ECLI:NL:RBDHA:2025:9445
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren vreemdelingenbewaring en verzoek schadevergoeding
De rechtbank Den Haag heeft op 27 mei 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak betreffende het voortduren van een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op 10 januari 2025. Eiser betoogde dat er geen zicht was op uitzetting naar Algerije en dat de minister onvoldoende voortvarend handelde, daarnaast voerde hij aan dat zijn belangen zwaarder wegen dan die van de minister en dat een lichter middel dan bewaring passend zou zijn.
De rechtbank heeft deze gronden beoordeeld aan de hand van eerdere uitspraken van 13 maart en 3 april 2025, waarin werd geoordeeld dat er wel zicht is op uitzetting en dat de minister voldoende voortvarend handelt. De rechtbank constateert dat de situatie sinds die uitspraken niet wezenlijk is veranderd en dat eiser geen activiteiten heeft ondernomen om zijn terugkeer mogelijk te maken.
Ook de belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel; hoewel eiser persoonlijke omstandigheden aanvoert, zijn er geen bijzondere omstandigheden die een zwaarder belang aan zijn zijde rechtvaardigen binnen de eerste zes maanden van bewaring. De rechtbank acht de bewaring proportioneel en wijst het beroep ongegrond. Tevens wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen en is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.