Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10402

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
689723
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.Th. van Walderveen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 194 RvArt. 195 RvArt. 196 RvArt. 22a lid 3 RvArt. 28 lid 1 sub a en b Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing inzage beslagmateriaal ter vaststelling octrooi-inbreuk op werkwijze en eindproduct

De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van [verzoekster] B.V. om inzage te verkrijgen in beslaggenomen materiaal van [verweersters sub 1] Loon- en Verwerkingsbedrijf B.V. en [verweersters sub 2] B.V. ter vaststelling van inbreuk op Europees octrooi EP 4 223 141 B1, dat ziet op een werkwijze voor de productie van een calciumcarbonaat feedadditief.

[Verzoekster] stelde dat er een redelijk vermoeden van inbreuk bestaat op de conclusies van het octrooi, onder meer door analyse van monsters en productinformatie. [Verweersters sub 1] voerde verweer dat het octrooi nietig is en dat de gebruikte maalmachine andere slijtdelen bevat dan geoctrooieerd, en betwistte de inbreuk.

De rechtbank oordeelde dat het redelijk vermoeden van inbreuk voldoende aannemelijk is voor het toestaan van inzage in technisch bewijs, maar beperkte de inzage tot bescheiden vanaf de verleningsdatum van het octrooi en tot technisch relevante documenten. Onafhankelijke deskundigen werden aangewezen om een selectie te maken van relevante documenten en monsters.

Er werd een vertrouwelijkheidsregime opgelegd, waarbij inzage beperkt is tot advocaten, octrooigemachtigden, deskundigen en een aangewezen niet-commerciële medewerker van [verzoekster]. Tevens werd een dwangsom opgelegd voor niet-naleving van de inzageverplichtingen. Het verzoek tot opheffing van het beslag werd ingetrokken en overige verzoeken afgewezen.

Uitkomst: Verzoek tot inzage beslagmateriaal ter vaststelling octrooi-inbreuk toegewezen onder voorwaarden en vertrouwelijkheidsregime.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer / rekestnummer: C/09/689723 / HA RK 25-408
Beschikking van 24 maart 2026 (geanonimiseerd uittreksel ex art. 29 leden Pro 2 en 4 Rv)
in de zaak van
[verzoekster] B.V.te [vestigingsplaats 1] ,
verzoekende partij,
advocaat: mr. M.W. Rijsdijk,
tegen

1.[verweersters sub 1] LOON- EN VERWERKINGSBEDRIJF B.V.

2.
[verweersters sub 2] B.V.,
beiden te [vestigingsplaats 2] ,
verwerende partijen,
advocaat: mr. A.D. de Leeuw.
Partijen zullen hierna [verzoekster] en [verweersters sub 1] worden genoemd. De zaak is voor [verzoekster] inhoudelijk behandeld door mr. Rijsdijk voornoemd en mr. D.E. Colenbrander, bijgestaan door [naam 1] M.sc., octrooigemachtigde. Voor [verweersters sub 1] zijn opgetreden mr. de Leeuw voornoemd en mr. C.M.E. Tiems, met bijstand van ir. [naam 2], octrooigemachtigde.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift van 31 juli 2025 van [verzoekster] met bijlagen 1 t/m 10;
  • het verweerschrift met tegenverzoeken van 18 november 2025 van [verweersters sub 1] met bijlagen 1 t/m 35;
  • de akte houdende overlegging proceskostenspecificatie van 8 december 2025 van [verweersters sub 1] met bijlage 36 die optelt tot € 136.605,57 exclusief griffierecht en b.t.w.;
  • de door [verzoekster] op 10 december 2025 als bijlage 11 ingediende kostenspecificatie die optelt tot € 65.564,36 inclusief griffierecht en exclusief b.t.w.;
  • de door beide partijen overgelegde spreekaantekeningen
1.2.
Op 16 december 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. [verweersters sub 1] heeft de rechtbank de behandeling achter gesloten deuren verzocht ten aanzien van de bijlagen GP14 en GP15. Tevens heeft zij verzocht [verzoekster] een mededelingenverbod m.b.t. deze bijlagen op te leggen (ex artikel 28 Rv Pro) en de informatie daaruit niet op te nemen in de te geven beschikking (ex artikel 29 Rv Pro). Op de zitting heeft de rechtbank de behandeling achter gesloten deuren feitelijk niet noodzakelijk geacht nu [verweersters sub 1] heeft aangegeven dat de inhoud van de bijlagen niet bekend mag worden bij derden en op de zitting alleen (vertegenwoordigers van) partijen aanwezig waren die aan geheimhouding gebonden waren.
1.3.
Partijen zijn op de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld om in onderling overleg een onafhankelijke deskundige aan te wijzen die een eventueel toe te wijzen inzage aan de hand van door de rechtbank op te leggen beperkingen zou kunnen begeleiden. Bij e-mail van 16 februari 2026 heeft (de advocaat van) [verzoekster] mede namens (de advocaten van) [verweersters sub 1] medegedeeld dat mr. ir. L.J.J. Jessen en ir. M.C. Molling bereid zijn gevonden als deskundigen op te treden. Bij e-mail van 11 maart 2026 hebben partijen medegedeeld dat de kosten van de deskundige in eerste instantie zullen worden gedragen door [verzoekster] .

2.De feiten

2.1.
[verzoekster] B.V. houdt zich bezig met creëren van toepassingen van calcium variërend van eindproducten tot halffabricaten.
2.2.
[verzoekster] is houdster van Europees octrooi EP 4 223 141 B1 (hierna: EP 141 of het octrooi) voor een
‘method for production of eco-friendly and ultrapure calciumcarbonate as a feed additive’.EP 141 is verleend op 7 augustus 2024 op een aanvrage daartoe van 3 februari 2023.
2.3.
De conclusies van het octrooi luiden in de oorspronkelijke, Engelse, taal als volgt:
1. A method for producing a mineral feed additive comprising > 60 wt.% calcium carbonate, in particular comprising calcite, in particular an animal mineral feed additive, more in particular for calves, comprising:
- providing pellets resulting from drinking water softening, said pellets being a side product of production of drinking water in a pellet reactor of a water softening installation, the pellets having a grafting core having at least 35 wt.% calcium, in particular at least 90 wt.% calcium carbonate, the pellets having a pellet size of 0.1 to 5 mm measured using sieve analysis, and an iron content below 100 ppm, in particular below 50 ppm, more in particular 5 ppm;
- drying the pellets to a moisture content of below 10 wt.%, in particular below 2 wt.%
- grinding the pellets in a mill with an air classification system using a grinding disc therewith obtaining grinded pellets, wherein a disk grinder is used having ceramic and/or hardox steel wear protection, and
- separating the particles from the grinded pellets through a classifying wheel using an airflow, resulting in a particle size distribution with D99 of less than 100 micron measured using a sieve measurement and D99 of less than 100 micron measured using laser diffraction, a calcium content of between 35% and 40% by weight, and an iron content of less than 50 ppm, in particular less than 10 ppm.
2. The method of claim 1, wherein the mill rotational velocity on production scale is 1500-2000 rpm, preferably 1600-1800 rpm.
3. The method of claim 1 or 2, wherein the classified wheel rotational velocity is 200-800 rpm, preferably 400-600 rpm.
4. The method of any one of the preceding claims, wherein the feed additive comprises more than 90% by weight calcium carbonate, in particular more than 97% by weight.
5. The method of any one of the preceding claims, wherein the pellets comprise more than 95% by weight calcium carbonate, in particular more than 97% by weight, more in particular more than 99% by weight.
6. The method of any one of the preceding claims, wherein the pellets are sieved before grinding to a sieve diameter smaller than 3 mm.
7. A mineral feed additive produced using the method of any one of the preceding method claims.
8. A mineral feed additive according to claim 7, comprising per 100 gram more than 97% by weight calcium carbonate, an iron content below 10 ppm, and a particle size distribution D99 below 100 micron.
9. Use of the mineral feed additive produced using the method of any one of the preceding method claims in animal feed, in particular in calve feed, in particular in a dosage of 1-10 gr/kg in the feed.
2.4.
[verweersters sub 1] loon- en verwerkingsbedrijf B.V. en [verweersters sub 2] B.V. zijn onderdeel van de [verweersters sub 1] -Group. [verweersters sub 1] legt zich toe op het verwerken en ompakken van producten voor de voedsel-en diervoederindustrie. Daarnaast houdt [verweersters sub 1] zich bezig met het vermalen van producten tot poeders, in het bijzonder verschillende grondstoffen van plantaardige, dierlijke en minerale oorsprong, die vervolgens gebruikt kunnen worden om feed- en foodproducten mee te verrijken. Zij zijn in 1994 begonnen met het vermalen van casaïnekorrels, anno 2026 vermalen zij ook de korrels van andere producten, waaronder dus kalk.
2.5.
In 2017 zijn [verweersters sub 1] en [verzoekster] een samenwerking aangegaan met AquaMinerals. AquaMinerals is opgericht door de Nederlandse waterleidingbedrijven met het doel bestemmingen te vinden voor de afvalstromen die vrijkomen bij het zuiveren van drinkwater, zoals kalkkorrels. De samenwerking komt erop neer dat AquaMinerals aan [verzoekster] op afroep kalkkorrels gaat leveren die [verzoekster] na vermaling zal verkopen aan afnemers in de veevoederindustrie. [verweersters sub 1] zorgt voor de ontwikkeling van de techniek om te drogen en te malen en voor de loonvermaling zelf. De samenwerking wordt in 2019 aangekondigd middels een persbericht op de website van AquaMinerals.
2.6.
De samenwerking tussen AquaMinerals en [verweersters sub 1] en [verzoekster] verloopt moeizaam en komt tot een eind als AquaMinerals de relatie met [verzoekster] tegen 1 januari 2021 opzegt. Dat is voor [verzoekster] aanleiding een kortgedingprocedure te starten, omdat zij volgens [verzoekster] overeen waren gekomen dat AquaMinerals tot en met 31 januari 2022 op afroep kalkkorrels aan haar zou leveren. De voorzieningenrechter wijst de voorzieningen toe, maar dit vonnis wordt in hoger beroep vernietigd. Het hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat AquaMinerals de samenwerking mocht beëindigen [1] .
2.7.
[verweersters sub 1] en [verzoekster] gaan samen verder met het omzetten van kalk uit waterzuiveringsinstallaties. Op 17 december 2021 wordt een “Totaalpakket”
aan overeenkomsten getekend, waaronder een vaststellingsovereenkomst, een loonverwerkingsovereenkomst en een geheimhoudingsovereenkomst.
2.8.
De samenwerking tussen [verzoekster] en [verweersters sub 1] is volgens [verweersters sub 1] op 31 december 2024 van rechtswege geëindigd. Op 11 juni 2025 is [verzoekster] bij de rechtbank Oost-Brabant een kortgedingprocedure gestart tegen [verweersters sub 1] . [verzoekster] vordert een totaalverbod voor [verweersters sub 1] om gemalen kalkkorrels voor de diervoederindustrie te vermalen en te verkopen. Met het vermalen en verkopen van de kalkkorrels aan derden schond [verweersters sub 1] volgens [verzoekster] een relatiebeding. De voorzieningenrechter heeft de vordering van [verzoekster] afgewezen, omdat deze ongeschikt was om in kort geding te beslissen. De voorzieningenrechter overwoog daartoe dat sprake was van een feitelijk onduidelijke situatie en opheldering in die kortgedingprocedure niet kon worden verkregen [2] .
2.9.
Op een daartoe strekkend verzoek van [verzoekster] van 3 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank op 10 juli 2025 verlof verleend voor het doen leggen van een conservatoir bewijsbeslag onder [verweersters sub 1] op – kort gezegd – bewijs dat [verweersters sub 1] inbreuk maakt op het octrooi EP 141. Ook werd een gedetailleerde beschrijving toegestaan. De voorzieningenrechter verleende tevens verlof om één ingangsmonster en één uitgangsmonster te nemen van de producten met de naam Superical en Qualitycal. Bij het verzoek was een grijsmaking betrokken van de zijde van [verweersters sub 1] van 15 november 2024.
2.10.
Op 17 juli 2025 is het conservatoir bewijsbeslag gelegd. De deurwaarder heeft
‘diverse digitale bestanden welke op de beslaglocatie inhoudelijk op hun relevantie
zijn geselecteerd conform het beslagverlof’ in beslag genomen. Er heeft toen ook een monsterneming plaatsgevonden van het relevante ingangsmateriaal en het eindproduct afkomstig uit Batch no. 2025 0623. Tevens is een gedetailleerde beschrijving gemaakt. Op locatie zijn door de deskundigen visuele waarnemingen gedaan, foto’s en schermafdrukken gemaakt van de fijnmaler en de daaraan gelieerde productielijn.

3.Het verzoek en het verweer

Verzoek
3.1.
[verzoekster] verzoekt – zakelijk weergegeven - dat de rechtbank bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
[verzoekster] toestemming verleent inzage te nemen in en kopieën te verkrijgen van het beslagen materiaal dat op door de deurwaarder en/of de onafhankelijke lCT-deskundigen in bewaring wordt gehouden;
[verzoekster] toestemming verleent overlegging of afgifte te verkrijgen van de monsters die door de deurwaarder in bewaring wordt gehouden;
[verzoekster] inzage verleent in de selectie van het bewijsmateriaal zoals beschreven in het verzoekschrift, althans voor zover de Rechtbank dat gerechtvaardigd acht;
[verweersters sub 1] veroordeelt tot het betalen van een dwangsom van € 25.000 voor elke dag waarop [verweersters sub 1] niet volledig de vereiste medewerking verleent;
[verweersters sub 1] beveelt tot vergoeding van de kosten van deze procedure op grond van 1019h Rv.
3.2.
Aan het verzoek heeft [verzoekster] het volgende ten grondslag gelegd. [verzoekster] heeft, op basis van de tot haar ter beschikking staande bewijsmiddelen een inbreukanalyse laten opstellen waaruit volgt dat er een vermoeden bestaat dat [verweersters sub 1] inbreuk maakt op de conclusies 1, 4, 5, 7, 8 en 9 van (het Nederlandse deel van) EP 141, door zonder toestemming gebruik te maken van de geoctrooieerde werkwijze en verhandeling van de daarmee verkregen producten. Voor vaststelling van de inbreuk op conclusie 1 van het octrooi, met name om te achterhalen of [verweersters sub 1] een aantal productiestappen ook toepast, zijn de volgende bewijshandelingen noodzakelijk:
  • monsterneming van het ingangsmonster van [verweersters sub 1] en/of [verweersters sub 2] en analyse daarvan;
  • gedetailleerde beschrijving van het maalproces door [verweersters sub 1] en van het machinepark;
  • monsterneming van het uitgangsmonster, zoals geproduceerd en verkocht door [verweersters sub 1] en/of [verweersters sub 2] en analyse daarvan.
[verzoekster] heeft op grond van artt. 194-196 Rv belang bij toewijzing van inzage in de beslaggenomen gegevens ter vaststelling van de inbreuk op haar octrooi en bij de bepaling van de omvang van die inbreuk.
3.3.
[verweersters sub 1] verzet zich primair tegen toewijzing van het verzoek.
Subsidiair, voor zover wel inzage wordt verleend, verzoekt [verweersters sub 1] :
de inzage te beperken tot technisch bewijs van inbreuk van na de verleningsdatum van EP 141, te weten 7 augustus 2024, nader te selecteren door een onafhankelijke deskundige; of anders
de inzage te beperken tot bescheiden van na 7 augustus 2024, nader te selecteren door een onafhankelijke deskundige; of anders
de inzage te beperken tot bescheiden die aan een nadere selectie door een onafhankelijke deskundige zijn onderworpen; en
ten aanzien van de gedetailleerde beschrijving de volgende waarborgen toe te passen:
a) kennisneming van de volledige gedetailleerde beschrijving door de rechtbank, met een toelichting van [verweersters sub 1] welke onderdelen als bedrijfsgeheim moeten worden aangemerkt en waarom deze niet relevant zijn voor de beoordeling van de gestelde octrooi-inbreuk en het vervolgens redigeren van die vertrouwelijke informatie alvorens de stukken onder een passend vertrouwelijkheidsregime te verstrekken aan de advocaten van [verzoekster] alsmede maximaal één aangewezen werknemer van [verzoekster] ; dan wel
b) de hele gedetailleerde beschrijving als bedrijfsgeheim aan te merken en kennisneming van de volledige gedetailleerde beschrijving onder een passend vertrouwelijkheidsregime te beperken tot de advocaten van [verzoekster] alsmede één natuurlijke persoon van [verzoekster] ; en
5. uitsluitend inzage onder 2, 3, 4 en/of 5 te verlenen onder de voorwaarde dat het gebruik van deze bescheiden is beperkt tot het dienen als bewijs in een Nederlandse inbreukprocedure op basis van het octrooi, met verbeuring van een dwangsom van € 25.000 voor iedere overtreding daarvan en iedere dag dat deze overtreding voortduurt.
3.5.
[verweersters sub 1] voert daartoe het volgende aan. Er is niet voldaan aan de vereisten voor inzage die volgen uit artikel 194 Rv Pro. Er is geen sprake van een
rechtsbetrekkingomdat het redelijk vermoeden van dreigende inbreuk ontbreekt. De werkwijze die [verweersters sub 1] toepast voor het vermalen van kalkkorrels valt niet onder de beschermingsomvang van de ingeroepen conclusies. Ook overigens wordt geen inbreuk gemaakt omdat het octrooi nietig is. De bescheiden zijn onvoldoende althans te ruim
bepaalden een
rechtmatig belangontbreekt nu [verweersters sub 1] [verzoekster] middels de vertrouwelijke bijlagen GP14 en GP15 inzage heeft gegeven in een factuur waaruit ondubbelzinnig blijkt dat [verweersters sub 1] geen inbreuk maakt op het octrooi. Dit volgt ook uit de als bijlage GP29 overgelegde analyse van een met het in beslag genomen vergelijkbaar monster. Daarbij zijn er
gewichtige redenendie zich tegen inzage verzetten. Het beslagen materiaal bevat ook bedrijfsgeheime informatie die een brede en diepe inkijk in de bedrijfsvoering geeft.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Bevoegdheid
4.1.
De rechtbank Den Haag is op grond van artikel 80 lid 2 sub c van Pro de ROW [3] uitsluitend bevoegd van dit verzoekschrift kennis te nemen, nu het verzoek verband houdt met de handhaving van een octrooi en [verweersters sub 1] in Nederland is gevestigd.
Inzageverzoek maatstaf
4.2.
Aan de toewijsbaarheid van een op artikel 194 -196 Rv jo. artikel 1019a Rv gebaseerd inzageverzoek zijn drie cumulatieve voorwaarden verbonden: 1) de verzoeker moet voldoende belang hebben bij inzage, uittreksel of afschrift, 2) het moet gaan om bepaalde gegevens en 3) het verzoek moet bescheiden betreffen aangaande een rechtsbetrekking waarin de verzoeker partij is. Ten aanzien van deze laatste eis is van belang dat artikel 1019a lid 1 Rv bepaalt dat een verbintenis uit onrechtmatige daad wegens inbreuk op een recht van intellectuele eigendom geldt als een rechtsbetrekking. Daaraan is niet reeds voldaan indien (dreigende) inbreuk op een recht van intellectuele eigendom onderbouwd is gesteld. Het vereiste van het bestaan van een rechtsbetrekking brengt mee dat degene die inzage, afgifte of uittreksel van bewijsmateriaal verlangt zodanige feiten en omstandigheden dient te stellen en die met reeds voorhanden bewijsmateriaal dient te onderbouwen, dat voldoende aannemelijk is dat inbreuk op een recht van intellectuele eigendom is of dreigt te worden gemaakt. De vraag wat in het kader van een vordering uit hoofde van artikel 1019a Rv als een ‘voldoende’ mate van aannemelijkheid kan worden beschouwd, kan niet in algemene zin worden beantwoord. Daarbij komt het immers aan op een waardering van de stellingen en verweren van partijen en de overtuigingskracht van het eventueel reeds overgelegde bewijsmateriaal. Wel is uitgangspunt dat niet behoeft te zijn voldaan aan de mate van aannemelijkheid die is vereist voor toewijzing in kort geding van een op een (dreigende) inbreuk gebaseerde vordering. Uit de stellingen en (zo mogelijk met bewijsmateriaal gestaafde) feiten en omstandigheden moet een redelijk vermoeden van een (dreigende) inbreuk kunnen worden afgeleid. [4]
Het octrooi
4.3.
EP 141 ziet op een werkwijze waardoor een voederadditief verkregen wordt door vermaling van calciumpellets die vrijkomen bij het ontharden van het drinkwater. Ook het voederadditief, het door toepassing van de werkwijze verkregen eindproduct, valt binnen het octrooi. Een bijkomend doel van het octrooi betreft het reduceren van het ijzergehalte in
het eindproduct onder 50 ppm, bij voorkeur tot onder 10 ppm. Om dit te bereiken
dient volgens het octrooi gebruik gemaakt te worden van een maalmachine met
slijtagebescherming (‘wear protection’), zodat ijzer uit de machine zo min mogelijk
in het gemalen kalk terechtkomt. Als materiaal voor deze onderdelen noemt EP 141
in paragraaf [0030] van de beschrijving keramische en/of hardox stalen onderdelen. Dit is ook in conclusie 1 van het octrooi zoals verleend opgenomen. Door het gebruik van ijzerarme kalkkorrels en een speciale maalmolen is het ijzergehalte in het veevoederadditief laag en dat heeft een positief effect op de kleur en smaak van, in het bijzonder, kalfsvlees.
4.4.
De geoctrooieerde werkwijze ziet op het verschaffen van pellets afkomstig van drinkwaterontharding waarbij de pellets een calciumcarbonaat hebben van ten minste 35 gew. % in het bijzonder tenminste 90 gew.% calciumcarbonaat, een grootte hebben van 0.1 tot 5 mm en een ijzergehalte dat lager is dan 100 ppm, in het bijzonder lager dan 50 ppm en meer in het bijzonder 5 ppm. Deze pellets worden in de geoctrooieerde werkwijze gedroogd tot een vochtgehalte van minder dan 10 gew.%, in het bijzonder minder dan 2 gew.%. De gedroogde pellets worden vervolgens gemalen in een molen met een luchtclassificatie-systeem met behulp van een maalschijf, waarbij een schijfmaalmachine wordt gebruikt met keramische en/of hardoxstalen slijtagebescherming. Vervolgens worden de deeltjes uit de gemalen pellets gescheiden door een classificeringswiel met behulp van een luchtstroom waardoor de deeltjesgrootteverdeling van het eindproduct met D99 van minder dan 100 micron gemeten met behulp van een zeefmeting en D99 van minder dan 100 micron gemeten met behulp van laserdiffractie is en het eindproduct een calciumgehalte heeft van tussen 35% en 40% op gewichtsbasis en een ijzergehalte heeft van minder dan 50 ppm, in het bijzonder minder dan 10 ppm.
Redelijk vermoeden van inbreuk
4.5.
In de onderhavige zaak zal de door [verzoekster] verzochte exhibitie tot verkrijging van bewijs zoals hierna zal blijken worden beperkt tot bewijs van ‘technische inbreuk’, dat wil zeggen bewijs van het feit dat de producten van [verweersters sub 1] en de daarbij gebruikte werkwijze onder de beschermingsomvang van de ingeroepen conclusies van EP 141 zouden vallen. Voor dergelijk bewijs is de drempel voor aannemelijkheid van de inbreuk relatief laag.
4.6.
Het gestelde redelijk vermoeden van inbreuk onderbouwt [verzoekster] aan de hand van een inbreukanalyserapport van haar octrooigemachtigde. Daarin is een monster van het eindproduct van [verweersters sub 1] geanalyseerd dat [verzoekster] via een medewerker van haar van [verweersters sub 1] heeft weten te bemachtigden. Uit de in het rapport opgenomen claim chart volgt dat het geanalyseerde monster 97.7 wt.% calciumcarbonaat bevat, wat ruim meer is dan het in conclusie 1 geclaimde 60 wt.%. In de eigen brochure van [verweersters sub 1] over haar product Superical wordt aangegeven dat het >98% calcium carbonaat bevat. Het monster van het eindproduct met een waarde van 32 ppm voldoet voorts aan de eis dat het minder dan 50 ppm ijzer bevat. Om te kunnen beoordelen of het proces van het malen van de kalkpellets van [verweersters sub 1] voldoet aan het kenmerken dat de
‘disk grinder is used having ceramic and/or hardox steel wear protection’(de maalschijf wordt gebruikt met keramische en/of hardoxstalen slijtagebescherming) wenst [verzoekster] inzage in het beslagen en bewijs en de opgemaakte gedetailleerde beschrijving van de werkwijze van [verweersters sub 1] omdat zij daarmee niet bekend is. Voor het aannemen van inbreuk op conclusie 1 en de onderconclusies 4 en 5 moet ook het beslagen ingangsmonster van [verweersters sub 1] onderzocht worden. Voorts wenst [verzoekster] ook het beslagen uitgangsmonster te analyseren.
4.7.
[verweersters sub 1] brengt hier (naast het verweer dat het octrooi nietig is en alleen al daarom geen inbreuk wordt gemaakt) tegen in dat in haar maalmachine slijtstukken worden gebruikt van een ander materiaal dan hardox of keramiek. De slijtstukken die [verweersters sub 1] gebruikt, zijn [VERTROUWELIJK]. Ten aanzien van het door [verzoekster] onderzochte monster voert [verweersters sub 1] aan dat dit uit een batch van [verweersters sub 1] komt van januari 2023 (van voor de verleningsdatum van het octrooi) en niet representatief is voor het eindproduct dat [verweersters sub 1] leverde ten tijde van het beslag in juli 2025. [verweersters sub 1] heeft uit dezelfde batch als waarvan het beslagen monster is genomen ook een monster genomen en dit laten onderzoeken, en waaruit juist niet volgt dat het leest op de in conclusie 1 van EP 141 geclaimde parameters.
4.8.
De rechtbank is van oordeel dat uit de stellingen en het met het inbreukanalyse-rapport gestaafde feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden van een (dreigende) inbreuk kunnen worden afgeleid. Dit een en ander zou voor een verbod in kort geding weliswaar onvoldoende zijn, maar nu – als gezegd – de drempel voor inzage in technisch bewijs van de inbreuk juist ter nadere onderbouwing van vorderingen op de grondslag van octrooiinbreuk relatief laag ligt, zal de rechtbank de inzage onder de hierna te noemen voorwaarden toestaan. Daarbij speelt mee dat, [VERTROUWELIJK], de mogelijkheid van inbreuk door equivalentie, zoals door [verzoekster] gesteld maar door [verweersters sub 1] onvoldoende gemotiveerd bestreden. Dat het geanalyseerde monster uit een batch van 2023 komt en volgens [verweersters sub 1] niet representatief zou zijn voor het heden ten dage geproduceerde eindproduct van [verweersters sub 1] , legt onvoldoende gewicht in de schaal, te meer nu onvoldoende weersproken is dat de eigen analyse van [verweersters sub 1] met een monster uit dezelfde batch als waarin het beslagen monster is genomen, volgens [verzoekster] niet op dezelfde wijze is geanalyseerd als het monster uit 2023.
4.9.
Bij het aannemen van een redelijk vermoeden van inbreuk gaat de rechtbank in deze inzageprocedure voorbij aan het gevoerde geldigheidsverweer. EP 141 is een vooronderzocht octrooi, er is door [verweersters sub 1] geen oppositie tegen ingesteld en er is evenmin een nietigheidsprocedure geëntameerd. Wat de inventiviteitsaanval betreft heeft [verweersters sub 1] zich ook niet bediend van een fatsoenlijke
problem-solution approach,terwijl de geldigheid van het octrooi tijdens de mondelinge behandeling nauwelijks onderwerp van serieus debat geweest. Daarbij helpt het niet dat het verweerschrift relatief laat is ingediend terwijl verzoeker op dat verweer voor de mondelinge behandeling niet meer schriftelijk heeft gereageerd. Gezien het voorgaande zal de rechtbank er binnen het bestek van de beoordeling van het inzageverzoek vooralsnog vanuit gaan dat het octrooi geldig is.
Voldoende belang bij inzage
4.10.
De verzoeker heeft een voldoende belang bij de inzage, als de bescheiden relevant zijn voor het bewijs van die rechtsbetrekking.
4.11.
Gelet op de voorgaande rechtsoverwegingen over het redelijk vermoeden van inbreuk, is het voldoende belang in dit geval gegeven.
Bepaaldheid
4.12.
de rechtbank zal het verzoek tot inzage derhalve toewijzen. Nu [verweersters sub 1] ter zitting geen bezwaar meer heeft gemaakt tegen afgifte van de twee
beslagen monsters, zal die afgifte zonder meer worden toegestaan. De deskundige wordt geïnstrueerd de monsters te (doen) laten analyseren door een daartoe gekwalificeerd laboratorium en daarvan verslag te (laten) doen, waarbij hij dit verslag en de resultaten van het laboratorium tegelijk aan verzoeker en verweerder doet toekomen.
4.13.
Ten aanzien van de verzochte inzage in de
beslagen bescheiden(volgens [verweersters sub 1] ongeveer 2000 documenten) is de rechtbank het met [verweersters sub 1] eens dat deze bescheiden aan de hand van de door [verzoekster] voorgestelde zoekwoorden te ruim zijn bepaald. Meerdere van de door [verzoekster] opgegeven zoekwoorden hebben geen enkele relatie met het octrooi of de geoctrooieerde werkwijze en vallen buiten de reikwijdte van de beweerde inbreuk. [verweersters sub 1] heeft in de lijst die door [verzoekster] is overgelegd de zoekwoorden geel gemarkeerd die volgens haar geen betrekking hebben op de gestelde octrooi-inbreuk. De rechtbank volgt [verweersters sub 1] hierin en zal partijen bevelen de hierna te noemen deskundige(n) aan te wijzen die aan de hand van hierna te geven voorschriften voor te hanteren zoektermen een selectie maken van bescheiden waarop wel en waarop geen recht op inzage bestaat. [5] Die voorschriften zien erop dat de door de deskundige(n) te maken selectie beperkt is tot bescheiden die zien op technisch bewijs van inbreuk. Gelet daarop wordt de inzage daarnaast beperkt tot bescheiden vanaf de datum van de verlening van het octrooi, te weten 7 augustus 2024.
4.14.
De rechtbank zal in het dictum een lijst van zoekwoorden opnemen aan de hand waarvan de deskundigen de selectie mede zullen kunnen maken. De door [verweersters sub 1] in het verweerschrift geel gemarkeerde zoekwoorden zullen buiten de inzage vallen. Dit geldt niet voor het trefwoord “certificering”. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen ieder een andere betekenis aan het woord certificering toekennen. De rechtbank zal “certificering” begrijpen als “certificaat van de analyse van het eindproduct” en bepaalt hierop in de dataset mag worden gezocht door de deskundige.
4.15.
De door partijen aangewezen deskundige(n) zal/zullen aan de hand van de (bij de deurwaarder op te vragen) integrale kopie van de digitale beslagen bestanden van [verweersters sub 1] een selectie maken. De selectie vindt plaats op basis van de drie in de voorgaande rechtsoverwegingen genoemde voorwaarden, te weten:
  • de in paragraaf 48 van het verzoekschrift genoemde witte zoekwoorden voor zover die in paragraaf 155 van het verweerschrift niet geel zijn gemarkeerd, waarbij het zoekwoord certificering wordt vervangen door “certificaat van de analyse van het eindproduct”;
  • de inzage ziet alleen op technisch bewijs van inbreuk;
  • inzage wordt toegelaten vanaf de datum van de verlening van het octrooi.
De gemaakte selectie wordt door de deskundige(n) op een separate drager geplaatst en aan partijen verstrekt.
4.16.
Ten aanzien van de
gedetailleerde beschrijvingvan het maalproces van [verweersters sub 1] die door de deurwaarder is opgemaakt, geldt het volgende. Vooralsnog is er vanuit te gaan dat de gemaakte beschrijving ook vertrouwelijke informatie bevat die ziet op aan [verweersters sub 1] toekomende bedrijfsgeheimen. Ter waarborging van de bescherming daarvan zal inzage ook hier slechts wordt toegestaan voor zover het betreft technisch bewijs van de inbreuk en zal op de voet van artikel 22a lid 3 Rv een vertrouwelijkheidsregime worden bepaald als in het dictum in te melden, versterkt met een dwangsom.
4.17.
Nadat de deskundige(n) een selectie zal/zullen hebben gemaakt van de gedetailleerde beschrijving in vorenbedoelde zin, zal [verweersters sub 1] in de gelegenheid worden gesteld aan te geven of zij met die selectie akkoord zijn althans toe te lichten welke onderdelen als bedrijfsgeheim moeten worden aangemerkt en waarom deze niet relevant zijn voor de beoordeling van de gestelde octrooi-inbreuk; vervolgens zal/zullen de deskundige(n) de tekst van de gedetailleerde beschrijving redigeren en aan de advocaten van [verzoekster] ter beschikking stellen.
De deskundige(n)
4.18.
De rechtbank heeft partijen op de mondelinge behandeling verzocht om in overleg een deskundige aan te wijzen. Op 16 februari 2026 hebben partijen aangegeven dat zij gezamenlijk de heer mr. ir. LJ.J. Jessen (hierna: Jessen), octrooigemachtigde (werktuigbouwkunde) aanwijzen, die zich daarbij, waar nodig, kan laten bijstaan door zijn kantoorgenoot, ir. M.C. Molling (hierna: Molling), eveneens octrooigemachtigde (chemie).
De vertrouwelijke bijlagen GP14 en GP15
4.19.
Ten aanzien van de vertrouwelijk bijlagen GP14 en GP15 geldt dat het [verzoekster] wordt verboden daarover aan derden mededelingen te doen (artikel 28 lid 1 sub a en Pro b Rv) te doen. [verzoekster] mag de informatie wel delen met derden die in het kader van deze inzageprocedure of daarop volgende procedures bij de zaak zijn betrokken en eveneens aan vertrouwelijkheid zijn gebonden, zoals bijvoorbeeld de advocaten en octrooigemachtigden. Deze beschikking zal op rechtspraak.nl en/of indien daartoe door een derde een verzoek wordt gedaan, worden verstrekt in de vorm van een geanonimiseerd uittreksel ex artikel 28 lid 4 Rv Pro worden verstrekt.
Proceskosten en kosten deskundige(n)
4.20.
De mogelijke vergoeding van deze kosten kan volgens partijen uiteindelijk aan de orde komen in het kader van een proceskostenveroordeling in een eventuele bodemprocedure.
4.21.
Partijen hebben ter zitting aangegeven dat de over en weer gedane verzoeken om een veroordeling in de kosten van deze verzoekschriftprocedure in de bodemprocedure aan de orde kunnen komen en dat daarover op dit moment geen beslissing behoeft te worden genomen. Dit geldt ook voor de kosten van de deskundige(n). Op vragen van de rechtbank hieromtrent hebben partijen op 11 maart per e-mail aangegeven dat de kosten van de deskundige(n) in eerste instantie zullen worden gedragen door [verzoekster] . Partijen gaan er daarbij vanuit dat deze kosten buiten de rechtbank om worden betaald, zonder dat vooraf een begroting door de deskundige hoeft te worden vastgesteld.
Tegenverzoek
4.22.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft verzoeker het tegenverzoek tot opheffing van het beslag en tot betaling van een voorschot op de vergoeding van geleden schade, ingetrokken. De vraag of een tegenverzoek tot opheffing van een bewijsbeslag in een verzoekschriftprocedure toelaatbaar is [6] , kan daarmee in deze procedure onbeantwoord blijven.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
bepaalt dat [verzoekster] op de in het lichaam van deze beschikking en hierna bedoelde wijze inzage krijgt in en door afgifte de beschikking krijgt over afschriften, monsters en de gedetailleerde beschrijving van het krachtens de beschikking van 10 juli 2025 onder [verweersters sub 1] in beslag genomen materiaal;
5.2.
beveelt [verweersters sub 1] de onder 5.1. genoemde inzage en afgifte te gehengen en te gedogen;
inzage in het beslagen bewijs
5.3.
bepaalt dat:
de in r.o. 4.18. genoemde deskundige gelegenheid krijgt een selectie te maken op de wijze zoals uiteengezet in r.o. 4.13. t/m 4.15. en van die selectie een kopie te maken op een separate drager;
bedoelde separate drager aan [verzoekster] te verstrekken gelijktijdig met een digitale kopie daarvan aan [verweersters sub 1] ;
inzage in de gedetailleerde beschrijving
5.4.
bepaalt dat:
i. de in r.o. 4.18. genoemde deskundige gelegenheid krijgt een eerste selectie te maken van de gedetailleerde beschrijving op de wijze zoals uiteengezet in r.o. 4.16. t/m 4.17.;
de deskundige de onder 5.4.(i) genoemde eerste selectie aan de advocaten van [verweersters sub 1] dient te verstrekken;
[verweersters sub 1] vervolgens de gelegenheid heeft om binnen 15 dagen na de dag waarop de advocaten van [verweersters sub 1] de selectie bedoeld onder 5.4. (i) hebben ontvangen, bezwaar te maken tegen afgifte of inzage van de eerste selectie van de gedetailleerde beschrijving (of onderdelen daarvan), op grond dat de bescherming van vertrouwelijke informatie niet is gewaarborgd als bedoeld in artikel 1019a lid 3 Rv;
Indien de deskundige(n) de eerste selectie aan de hand van het bezwaar van [verweersters sub 1] een geredigeerde tweede selectie maakt, van die geredigeerde selectie een afschrift aan [verzoekster] te verstrekken, met gelijktijdige kopie daarvan aan [verweersters sub 1] , althans, indien de deskundige(n) het bezwaar van [verweersters sub 1] niet deelt, en behoudens de situatie voorzien in onderdeel (iv) van deze bepaling, de eerste selectie aan [verzoekster] te verstrekken;
[verweersters sub 1] geacht wordt haar bezwaren niet te handhaven als zij dit niet binnen 15 dagen na het schriftelijk kenbaar maken van het bezwaar, door dagvaarding van [verzoekster] ter zake (die vrijwillig zal verschijnen) ter beoordeling heeft voorgelegd aan de voorzieningenrechter van deze rechtbank;
de monsters
5.5.
bepaalt dat:
de in r.o. 4.18. genoemde deskundige(n) gelegenheid krijgt de in beslag genomen monsters te (doen) laten analyseren door een daartoe gekwalificeerd laboratorium en daarvan verslag te (laten) doen;
deze deskundige het onder 5.5.(i). genoemde verslag en de resultaten van het laboratorium tegelijk aan verzoeker en verweerder doet toekomen;
vertrouwelijkheidsregime
5.6.
bepaalt dat de ingevolge het onder 5.4. bepaalde over te leggen informatie vertrouwelijk is te achten en dat daarvoor, het volgende vertrouwelijkheidsregime geldt:
a. toegang tot de informatie is gelimiteerd tot een beperkt aantal personen, namelijk:
(i) de advocaten van [verzoekster] ;
(ii) de octrooigemachtigden van [verzoekster] ;
(iii) de door de beide partijen aangewezen en in r.o. 4.18. bij naam genoemde deskundigen en;
(iv) één van de natuurlijke personen van [verzoekster] die tijdens de mondelinge behandeling aanwezig was en die geen commerciële functie bekleedt;
het is aan [verzoekster] en de andere onder 5.6.(a) genoemde personen niet toegestaan om aan derden informatie te verstrekken afkomstig uit de te overleggen selectie van de gedetailleerde beschrijving;
de informatie in de te verstrekken selectie van de gedetailleerde beschrijving mag uitsluitend worden gebruikt door [verzoekster] met betrekking tot de procedure rond het octrooi EP 4 223 141 B1 en [verzoekster] mag deze informatie niet voor andere doeleinden gebruiken;
[verzoekster] of een van de onder 5.6.(a) genoemde personen verbeurt een dwangsom van € 25.000,- voor iedere keer dat hij / zij handelt in strijd met het bepaalde onder 5.6.(a), (b) en/of (c) met een maximum van € 250.000,-, waarbij geldt dat geen directe dwangsom wordt opgelegd aan de advocaten en de deskundigen nu zij zelf geen partij zijn bij deze procedure en een schending door hulppersonen van [verzoekster] al gedekt wordt door het bevel;
dwangsommen
5.7.
beveelt [verweersters sub 1] tot betaling van een dwangsom aan [verzoekster] van € 25.000,- voor iedere dag dat zij geheel of gedeeltelijk niet voldoet aan het in 5.2. gegeven bevel, met een maximum van € 250.000,-;
mededelingverbod
5.8.
bepaalt dat het [verzoekster] verboden is aan derden mededelingen te doen over de inhoud van de bijlagen GP14 en GP15 (conform artikel 28 lid 1 sub a en Pro b Rv);
ten slotte
5.9.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.10.
wijst hetgeen meer of anders is verzocht af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.Th. van Walderveen, bijgestaan door mr. B.D.M. Kunst-Verboon, griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.

Voetnoten

1.Hof Arnhem-Leeuwarden 14 december 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:11402
2.Rechtbank Oost-Brabant, 26 augustus 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:6627
3.Rijksoctrooiwet 1995
4.HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3304, r.o. 4.1.5 (AIB/Novisem); HR 18 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2643 en HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016: 2834 (Synthon/Astellas); HR 28 september 2018, ECLI:NL:2018:1775 (Organik c.s./Dow Chemical).
5.HR 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:830 (Solidnature c.s./verweerder), r.o. 3.1.2; HR 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1773, r.o. 3.4 (Belba c.s./de vrouw)
6.Hof Den Haag, 11 maart 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:317