ECLI:NL:RBDHA:2026:1053

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
NL24.42500
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Hanssen - Telman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de Europese UnieArt. 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens zorgvuldigheidsgebrek

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Spanje verantwoordelijk zou zijn volgens de Dublinverordening.

De rechtbank heeft het beroep behandeld en aanvullende medische stukken laten overleggen. Het Bureau Medische Advisering (BMA) heeft een medisch advies uitgebracht, waarop de minister zijn besluit handhaafde. Eiser stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten onrechte werd toegepast en dat overdracht aan Spanje een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro inhoudt, mede vanwege zijn medische situatie en de omstandigheden in Spanje.

De rechtbank oordeelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel in beginsel geldt voor Spanje en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van structurele tekortkomingen die een uitzondering rechtvaardigen. Wel is geoordeeld dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met nieuwe medische informatie na het BMA-advies, waardoor twijfels over schending van artikel 4 Handvest Pro onvoldoende zijn weggenomen.

Daarom is sprake van een zorgvuldigheidsgebrek en wordt het bestreden besluit vernietigd. De minister moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. Eiser krijgt een proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt vernietigd wegens een zorgvuldigheidsgebrek.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.42500

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. P.A.J. Mulders),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigden: mr. A.A. Wildeboer en mr. P. Boelhouwer).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 30 oktober 2024 niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 28 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en mr. A.A. Wildeboer als gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen aanvullende medische gegevens in te dienen.
1.2.
Eiser heeft aanvullende medische stukken ingediend. De minister heeft bericht aanleiding te zien het BMA [1] om een medisch advies te vragen.
1.3.
Op 9 december 2024 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser toegewezen en beslist dat eiser niet mag worden overgedragen aan Spanje voordat op het beroep is beslist. [2]
1.4.
Op 27 maart 2025 heeft het BMA een medisch advies uitgebracht. Naar aanleiding van dit medisch advies heeft de minister op 30 april 2025 bericht dat hij zijn besluit om de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen, handhaaft.
1.5.
Op 14 juli 2025 heeft eiser een reactie en een aanvullend medisch stuk ingediend.
1.6.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voortgezet op 14 januari 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: eiser, mr. G.M. van der Woude - Bouius (als waarnemer van eisers gemachtigde) en mr. P. Boelhouwer (als gemachtigde van de minister).

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het besluit tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Dat betekent dat het besluit tot het niet in behandeling nemen van eisers aanvraag niet in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [3] In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft hierop niet tijdig gereageerd. Dat staat gelijk aan het aanvaarden van het verzoek. Verder is niet in geschil dat Spanje op
8 november 2024, na het besluit, het verzoek alsnog heeft geaccepteerd.
Mag de minister van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan?
5. Eiser stelt dat de minister ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Spanje en dat zijn overdracht aan Spanje leidt tot een reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM. [4] Eiser wijst op de informatie uit het AIDA-rapport (update 2023) over toegang tot de asielprocedure, de opvangvoorzieningen en de situatie voor LHBTI+ migranten in Spanje. Ook wijst eiser op de inbreukprocedure die de Europese Commissie is gestart tegen Spanje, omdat niet alle bepalingen uit de Opvangrichtlijn juist zijn omgezet in Spaanse wetgeving. Ten slotte wijst eiser op zijn medische situatie en de voorwaarden voor overdracht aan een andere lidstaat van de Europese Unie, die uit het arrest C.K. [5] volgen. Het bestreden besluit is volgens eiser niet in overeenstemming met deze voorwaarden. De minister kan niet volstaan met de vaststelling dat blijkens het advies van het BMA eiser naar Spanje kan reizen als wordt voldaan aan de reisvoorwaarden en hij in Spanje fysiek wordt overgedragen aan een psychiater. De minister moet volgens eiser ook kijken naar de periode voorafgaand aan de overdracht en de periode na de overdracht en iedere ernstige twijfel over de weerslag van de overdracht op eisers gezondheidstoestand wegnemen. Dit heeft de minister volgens eiser niet gedaan. Eiser verwijst in dit kader naar de informatie van de praktijkondersteuner huisarts geestelijke gezondheidszorg (POH-GGZ) van 14 juli 2025.
6. De rechtbank stelt voorop dat er in beginsel ten aanzien van Spanje van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Dit uitgangspunt heeft de Afdeling [6] meerdere keren bevestigd, waaronder recent op 25 november 2025. [7] Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat er in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser moet aannemelijk maken dat hij bij overdracht aan Spanje, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Spaanse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest van de Europese Unie. Eiser moet aannemelijk maken dat er structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem zijn, die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals neergelegd in het arrest Jawo. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd.
7. Met de verwijzing naar het AIDA-rapport heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van Spanje niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De Afdeling heeft dit AIDA-rapport betrokken in de uitspraak van 24 juni 2024 en geoordeeld dat de inhoud van dit rapport geen aanleiding geeft om, ten aanzien van Spanje, niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan. Dit omdat het rapport geen wezenlijk ander beeld van de situatie voor Dublinclaimanten in Spanje geeft dan landeninformatie die bij eerdere uitspraken van de Afdeling al is betrokken en waarin is geoordeeld dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. [8] De Afdeling heeft in de uitspraak van 25 november 2025 naar deze uitspraak van 24 juni 2024 verwezen.
8. Verder kan eisers verwijzing naar het starten van een inbreukprocedure door de Europese Commissie tegen Spanje niet leiden tot het oordeel dat ten aanzien van Spanje niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank verwijst in dit kader naar uitspraken van de Afdeling van 3 september 2025 en 12 januari 2026. [9] In deze uitspraken heeft de Afdeling uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaatsen Utrecht en Haarlem, bevestigd, waarin is geoordeeld dat het enkele starten van een inbreukprocedure door de Europese Commissie nog niet betekent dat Spanje structurele tekortkomingen heeft in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. [10] De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister voldaan aan de voorwaarden van het arrest C.K.?
9. Voor zover eiser heeft gesteld dat hij gelet op het arrest C.K. door zijn medische situatie niet kan worden overgedragen aan Spanje vanwege een onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheid en daarmee een reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest, overweegt de rechtbank als volgt.
9.1.
De minister hoeft bij het bestreden besluit, anders dan door eiser gesteld, geen rekening te houden met de gevolgen die het vooruitzicht van een overdracht aan Spanje op de psychische gesteldheid van eiser zou kunnen hebben. Het arrest C.K. is niet van toepassing op de aankondiging van de feitelijke uitzetting, die immers gebeurt als de vreemdeling nog in Nederland is en staat daarmee los van de uitzetting zelf. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2025. [11] Ook heeft de Afdeling in deze uitspraak van 18 juli 2025 overwogen dat de minister gerezen twijfel over een schending van artikel 4 van Pro het Handvest als gevolg van de overdracht zélf in beginsel kan wegnemen met het uitvoeren van de door het BMA in het medische advies vastgestelde reisvoorwaarden.
9.2.
De rechtbank stelt dat het BMA in opdracht van de minister eisers medische situatie heeft beoordeeld en in het medische advies de voor eiser noodzakelijke reisvoorwaarden heeft vastgesteld. Hiermee heeft de minister in beginsel voldaan aan zijn vergewisplicht als bedoeld in het arrest C.K. Dit neemt evenwel niet weg dat eiser na het BMA-advies van 27 maart 2025, een nieuwe brief van de POH-GGZ van 14 juli 2025 heeft overgelegd. Uit deze brief volgt onder meer dat eiser inmiddels is begonnen met traumatherapie en dat continuïteit van behandeling en behandelaar van zeer groot belang zijn, dat het nu stoppen met de behandeling zeer ontregelend is voor eiser en zelfs kan leiden tot her-traumatisering. De kans op suïcide wordt zeer groot geacht, waarbij bovendien is aangegeven dat hij daartoe concrete plannen heeft. De rechtbank is van oordeel dat gezien de voorgaande nieuwe informatie in het kader van het beroep op C.K. niet kon worden volstaan met een verwijzing naar het eerdere BMA-advies. Eiser heeft na het BMA-advies nieuwe gewijzigde medische informatie overgelegd. Het had daarom op de weg van de minister gelegen om deze informatie voor te leggen aan het BMA. Nu de minister dat heeft nagelaten zijn de twijfels over een mogelijke schending van artikel 4 van Pro het Handvest als gevolg van de overdracht onvoldoende weggenomen. Er is sprake van een zorgvuldigheidsgebrek. Het beroep is daarom gegrond.

Conclusie en gevolgen

10. Zoals volgt uit rechtsoverweging 9.2 is het beroep gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd, omdat er sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek. De minister moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.
10.1.
Eiser heeft recht op een vergoeding van zijn proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting van 28 november 2024, 0,5 punt voor het verschijnen op de nadere zitting van 14 januari 2026 en 0,5 punt voor de reactie van 14 juli 2025, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de minister een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.J.C. ten Hoopen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Bureau Medische Advisering.
2.NL24.42501
3.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
4.Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
5.Hof van Justitie, 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127.
6.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.