ECLI:NL:RBDHA:2025:9698

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2025
Publicatiedatum
2 juni 2025
Zaaknummer
NL25.22715
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwVreemdelingenwet 2000Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring wegens risico op onttrekking en uitzettingsweigering

De minister van Asiel en Migratie legde op 14 mei 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De rechtbank behandelde het beroep op 30 mei 2025 via telehoren.

De minister baseerde de maatregel op diverse zware en lichte gronden, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het onttrekken aan toezicht, het niet meewerken aan identificatie, het verstrekken van onjuiste gegevens en het niet naleven van vertrekverplichtingen. De rechtbank oordeelde dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende samenhang vertonen om de maatregel te dragen.

Eiser voerde aan dat het tijdstip van oplegging onduidelijk was, maar de rechtbank verwierp dit bezwaar als een kennelijke verschrijving zonder gevolgen. Ook stelde eiser dat de maatregel onrechtmatig en disproportioneel was, maar de rechtbank vond dat de minister voldoende rekening had gehouden met medische omstandigheden en dat een lichter middel niet doeltreffend zou zijn.

De rechtbank constateerde dat de minister voortvarend werkt aan uitzetting, met onder meer een vertrekgesprek en het opstarten van het laissez-passer traject. Er is zicht op uitzetting naar Marokko, en eiser voldoet niet aan zijn medewerkingsplicht. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.22715

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. A.J. Rossingh).

Procesverloop

1.1.
De minister heeft op 14 mei 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 mei 2025 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
(lichte gronden)4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb [2] heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
2.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
2.2.
Op de zitting heeft de minister lichte grond 4f laten vallen.
Voortraject
3. Eiser betoogt dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is, omdat het tijdstip van de maatregel onduidelijk is. Zo is er in het dossier één document geüpload waarin staat dat de maatregel van bewaring is opgelegd om 13:45 uur en een ander document waarin staat dat de maatregel van bewaring is opgelegd om 12:28 uur.
3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is met de minister van oordeel dat het tijdstip 12:28 een kennelijke verschrijving is en dat, gelet op het tijdstip van de werkelijke uitreiking, moet worden uitgegaan van 13:45 uur. De rechtbank verbindt aan de kennelijke verschrijving dan ook geen gevolgen.
Grondslag en gronden
4. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59, eerste lid aanhef en onder a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf. Eiser heeft op 11 december 2019 een meeromvattende (afwijzende) beschikking opgelegd, waarin ook een terugkeerbesluit besloten ligt.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat de zware en lichte gronden 3a, 3b, 3c, 3d, 3e, 3i, 4a, 4c en 4d in samenhang gezien en gelet op de motivering in de maatregel voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Ook bestaat voldoende grond voor het standpunt van de minister dat er een risico op onttrekking bestaat en dat eiser de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De rechtbank ziet ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat de gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020 volgt dat, om de gronden 3a, 3b, 3c, 3d, 3e en 3i aan de maatregel ten grondslag te kunnen leggen, voldoende is dat deze gronden feitelijk juist zijn. [3] Deze gronden zijn feitelijk juist. Ten aanzien van zware grond 3d overweegt de rechtbank dat eiser geen identificerende documenten heeft, aliassen heeft gebruikt en geen actie onderneemt om aan documenten te komen. Ook de lichte gronden 4a, 4c en 4d zijn feitelijk juist en de minister heeft het onttrekkingsrisico bij deze gronden voldoende gemotiveerd.
Lichter middel
5. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en de verklaringen van eiser dat hij niet terug wil naar Marokko, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstaat niet om de uitzetting van eiser te verzekeren.
5.1.
De minister heeft de medisch omstandigheden van eiser voldoende betrokken bij de oplegging van de maatregel. De minister heeft eiser erop gewezen er een medische dienst is in het detentiecentrum en dat hij daar gebruik van kan maken. Van de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra in Nederland kan worden gezegd dat deze gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.
5.2.
Daarnaast overweegt de rechtbank dat eiser verder geen omstandigheden naar voren heeft gebracht die maken dat de bewaring voor hem onevenredig bezwarend is. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel op te leggen.
Voortvarendheid en zicht op uitzetting
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De rechtbank stelt vast dat de minister op 19 mei 2025 een eerste uitzettingshandeling (vertrekgesprek) heeft verricht. Verder heeft de minister op 23 april 2025 het lp [4] -traject opgestart en op de lp-aanvraag laatstelijk op 21 mei 2025 gerappelleerd. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting niet ontbreekt. De rechtbank verwijst daarbij naar de recente uitspraken van de Afdeling [5] van 27 januari 2025 [6] , waarin de Afdeling nogmaals heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt. De rechtbank is niet gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten te kennen hebben gegeven geen lp voor eiser te zullen afgeven. Het zicht op uitzetting is hiermee gegeven.
6.2.
Op eiser rust bovendien de rechtsplicht Nederland te verlaten. Deze plicht brengt onder meer met zich mee, dat eiser actieve en volledige medewerking aan zijn uitzetting moet verlenen. [7] De rechtbank stelt vast dat eiser geen actie onderneemt en geen medewerking verleent aan zijn uitzetting. Eiser wil niet terug keren naar Marokko en verricht geen inspanningen om de benodigde documenten met betrekking tot zijn identiteit en nationaliteit te verkrijgen. Dat eiser niet voldoende meewerkt, kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook aan hem worden toegerekend. Het zicht op uitzetting is ook hiermee gegeven.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt en openbaar gemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.
4.Laissez-passer.
5.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.Uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219.
7.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:85 en van 2 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2210.