrokkene over te dragen aan Bulgarije is verstreken, heeft de minister nog belang bij de beoordeling van het hoger beroep. Dat belang is gelegen in de precedentwerking die kan uitgaan van de uitspraak van de rechtbank. Vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:896, onder 3, en 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4244, onder 4. Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft overwogen dat uit de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2647, volgt dat de opvang van Dublinasielzoekers in Bulgarije niet zo gebrekkig is dat niet langer mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ook heeft de rechtbank overwogen dat, voor zover betrokkene wijst op het gebrek aan tolken en rechtsbijstand, hij niet nader heeft onderbouwd dat op deze gebieden sprake is van zodanige gebreken of onrechtmatigheden dat hierom niet meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank is echter wel van oordeel dat de door betrokkene genoemde informatie over de inwilliging van aanvragen van Turkse asielzoekers en de behandeling van deze asielzoekers, een serieuze aanwijzing is dat er niet alleen sprake is van een verschil in beschermingsbeleid, maar van een systeemfout in de Bulgaarse asielprocedure voor Turkse asielzoekers. Het lage inwilligingspercentage van 2018 tot en met 2023 van asielaanvragen van deze groep, zoals blijkt uit het rapport van de Asylum Information Database (AIDA), ‘Country Report: Bulgaria 2023 update’, van april 2024 (het AIDA-rapport), in samenhang bezien met verschillende andere passages uit dit rapport, roept volgens de rechtbank de vraag op of Turkse asielzoekers in Bulgarije wel een eerlijke asielprocedure kunnen doorlopen waarin hun aanvraag inhoudelijk beoordeeld wordt. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank daarom niet zonder nader onderzoek en zonder nadere motivering voor betrokkene mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Bulgarije. Hoger beroep over het interstatelijk vertrouwensbeginsel en Turkse asielzoekers in Bulgarije
4. De minister betoogt allereerst terecht dat, ook indien de wijze waarop de Bulgaarse autoriteiten de verzoeken van Turkse asielzoekers beoordelen systematische gebreken vertoont, binnen het nationale rechtsstelsel in Bulgarije effectieve bescherming kan worden gezocht. In dat kader wijst de minister terecht op de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359, onder 6.2, waaruit volgt dat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel het uitgangspunt is dat in de eerste plaats de aangezochte lidstaat het verbod op refoulement naleeft, en in de tweede plaats een vreemdeling in die lidstaat ook toegang heeft tot effectieve rechtsmiddelen om een negatieve beschikking op een asielbesluit alsmede het daaraan verbonden terugkeerbesluit aan te vechten, en zo een eventueel risico op refoulement aan rechterlijke toetsing te onderwerpen. Van dit uitgangspunt mag alleen worden afgeweken als een vreemdeling aannemelijk maakt dat wat betreft de asielprocedure en de opvangvoorzieningen sprake is van systeemfouten waardoor niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Ook met zijn schriftelijke uiteenzetting in hoger beroep heeft betrokkene niet aannemelijk gemaakt dat voor hem als Turkse asielzoeker in Bulgarije geen effectief rechtsmiddel openstaat tegen een mogelijke afwijzing van zijn asielverzoek. 4.1. De minister voert verder terecht aan dat een laag inwilligingspercentage op zichzelf niets zegt over de wijze waarop een lidstaat de asielverzoeken van een specifieke groep asielzoekers behandelt en over de vraag of die behandeling mogelijk gebreken vertoont. Het lage inwilligingspercentage vormt daarom op zichzelf geen aanwijzing dat er sprake is van een systeemfout bij de behandeling van aanvragen van Turkse asielzoekers. De minister wijst er daarbij terecht op dat uit de onderliggende cijfers van het AIDA-rapport volgt dat het aantal verzoeken van Turkse asielzoekers dusdanig beperkt is, dat zij niet als een afzonderlijke groep zijn opgenomen bij de tien nationaliteiten die de grootste groep van verzoekers om internationale bescherming vormen in Bulgarije. Daarnaast volgt uit de door de minister in hoger beroep overgelegde cijfers van de periode 1 januari 2024 tot en met 30 september 2024 van de Bulgaarse toelatingsautoriteiten dat er sprake is van een beperkte instroom van Turkse vreemdelingen in Bulgarije en dat hun aanvragen niet per definitie worden afgewezen.
4.2. In het licht van wat hiervoor is overwogen, voert de minister terecht aan dat de rechtbank bij haar oordeel over de betekenis van het lage inwilligingspercentage ten onrechte een doorslaggevend gewicht heeft toegekend aan de door haar geciteerde passage op p. 72-73 van het AIDA-rapport over het bestaan van een informele (politieke) overeenkomst tussen Bulgarije en Turkije. De Afdeling volgt het standpunt van de minister dat de aanname in het AIDA-rapport dat er afspraken zijn gemaakt over de migratiestroom tussen Bulgarije en Turkije speculatief van aard is en geen steun vindt in de onderliggende brondocumenten. Daarnaast verwijzen de onderliggende brondocumenten van deze passage naar oudere nieuwsartikelen uit 2019 en 2020 en is een andere onderbouwing daarvoor niet gegeven. Voor zover de rechtbank bij haar oordeel heeft betrokken dat Bulgarije de facto Turkije als veilig land van herkomst beschouwt, merkt de Afdeling op dat dit gaat over een verondersteld verschil in beschermingsbeleid. Dat staat niet ter beoordeling in deze procedure en kan daarom niet meewegen. Ook verder biedt het AIDA-rapport onvoldoende concrete en actuele aanwijzingen voor het aannemen van een systeemfout in de Bulgaarse asielprocedure voor Turkse asielzoekers.
4.3. Gelet op het voorgaande betoogt de minister terecht dat de rechtbank op basis van het AIDA-rapport niet heeft kunnen concluderen dat de minister niet zonder nader onderzoek en zonder nadere motivering voor betrokkene mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije.
4.4. De grieven slagen.
5. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
Conclusie hoger beroep
6. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, verklaart zij het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
7. Omdat de overdrachtstermijn al is verstreken, waardoor de minister betrokkene moet opnemen in de nationale procedure en dus zelf de asielaanvraag moet behandelen, heeft dit oordeel geen verdere gevolgen voor betrokkene.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 12 november 2024 in zaak nr. NL24.36498;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026
18-1085