Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11037

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
NL24.7383
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 4:8 AwbArt. 4:9 AwbRichtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging tijdelijke bescherming en terugkeerbesluit derdelander uit Oekraïne

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft de beëindiging van de facultatieve tijdelijke bescherming van een derdelander uit Oekraïne en de oplegging van terugkeerbesluiten door de minister van Asiel en Migratie. Eiseres, afkomstig uit Turkmenistan en tijdelijk verblijvend in Oekraïne, kreeg tijdelijke bescherming op grond van de EU-Richtlijn 2001/55/EG en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382. De minister beëindigde deze bescherming per 4 maart 2024 en legde terugkeerbesluiten op, waartegen eiseres beroep instelde.

De rechtbank oordeelt dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 rechtsgeldig is, conform het arrest van het Hof van Justitie (arrest Kaduna) en uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak. De bevriezingsmaatregel die feitelijk gebruik van rechten tot 4 september 2025 toestond, verlengt de bescherming niet juridisch. Eiseres had voldoende gelegenheid haar standpunt kenbaar te maken, zodat aan de hoorplicht is voldaan. Het evenredigheidsbeginsel staat de beëindiging niet in de weg omdat de bescherming was gebaseerd op het bezit van een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning.

Het beroep tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 is niet-ontvankelijk omdat dit besluit is vervangen door het besluit van 16 juli 2025. Het beroep tegen het besluit van 16 juli 2025 wordt ongegrond verklaard. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van € 934,00. De uitspraak is gedaan door rechter W. Loof en griffier T.M.T. Brandsma op 7 mei 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 is niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit van 16 juli 2025 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.7383

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. A. Kurt-Geçoğlu),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de aan eiseres toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (Richtlijn) [1] en de oplegging van meerdere terugkeerbesluiten. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht de aan eiseres toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 heeft beëindigd en per die datum een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft eiseres bij besluit van 22 augustus 2023 in kennis gesteld van de beëindiging van de aan haar toegekende tijdelijke bescherming per 4 september 2023. Dit besluit geldt ook als terugkeerbesluit. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld (NL23.25205). Ook heeft zij verzocht een voorlopige voorziening te treffen (NL23.25206). Deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, heeft op 1 september 2023 het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen. Op 1 februari 2024 heeft de minister het besluit van 22 augustus 2023 ingetrokken. Diezelfde dag heeft eiseres het beroep ingetrokken.
2.1.
Op 7 februari 2024 heeft de minister een nieuw terugkeerbesluit genomen waarin eiseres is meegedeeld dat de aan haar toegekende tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 eindigt. Hiertegen heeft mr. A. Kurt-Geçoğlu namens eiseres op 26 februari 2024 beroep ingesteld (NL24.7383) en verzocht een voorlopige voorziening te treffen (NL24.7384).
2.2.
Bij uitspraak van 4 april 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats het verzoek met zaaknummer NL24.7384 toegewezen en bepaald dat eiseres moet worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming op haar van toepassing is, tot uitspraak is gedaan op het beroep. [2]
2.3.
Bij besluit van 16 juli 2025 heeft de minister eiseres, in de zaak met zaaknummer NL24.7383, meegedeeld dat het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 is ingetrokken en vervangen door een nieuw terugkeerbesluit. Hiertegen heeft mr. A. Kurt-Gecoglu namens eiseres op 6 september 2025 aanvullende gronden gericht.
2.4.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [3]

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiseres komt uit Turkmenistan. Zij had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiseres is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier als zogeheten derdelander facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 [4] van 4 maart 2022 (Uitvoeringsbesluit). Ook heeft zij, om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag is op 21 augustus 2023 buiten behandeling gesteld. Hiertegen is geen beroep ingesteld.
3.1.
De minister heeft aanvankelijk bepaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 eindigt. Dit heeft de minister aan eiseres bij besluit van 22 augustus 2023 bekendgemaakt. Met dit besluit is aan eiseres ook een terugkeerbesluit opgelegd. De minister heeft dit besluit ingetrokken nadat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 17 januari 2024 had bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning van rechtswege niet op deze datum kon eindigen, maar van rechtswege zou eindigen op 4 maart 2024. In een brief van 24 januari 2024 heeft de minister eiseres gewezen op deze beëindiging van rechtswege op 4 maart 2024.
3.2.
De minister heeft op 7 februari 2024 opnieuw een terugkeerbesluit opgelegd en vastgesteld dat eiseres met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en de Europese Unie moet verlaten. Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.
3.3.
Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling hebben op 29 maart 2024 [5] en 25 april 2024 [6] prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie. Deze vragen zijn beantwoord in een arrest van 19 december 2024 (arrest Kaduna). [7] Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het Unierecht het een lidstaat toestaat om de verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. Ook heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het lidstaten niet is toegestaan een terugkeerbesluit te nemen voordat de tijdelijke bescherming is beëindigd.
De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 [8] uitgelegd hoe het arrest van het Hof van Justitie dient te worden toegepast en bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Bij brief van 3 juni 2025 heeft de minister meegedeeld dat hij besloten heeft om naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraken de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen. [9] Op 10 juli 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, naar aanleiding van het arrest van 19 december 2024 einduitspraak gedaan. [10]
3.4.
Bij besluit van 16 juli 2025 heeft de minister eiseres medegedeeld dat het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 is ingetrokken en is vervangen door een nieuw terugkeerbesluit.
Beroep tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024. De minister heeft het prematuur genomen terugkeerbesluit van 7 februari 2024, als gevolg van het arrest Kaduna en de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025, vervangen door het terugkeerbesluit van 16 juli 2025. Eiseres heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die meebrengen dat zij toch een belang heeft bij het tegen het besluit van 7 februari 2024 gerichte beroep. Daarom is het beroep in zoverre niet-ontvankelijk.
Is de tijdelijke bescherming van eiseres op 4 maart 2024 beëindigd?
5. In het besluit van 16 juli 2025 staat dat de minister het eerdere terugkeerbesluit van 7 februari 2024 intrekt en vervangt door het met dat besluit opgelegde terugkeerbesluit. De rechtbank zal dit besluit aanmerken als een besluit tot vervanging, als bedoeld in artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van het eerdere terugkeerbesluit. De rechtbank zal hierna de tegen dit besluit aangevoerde beroepsgronden bespreken.
6. Eiseres betoogt dat de zij, gelet op de bevriezingsmaatregel, tot 4 september 2025 nog tijdelijke bescherming had, zodat het terugkeerbesluit prematuur is. Eiseres verwijst hierbij naar het arrest Kaduna. Daarnaast betoogt eiseres dat uit overweging 6 van de preambule van de Terugkeerrichtlijn volgt dat bij het nemen (en handhaven) van een terugkeerbesluit rekening moet worden gehouden met het privéleven. Uit de Richtlijn volgt ook dat rekening gehouden dient te worden met alle relevante aspecten van het individuele geval. De minister had eiseres dan ook moeten horen voordat aan haar een terugkeerbesluit kon worden opgelegd. Ook staat het evenredigheidsbeginsel volgens eiseres in de weg aan de beëindiging van de tijdelijke bescherming.
6.1.
Het betoog dat het terugkeerbesluit prematuur is genomen, gelet op de bevriezingsmaatregel van de minister om de tijdelijke bescherming pas feitelijk vanaf
4 september 2025 te beëindigen, slaagt niet. In de uitspraken van 23 april 2025 heeft de Afdeling bevestigd dat de tijdelijke bescherming (van rechtswege) op 4 maart 2024 is geëindigd. Dat eiseres daarna nog gebruik heeft gemaakt van de rechten van de Richtlijn komt omdat de gevolgen van het stoppen van de tijdelijke bescherming zijn bevroren als gevolg van de gestelde prejudiciële vragen. Deze bevriezing houdt echter niet in dat de tijdelijke bescherming is verlengd, maar enkel dat een betrokkene nog feitelijk mag gebruikmaken van de rechten die hij onder de tijdelijke bescherming had. Dit is niet meer dan een (tijdelijke) opschorting. [11] De rechtbank verwijst ter vergelijking in dit verband naar het arrest Gnandi van 19 juni 2018. [12] Daaruit volgt dat het recht om een rechtsmiddel in een verblijfsrechtelijke procedure op het grondgebied af te wachten niet maakt dat de betrokkene niet ‘illegaal’ is in de zin van de Terugkeerrichtlijn.
6.2.
De rechtbank volgt eiseres verder niet in haar stelling dat zij gehoord had moeten worden voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit. De minister stelt terecht dat uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie [13] volgt dat het recht om te worden gehoord inhoudt dat eiseres vóór het uitvaardigen van een terugkeerbesluit in de gelegenheid wordt gesteld haar standpunt hierover kenbaar te maken. Eiseres heeft deze gelegenheid gehad door middel van een schriftelijke reactie op het voornemen. Nu zij bovendien niet heeft geconcretiseerd welke informatie de minister door het ontbreken van een mondeling gehoor niet in de besluitvorming heeft betrokken, bestaat geen grond voor het oordeel dat zij onvoldoende gelegenheid heeft gehad haar zienswijze naar voren te brengen. De rechtbank concludeert dat is voldaan aan artikel 4:8 en Pro 4:9 van de Awb.
6.3.
Dat het evenredigheidsbeginsel in de weg staat aan de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 volgt de rechtbank ook niet. De minister stelt terecht dat voor een individuele belangenafweging geen plaats is. Met het besluit om terug te komen op de toepassing van de facultatieve bepaling voor derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne bestaat geen grondslag meer voor de toekenning en de voortzetting van tijdelijke bescherming aan deze groep. De minister heeft daarom terecht gesteld dat de op een betrokkene toegespitste beoordeling niet verder gaat dan de beoordeling of terecht is vastgesteld dat de tot dan toe genoten tijdelijke bescherming was gebaseerd op het gegeven dat de derdelander beschikte over een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning en daarnaast niet op een andere grond aanspraak kan worden gemaakt op tijdelijke bescherming. De rechtbank verwijst ook naar de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 [14] en de uitspraak van deze zittingsplaats van 28 maart 2024. [15]
6.4.
Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 juli 2025 ongegrond.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 7 februari 2024, is niet-ontvankelijk. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 16 juli 2025, is ongegrond.
7.1.
De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 16 juli 2025 ongegrond;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 934,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2.Zaaknummer NL24.7384.
3.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
4.Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Pro Richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.
7.ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna).
9.TK 2024-2025, 19637, nr. 3434.
11.Zie ook ABRvS 31 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5214.
12.ECLI:EU:C:2018:465, punt 44 ev. Zie ook ABRvS 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530, onder 8 en 9.
13.Zie bijvoorbeeld de arresten Mukarubega (5 november 2014, ECLI:EU:C:2014:2336) en Boudjlida (11 december 2014, ECLI:EU:C:2014:2431).
14.Onder 10.3.