ECLI:NL:RBDHA:2025:24957

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
NL25.52660 en NL25.52661
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArtikel 17 DublinverordeningArtikel 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eiser, een Nigeriaanse asielzoeker, diende op 24 juli 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze niet in behandeling omdat Spanje verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening, aangezien eiser illegaal via Spanje de EU was binnengekomen. Eiser betoogde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Spanje niet toepasbaar was vanwege structurele tekortkomingen in de Spaanse asielprocedure, ondersteund door AIDA-rapporten en een lopende inbreukprocedure tegen Spanje.

De rechtbank oordeelde echter dat de tekortkomingen niet de hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel daarom terecht werd toegepast. Ook het argument dat eiser geen toegang had tot rechtsbijstand in Spanje werd verworpen, mede omdat het dossier geen bewijs bevatte dat hij daar geen asielaanvraag had ingediend en het AIDA-rapport toegang tot rechtsbijstand bevestigt.

Verder stelde eiser dat verweerder de bijzondere omstandigheden van zijn situatie niet had meegewogen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De rechtbank stelde dat deze omstandigheden onvoldoende waren onderbouwd met medische of andere documenten om onevenredige hardheid aan te nemen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wees het verzoek om een voorlopige voorziening af en veroordeelde verweerder tot betaling van proceskosten aan eiser. Er werd een motiveringsgebrek vastgesteld in het bestreden besluit, maar dit werd gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.52660 (beroep)
NL25.52661 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser),

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. D. van Elp)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.A. van Es).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. Eiser stelt de Nigeriaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1984. Hij heeft op 24 juli 2025 asiel aangevraagd in Nederland. Gebleken is dat eiser op 21 augustus 2024 illegaal via Spanje het grondgebied van de lidstaten is ingereisd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 28 oktober 2025 niet in behandeling genomen, omdat verweerder Spanje verantwoordelijk acht voor de behandeling van de aanvraag.
1.1.
Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 1 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waarover gaat deze uitspraak?
2. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of verweerder op goede gronden heeft besloten eisers asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. [1] Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling, als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek aanvaard.
Mocht verweerder ten aanzien van Spanje uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
4. Eiser voert aan dat verweerder niet mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Spanje. Uit het meest recente AIDA-rapport over Spanje (update 2024) blijkt immers dat asielzoekers nog steeds problemen ondervinden bij het verkrijgen van afspraken om hun asielaanvragen te registeren. Ook blijkt uit dit rapport dat asielzoekers zich niet vrij kunnen bewegen in Spanje en dat klagen hierover geen zin heeft. Deze problemen stonden ook al vermeld in het eerdere AIDA-rapport. Het feit dat de problemen in de asielprocedure in Spanje onveranderd zijn, maakt volgens eiser dat sprake is van een structureel probleem.
Daarnaast voert eiser aan dat de Europese Commissie een inbreukprocedure is gestart tegen Spanje. Ook om deze reden kan verweerder niet meer uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Spanje. Eiser beroept zich hierbij op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 18 juli 2025. [3]
Ter zitting heeft eiser met een verwijzing naar zijn zienswijze aangevoerd dat hij zijn advocaat in Spanje niet tot nauwelijks zag. Hij had dus geen toegang tot rechtsbijstand in Spanje. Ook daarom kon verweerder niet uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Spanje.
4.1.
De rechtbank volgt eiser niet. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. De Afdeling [4] heeft in haar uitspraak van 25 november 2025 [5] overwogen dat op basis van het AIDA-rapport over Spanje (update 2024) niet geconcludeerd kan worden dat de tekortkomingen in de Spaanse asielprocedure de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals omschreven in het arrest Jawo. [6] Volgens de Afdeling geeft het rapport geen wezenlijk ander beeld van de situatie van de opvangvoorzieningen in Spanje voor Dublinasielzoekers. Daarom mag verweerder ten aanzien van Spanje nog steeds uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
4.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat de gestarte inbreukprocedure tegen Spanje niet afdoet aan de conclusie dat ten aanzien van Spanje uitgegaan mag worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 6 maart 2023 [7] en 14 maart 2024 [8] en in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 18 juni 2025 [9] heeft de rechtbank overwogen dat het enkele feit dat er een inbreukprocedure is gestart, onvoldoende is om te concluderen dat er in Spanje sprake is van structurele, fundamentele gebreken in de asielprocedure. Hierbij sluit deze zittingsplaats zich aan. De uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, waar eiser zich op beroept, heeft de Afdeling bovendien vernietigd. [10]
4.3.
Ten aanzien van eisers stelling dat hij zijn advocaat in Spanje nauwelijks zag, heeft verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiser in Spanje een asielaanvraag heeft ingediend. Daarom had eiser nog geen recht op rechtsbijstand in Spanje. De rechtbank overweegt dat eiser zowel tijdens het aanmeldgehoor Dublin als in de zienswijze, als tijdens de zitting heeft verklaard dat hij een asielaanvraag heeft ingediend in Spanje en dat deze aanvraag is afgewezen. Het dossier bevat geen EURODAC-informatie waaruit het tegendeel blijkt. Verweerder is hier onvoldoende op ingegaan. Het bestreden besluit bevat daarom een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zoals immers volgt uit het bovenstaande, mag verweerder ten aanzien van Spanje uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarnaast blijkt uit pagina 64 van het AIDA-rapport dat er in het algemeen toegang is tot rechtsbijstand in Spanje. Eisers stelling dat hij geen toegang had tot rechtsbijstand komt dus niet overeen met hetgeen neergelegd in het AIDA-rapport. Verweerder mag er dus vanuit gaan dat eiser in Spanje toegang heeft tot rechtsbijstand. Eiser is daarom door dit motiveringsgebrek niet in zijn belangen geschaad.
4.4.
De beroepsgrond slaagt niet.
Had verweerder eisers asielaanvraag vanwege eisers bijzondere, individuele omstandigheden naar zich toe moeten trekken?
5. Eiser voert aan dat verweerder eisers asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich had moeten trekken. Eiser heeft immers verklaard dat hij in Spanje getracht heeft beroep in te stellen tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Toen hij echter de opvang moest verlaten, kon hij geen advocaat meer krijgen om beroep in te stellen. Een overdracht aan Spanje getuigt daarom van onevenredige hardheid. Eiser voert daarbij aan dat verweerder eisers bijzondere, individuele omstandigheden niet enkel mocht betrekken bij het interstatelijk vertrouwensbeginsel, maar dat verweerder deze omstandigheden ook had moeten beoordelen in het licht van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
5.1.
De rechtbank volgt eiser niet. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat tekortkomingen in de asielprocedure en de ervaringen van eiser in Spanje in beginsel thuishoren bij de beoordeling of kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [11] Eisers stelling dat hij het zwaar had in Spanje doet daarom niet af aan de conclusie dat verweerder ten aanzien van Spanje mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder moet in het kader van artikel 17 van Pro de Dublinverordening wel oordelen over de gevolgen van eisers ervaringen in Spanje. [12] In dit kader heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat de omstandigheden die eiser heeft aangevoerd onvoldoende zijn om te oordelen dat sprake is van onevenredige hardheid bij een overdracht aan Spanje. Eiser heeft niet met (medische) documenten onderbouwd dat sprake is van (ernstige) psychische gevolgen van zijn ervaringen in Spanje. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser kan worden overgedragen aan Spanje.
6.1.
Nu de rechtbank uitspraak doet over eisers beroep en dit ongegrond verklaart, is er geen grond meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe dan ook af.
6.2.
Nu sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit dat is gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb, bestaat er aanleiding voor een proceskostenvergoeding. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.721,- omdat eisers gemachtigde een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Clemens, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor wat betreft het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
4.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.