ECLI:NL:RBDHA:2025:8263

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 mei 2025
Publicatiedatum
13 mei 2025
Zaaknummer
NL24.35575 en NL24.35576
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.A. Bouter - Rijksen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 6:20 AwbArt. 8 EVRMArt. 15c Kwalificatierichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging asielbesluiten Jemenitische vrouwen wegens zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken

Eiseressen, twee vrouwen uit Jemen, vroegen asiel aan in Nederland nadat eerdere aanvragen werden geweigerd vanwege Dublinverantwoordelijkheid van Frankrijk. De minister wees hun aanvragen af en legde een inreisverbod op. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de individuele omstandigheden van eiseressen, waaronder hun etniciteit, geslacht, familieverhoudingen en de verslechterde veiligheidssituatie in Jemen.

De rechtbank constateert dat de besluiten zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken vertonen. Zo zijn de asielmotieven niet volledig en concreet beoordeeld, en is onvoldoende ingegaan op recente landeninformatie en de risico’s van gendergerelateerd geweld. Ook is het beoordelingskader onduidelijk en zijn stappen impliciet genomen.

De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten en beveelt de minister binnen twee maanden nieuwe besluiten te nemen, waarbij de individuele omstandigheden van eiseressen concreet en kenbaar moeten worden betrokken. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseressen.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de asielbesluiten en draagt de minister op binnen twee maanden nieuwe besluiten te nemen met een zorgvuldige en gemotiveerde beoordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.35575 en NL24.35576

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiseres 1],eiseres 1, V-nummer [nummer 1] (zaaknummer NL24.35575) en
[eiseres 2], eiseres 2, V-nummer [nummer 2] (zaaknummer NL24.35576), tezamen aangeduid als eiseressen,
(gemachtigde: mr. A.E.M. de Vries),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).

Procesverloop

Eiseressen hebben op 25 augustus 2021 asiel aangevraagd. Bij besluiten van 29 september 2021 heeft verweerder besloten de asielaanvragen van eiseressen niet in behandeling te nemen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiseressen zijn vervolgens met onbekende bestemming vertrokken.
Na het ongebruikt verstrijken van de (verlengde) overdrachtstermijn hebben eiseressen zich op 12 juli 2023 opnieuw gemeld bij verweerder om asiel te verkrijgen.
Op 22 augustus 2024 hebben eiseressen verweerder in gebreke gesteld.
Eiseressen hebben op 11 september 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op hun asielaanvragen.
Bij afzonderlijke besluiten van 29 oktober 2024 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van eiseressen als ongegrond afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verder heeft verweerder eiseressen een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiseressen hebben op 6 november 2024 respectievelijk 12 november 2024 gronden aangevoerd tegen de bestreden besluiten. Op 18 februari 2025 hebben zij nadere stukken toegestuurd. Verweerder heeft bij brief van 25 februari 2025, met bijlage, gereageerd op de beroepsgronden.
De rechtbank heeft de beroepen op 27 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseressen, de gemachtigde van eiseressen, [naam 1] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

De beroepen tegen het niet tijdig beslissen op de aanvragen
1. Nu verweerder inmiddels besluiten op de asielaanvragen van eiseressen heeft genomen, hebben eiseressen geen belang meer bij hun beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De beroepen tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvragen zijn daarom niet-ontvankelijk.
2. De beroepen hebben op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede betrekking op de alsnog genomen besluiten.
De asielrelazen van eiseressen
3.1.
Eiseres 1 heeft het volgende asielrelaas aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiseres 1 is geboren op [geboortedatum 1] 1970 in [geboorteplaats], heeft de Jemenitische nationaliteit en behoort tot de Arabische bevolkingsgroep.
Eiseres 1 is in 2015 vanwege de oorlog gevlucht vanuit Jemen naar Saoedi-Arabië en vanuit Saoedi-Arabië naar Nederland gekomen. Eiseres 1 kan niet terug naar Jemen omdat het daar niet veilig is. Veel mensen in Jemen zijn gewapend en de omgeving van het huis van eiseres 1 wordt vaak gebombardeerd. De Houthi’s hebben de macht in haar woonplaats Sanaa. Zij eisen geld van de man van eiseres 1 omdat hij een gebouw bezit. Verder worden vrouwen ook onderdrukt in Jemen waardoor eiseres 1 geen vrijheid heeft. Eiseres 1 wordt door haar schoonfamilie onderdrukt en mag van hen niet buiten komen en zij moet traditionele kleding dragen die haar gehele lichaam bedekt. Eiseres 1 wil graag bij haar drie zoons verblijven, die asiel in Nederland hebben gekregen.
3.2.
Eiseres 2 heeft het volgende asielrelaas aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd.
Eiseres 2 is geboren op [geboortedatum 2] 1999 in [geboorteplaats], heeft de Jemenitische nationaliteit en behoort tot de Arabische bevolkingsgroep.
Eiseres 2 is vanuit Saoedi-Arabië naar Nederland gevlucht. Zij was uitgehuwelijkt aan een Saoedische man, maar is bij hem weggegaan omdat zij ongelukkig was. Eiseres 2 is bang bij terugkomst in Jemen uitgehuwelijkt te worden, omdat zij gescheiden is en thans een alleenstaande vrouw is. Zij heeft in haar jeugd slechte ervaringen gehad met haar neef en vreest aan hem uitgehuwelijkt te worden. Daarnaast vreest eiseres 2 voor de algemene situatie in Jemen en voor de Houthi’s; er zijn daar problemen en er is oorlog. In Jemen is het in het bijzonder voor vrouwen niet veilig en eiseres 2 vreest als gescheiden vrouw en dochter van haar moeder specifiek voor de familie van haar vader.
Inhoud van de bestreden besluiten
4.1.
Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiseres 1 twee asielmotieven:
a. de identiteit, nationaliteit en herkomst;
b. de onderdrukking door de schoonfamilie in Jemen en de hieruit ontstane problemen.
Verweerder gelooft het eerste asielmotief wel, maar het tweede asielmotief niet. Eiseres 1 heeft dit tweede asielmotief niet met objectieve documenten onderbouwd. Er wordt niet voldaan aan artikel 31, zesde lid, aanhef en onder e, van de Vw, nu de verklaringen van eiseres 1 in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. Eiseres 1 heeft bewust de Dublinregels ontdoken omdat haar voorkeur uitgaat naar asiel in Nederland, terwijl van haar - nu zij bescherming vraagt vanwege haar problemen in Jemen - wordt verwacht dat zij zo spoedig mogelijk bescherming aanvraagt. Het is dan ook ongeloofwaardig dat zij bescherming nodig heeft.
Dat eiseres 1 zich, ondanks de door haar ondervonden onderdrukking, gedurende een lange periode in Jemen alsnog heeft kunnen handhaven, versterkt het beeld dat van een schending in de zin van het Vluchtelingenverdrag geen sprake zal zijn. Niet valt in te zien waarom haar echtgenoot eiseres 1 niet kan beschermen.
Eiseres 1 heeft de gestelde vrees vanwege de algemene veiligheidssituatie in Jemen en vanwege de Houthi’s niet aannemelijk gemaakt. Met haar verklaringen heeft eiseres 1 evenmin aannemelijk gemaakt dat zij zelf persoonlijk een reëel risico loopt om slachtoffer
te worden van de hoge mate van willekeurig geweld ten opzichte van andere
burgers. Eiseres 1 heeft niet onderbouwd waarom verweerders standpunt hierover geen stand kan houden.
Verweerder heeft voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiseres 1.
Verweerder volgt eiseres 1 niet in het betoog dat zij op grond van artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in aanmerking dient te komen voor een reguliere verblijfsvergunning. Eiseres 1 heeft niet aangetoond dat zij direct afhankelijk is van haar in Nederland wonende zoons. Gelet hierop volgt verweerder eiseres 1 evenmin in haar betoog dat het opgelegde inreisverbod in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM.
4.2.
Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiseres 2 één asielmotief: de identiteit, nationaliteit en herkomst. Verweerder gelooft dit asielmotief.
Volgens verweerder heeft eiseres 2 de vrees voor eerwraak of uithuwelijking en dat zij in Jemen niet zichzelf kan zijn niet aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft de problemen in Saoedi-Arabië niet getoetst, omdat Jemen en niet Saoedi-Arabië het land van herkomst is. Eiseres 2 is geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Verder valt eiseres 2 niet onder het risicoprofiel van alleenstaande vrouwen en vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor gender gerelateerd geweld. De gezinsband met het ouderlijk gezin is niet verbroken. De onderdrukking die eiseres heeft meegemaakt heeft niet een dusdanige beperking van de bestaansmogelijkheden opgeleverd dat het onmogelijk is om op sociaal en maatschappelijk gebied te functioneren.
Eiseres 2 heeft niet op basis van individuele omstandigheden aannemelijk gemaakt dat zij een risico loopt om het slachtoffer te worden van eerwraak. Verweerder vindt het risico op uithuwelijking niet reëel, nu dit slechts een vermoeden van eiseres 2 betreft en is gebleken dat zij geen contact heeft met de familie van haar vader. Verder vindt verweerder het onwaarschijnlijk dat de vader van eiseres haar nog eens zal uithuwelijken.
Verweerder heeft voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiseres 2.
De verklaringen van eiseres 2 geven volgens verweerder geen blijk van individuele omstandigheden waardoor juist zij een reëel risico loopt slachtoffer te worden van de hoge mate van willekeurig geweld (minder uitzonderlijke situatie). Immers, eiseres 2 heeft geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit dit blijkt. Een enkel beroep op de algehele situatie in Jemen is niet voldoende. Eiseres 2 heeft niet onderbouwd waarom verweerder dit standpunt uit het voornemen niet zou kunnen handhaven.
Eiseres 2 komt niet in aanmerking voor een reguliere verblijfsvergunning. Het beroep op artikel 8 van Pro het EVRM slaagt niet. Dat de broers van eiseres 2 een asielvergunning hebben in Nederland betekent niet dat zij geen contact met hen kan onderhouden vanuit Jemen.
Verder heeft eiseres 2 niet aangetoond dat zij financieel of emotioneel afhankelijk is
van haar broers. Eiseres 2 en haar broers hebben immers voor zij naar Nederland kwam al
gedurende een periode in verschillende landen gewoond.
Gelet op het voorgaande volgt verweerder evenmin het betoog dat het opgelegde inreisverbod in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM.
Beoordeling van de beroepsgronden
Besluitvorming en omvang van het geding
5. De rechtbank stelt voorop dat (zoals ter zitting is besproken) het besluitvormingsproces in deze zaken onzorgvuldig is verlopen en dat de bestreden besluiten gebreken vertonen. Eiseressen hebben, gelet op de inhoud van de zaken, onvoldoende tijd gekregen om hun zienswijzen voor te bereiden en in te dienen. Verweerder heeft ter zitting niet kunnen toelichten waarom de asielaanvragen in de algemene asielprocedure met de daarbij behorende korte termijnen zijn behandeld. Verder is - zoals verweerder ter zitting heeft erkend - het bestreden besluit ten aanzien van eiseres 1 innerlijk tegenstrijdig en zijn in het bestreden besluit ten aanzien van eiseres 2 ten onrechte enkel de identiteit, nationaliteit en herkomst als asielmotief aangemerkt. Bovendien is in beide besluiten het beoordelingskader niet altijd inzichtelijk en zijn stappen daarin soms impliciet gezet. Alleen al om deze redenen zijn de beroepen gegrond. Aan het eind van deze uitspraak zal de rechtbank ingaan op de gevolgen hiervan.
6. Verweerder heeft ter zitting nader toegelicht dat uit de overwegingen over de zwaarwegendheid in het bestreden besluit ten aanzien van eiseres 1 volgt dat de verklaringen van eiseres 1 over haar asielmotieven (impliciet) wel geloofwaardig worden gevonden. De rechtbank gaat daarom niet in op wat door eiseres 1 is aangevoerd met betrekking tot de geloofwaardigheid en de beoordeling daarvan.
6.1.
Ten aanzien van eiseres 2 heeft verweerder ter zitting toegelicht dat het bestreden besluit zo moet worden begrepen dat ook de uithuwelijking en scheiding en de vrees die eiseres 2 op basis daarvan heeft als asielmotief moeten worden aangemerkt. Verweerder vindt die uithuwelijking en scheiding geloofwaardig (maar vindt niet aannemelijk dat eiseres op basis daarvan bij terugkeer te vrezen heeft voor eerwraak of een tweede uithuwelijking). De rechtbank zal gelet hierop niet ingaan op wat eiseres 2 heeft aangevoerd over de geloofwaardigheid(sbeoordeling) van de eerste uithuwelijking en scheiding.
Vluchtelingschap
7. Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw) worden verleend aan de vreemdeling die vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag [1] is.
8. Eiseres 1 voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door haar geschetste problemen niet ernstig genoeg zijn om van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag te spreken. Verweerder is eraan voorbij gegaan dat eiseres 1 zich als lid van een minderheidsstam (Hadramaut) niet kan voegen naar de regels van de Houthi’s. Niet alleen heeft eiseres 1 nooit conform de streng Islamitische levenswijze geleefd, maar ook speelt een grote rol dat eiseres 1 in het geheim met haar echtgenoot is gehuwd, zeer tegen de wensen in van haar streng Islamitische schoonfamilie (in het bijzonder haar schoonvader, schoonmoeder en [naam 2], de broer van haar man). Niet alleen haar afkomst stuit de schoonfamilie tegen de borst, ook hebben zij afkeer van eiseres 1 omdat zij in Saoedi-Arabië is geboren en getogen. Dat eiseres 1 zich eerder (amper) staande heeft kunnen houden, zegt weinig over de situatie die zij nu in de Houthi-wijk waar zij zal moeten gaan verblijven zou aantreffen. Eiseres 1 verwijst in dit kader naar het Algemeen Ambtsbericht Jemen van september 2023 (AAB). Eiseres 1 zal bij terugkeer naar Jemen enkel naar haar echtgenoot kunnen terugkeren. Door haar achternaam, accent en gedrag is zij daar echter direct herleidbaar tot haar stam en tot het verblijf in Saoedi-Arabië. Bovendien verblijft haar echtgenoot niet meer in de eigen woning van het gezin maar bij zijn familieleden (deels bij zijn moeder en deels bij zijn broer) omdat de eigen woning is gebombardeerd en hij de Houthi’s wil ontlopen die geld van hem eisen. Haar echtgenoot zal haar niet kunnen of willen beschermen maar de kant van zijn familie kiezen.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet alle door eiseres 1 aangevoerde individuele omstandigheden kenbaar in zijn beoordeling betrokken en onvoldoende gemotiveerd dat van vluchtelingschap geen sprake is. Verweerder stelt zich (kort samengevat) op het standpunt dat eiseres 1 al eerder in Jemen heeft gewoond en zich toen naar de regels van haar schoonfamilie heeft gevoegd, en dat dus niet valt in te zien waarom zij daar niet opnieuw zou kunnen verblijven. Verweerder miskent daarbij, ook in zijn nadere motivering ter zitting, dat eiseres 1 heeft aangevoerd dat de situatie in Jemen en haar persoonlijke situatie inmiddels zijn veranderd. Eiseres 1 heeft in het kader van haar standpunt dat zij zich bij terugkeer naar Jemen niet staande zal kunnen houden als vrouw en gezien haar afkomst en etniciteit, gewezen op het AAB en door haar op 18 februari 2025 ingebrachte landeninformatie over de huidige situatie in Jemen [2] en de Beslisnota landenbeleid Jemen [3] . Verweerder heeft die informatie onvoldoende in zijn beoordeling betrokken. Uit de informatie blijkt onder meer, zoals eiseres ook aanvoert, dat de positie van vrouwen in Jemen is verslechterd en dat alleenstaande vrouwen en vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt te vrezen voor gender-gerelateerd geweld zijn aangemerkt als risicogroep. Verweerder heeft ter zitting niet inzichtelijk kunnen maken wat wordt verstaan onder ‘vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt te vrezen voor gender-gerelateerd geweld’ en waarom eiseres 1 daar niet onder wordt begrepen. De rechtbank acht in het kader van de beoordeling of eiseres 1 onder deze risicogroep valt dan wel meer algemeen in het kader van de beoordeling van het vluchtelingschap van belang dat eiseres 1, zoals zij ter zitting heeft benadrukt, na een jarenlang verblijf in Saoedi-Arabië (waar relatief vrijere regels zijn en zij buiten het bereik van haar schoonfamilie was) bij terugkeer naar Jemen niet naar de eigen woning van het gezin zal kunnen terugkeren maar in de woning en binnen de kring van haar schoonfamilie zal moeten verblijven en zich aan hun strenge regels zal moeten aanpassen en geen vrijheid zal hebben om te doen wat zij wil. Dit is psychisch voor haar heel moeilijk, zo verklaart zij. Zij vindt de maatschappij in Sanaa ‘achterlijk’. Eiseres 1 heeft verder verklaard dat ook haar dochter dan onderdrukt zal worden door haar schoonfamilie, opnieuw wordt uitgehuwelijkt en niet zal mogen studeren. Zij wil dat niet voor haar dochter, maar zal dat niet kunnen tegenhouden, wat zij heel moeilijk vindt [4] . Ook is in het kader van bedoelde beoordeling van belang dat eiseres 1 - zoals blijkt uit haar verklaringen en die van eiseres 2 - haar dochter heeft gesteund in haar wens tot echtscheiding en haar door middel van een list heeft helpen ontvluchten aan haar echtgenoot. Verweerder dient ook die omstandigheden kenbaar in zijn beoordeling te betrekken.
Verder dient verweerder bij de beoordeling van het vluchtelingschap ook de afkomst en etniciteit van eiseres 1 te betrekken in het licht van de informatie over de huidige situatie in Jemen, in het bijzonder in Sanaa, waar de echtgenoot van eiseres 1 verblijft en eiseres 1 bij terugkeer zal moeten gaan verblijven. Eiseres 1 heeft in dat verband aangevoerd dat zij sinds 2015, toen de burgeroorlog in Jemen tussen de regering en de Houthi-beweging opkwam, in Saoedi-Arabië heeft verbleven en dat de situatie in Jemen thans anders is dan tijdens haar eerdere verblijf. Verweerder is daar onvoldoende op ingegaan.
Tot slot heeft verweerder zich ook onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat niet valt in te zien waarom de man van eiseres 1 haar niet zal kunnen beschermen. Eiseres 1 heeft gesteld dat haar man haar niet zal kunnen en willen beschermen en verweerder is onvoldoende ingegaan op alle relevante individuele omstandigheden in dit verband (zoals onder meer de omstandigheid dat de woning van het gezin is gebombardeerd en haar man inmiddels bij zijn familie verblijft).
9. Eiseres 2 voert aan dat zij valt onder het in het landgebonden beleid genoemde risicoprofiel van alleenstaande vrouwen en vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt slachtoffer te zijn van gender-gerelateerd geweld. Verweerder is er ten onrechte aan voorbij gegaan dat eiseres 2 zich niet heeft neergelegd bij haar uithuwelijking en dat zij zelf op ontbinding van het huwelijk heeft aangestuurd. Er zal sprake zijn van eerwraak, nu eiseres 2 haar familie te schande heeft gemaakt. Met name de broer van haar vader, [naam 2] (de persoon die eiseres 1 altijd lastig viel) en zijn zoon, [naam 3] (de neef met wie eiseres 2 slechte ervaringen heeft), zullen uit zijn op eerwraak. Haar vader heeft eiseres 2 inmiddels telefonisch vanuit Sanaa gemaand om niet terug te keren omdat dat haar leven in gevaar zou brengen. Zijn familie heeft hem laten weten dat zij de schande van de keuze van eiseres 2 en haar handelen dat tot ontbinding van het gedwongen huwelijk leidde niet kunnen verdragen en dat zij op wraak zinnen. De afkeer van eiseres 2 komt van zijn hele familie (de opa en oma van eiseres 2, haar vier tantes en drie ooms en hun kinderen), maar haar oom [naam 2] en neef [naam 3] zijn daarin het felst. De vader van eiseres 2 heeft daarbij verklaard dat hij haar niet kan beschermen tegen zijn familie en evenmin tegen de Houthi’s. Mocht eiseres 2 aan eerwraak ontkomen, dan is het risico groot dat eiseres 2, omdat zij gescheiden is, opnieuw zal worden uitgehuwelijkt (en wel als tweede of derde vrouw van een man). De kans is groot dat zij zal worden uitgehuwelijkt aan genoemde neef [naam 3], wat traumatiserend voor haar zal zijn gezien haar eerdere ervaringen met hem. Haar vader zal zich niet tegen zijn eigen familie keren om haar te beschermen. Eiseres 2 heeft verder aangevoerd dat zij heel jong was tijdens haar verblijf in Jemen (ongeveer van haar 6e tot haar 15e jaar). Van eiseres 2 kan niet worden gevergd terug te keren naar Jemen en zich te onderwerpen aan de in de wijk en in de familie geldende regels. Bij terugkeer kan zij geen kant op en is zij geografisch gezien een gevangene in de wijk waar haar vader vandaan komt. Door haar wijze van spreken en accent is eiseres 2 direct tot Saoedi-Arabië herleidbaar. Dat laatste vormt minder met de familie een probleem maar een zeer groot risico om slachtoffer van de Houthi’s te worden. Haar vader zal haar ook daartegen niet kunnen beschermen. Eiseres 2 heeft verder gewezen op haar positie als dochter uit een (in de ogen van de familie van haar vader) ongewenst huwelijk en de positie van haar moeder binnen die familie en in Jemen, gezien haar moeders afkomst en etniciteit.
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder ook ten aanzien van eiseres 2 niet alle aangevoerde individuele omstandigheden kenbaar in zijn beoordeling heeft betrokken en onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van vluchtelingschap. Verweerder stelt zich ook ten aanzien van eiseres 2 op het standpunt dat (kort samengevat) zij al eerder in Jemen heeft gewoond en dat dus niet valt in te zien waarom zij daar niet opnieuw zou kunnen verblijven. Verweerder miskent, ook in zijn nadere motivering ter zitting, dat ook eiseres 2 erop heeft gewezen dat haar persoonlijke situatie en de situatie in Jemen inmiddels zijn veranderd. Eiseres 2 was tijdens haar eerdere verblijf in Jemen jong (een schoolkind) en is thans een gescheiden jonge vrouw die een groot deel van haar leven buiten het bereik van haar vaders familie en in een relatief vrijere samenleving in Saoedi-Arabië heeft gewoond. Dat verweerder eiseres 2 niet aanmerkt als alleenstaande vrouw, kan de rechtbank volgen. Verweerder heeft echter onvoldoende gemotiveerd waarom eiseres 2 niet is aan te merken als vrouw die aannemelijk heeft gemaakt te vrezen voor gender-gerelateerd geweld dan wel meer in het algemeen voor vervolging. Daarbij is relevant dat verweerder erkent dat eiseres 2 eerder is uitgehuwelijkt en het geloofwaardig vindt dat eiseres 2 het initiatief heeft genomen bij haar echtgenoot weg te gaan en van hem te scheiden. Eiseres 2 heeft haar vrees voor eerwraak en uithuwelijking met concrete feiten en omstandigheden toegelicht en onderbouwd en verwezen naar landeninformatie over eerwraak in het AAB. Verweerder kan in het licht daarvan niet volstaan met de algemene opmerking dat eiseres 2 niet op basis van individuele omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt waarom zij een reëel risico loopt slachtoffer te worden van eerwraak. Ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat eiseres 2 de vrees voor uithuwelijking niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder acht het niet aannemelijk dat de vader van eiseres 2 haar opnieuw zal uithuwelijken omdat eiseres 2 heeft verklaard dat haar vader medelijden met haar kreeg toen haar eerste huwelijk niet goed liep, maar verweerder gaat daarbij voorbij aan de situatie dat het gezin destijds in Saoedi-Arabië verbleef en dat eiseres 2 bij terugkeer naar Jemen als gescheiden dochter weer bij haar ouders zal (moeten) verblijven en wel in het huis en onder het bereik van haar vaders familie. Ditzelfde geldt voor de motivering van verweerder dat eiseres 2 heeft verklaard thans geen contact meer te hebben met haar familie en dat zij dus niet heeft te vrezen voor uithuwelijking. Verder heeft verweerder ook meer in het algemeen in zijn beoordeling of eiseres 2 bij terugkeer naar Jemen heeft te vrezen voor vervolging onvoldoende betrokken dat eiseres 2 een groot deel van haar leven buiten het bereik van haar vaders familie en in een relatief vrijere samenleving in Saoedi-Arabië heeft gewoond en dat zij heeft verklaard dat het voor haar problematisch zal zijn zich te moeten onderwerpen aan de strenge regels in Jemen. De rechtbank merkt op dat eiseres heeft verklaard dat zij graag wil studeren en werken, zelf haar kleding kunnen uitkiezen, en een zelfstandig bestaan wil leiden en niet afhankelijk zijn van een man. Eiseres 2 heeft verklaard dat zij dit bij terugkeer in Jemen niet zal kunnen maar aan de familie zal moeten gehoorzamen omdat zij anders geslagen zal worden en (begrijpt de rechtbank) aldus toch zal worden gedwongen te gehoorzamen. Verweerder heeft dit niet kenbaar in zijn beoordeling meegenomen. Verder verwijst de rechtbank voor wat betreft de positie van eiseres 2 als vrouw in Jemen, haar positie als dochter uit een (in de ogen van de familie van haar vader) ongewenst huwelijk en haar positie gezien haar moeders afkomst en etniciteit, op wat zij hiervoor heeft overwogen ten aanzien van eiseres 1. Ook in het bestreden besluit ten aanzien van eiseres 2 heeft verweerder wat door eiseres 2 is aangevoerd, mede in het licht van de overgelegde landeninformatie, onvoldoende betrokken.
10. Gelet op wat hiervoor onder 8.1 en 9.1 is overwogen zijn de bestreden besluiten voor wat betreft de beoordeling van de vraag of eiseressen kunnen worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag, in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel en verweerder heeft dit deze gebreken in de aanloop naar de zitting en met zijn nadere toelichting op de zitting onvoldoende hersteld. Aan het eind van deze uitspraak zal de rechtbank uiteenzetten wat de gevolgen hiervan zijn.
Reëel risico op ernstige schade bij terugkeer / 15c-situatie
11. Een vreemdeling kan op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Deze bepaling is de omzetting naar nationaal recht van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De hierin beschreven algemene veiligheidssituatie wordt in de praktijk geduid als ‘een 15c-situatie’.
11.1.
Verweerder heeft zijn in dat verband geldende landenbeleid voor Jemen vastgelegd in paragraaf C7/19 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Ten tijde van de bestreden besluiten werd daarbij een hoge mate van willekeurig geweld (minder uitzonderlijke situatie) aangenomen. Het was volgens verweerder daarbij aan de vreemdeling om op basis van zijn individuele omstandigheden aannemelijk te maken waarom juist hij specifiek een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van de hoge mate van het willekeurige geweld ten opzichte van andere burgers. Sinds 6 februari 2025 wordt in genoemde paragraaf gesproken over een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. Een vreemdeling uit Jemen moet op basis van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat de omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld en dat juist hij specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt.
12. Eiseressen voeren onder verwijzing naar diverse documenten [5] en uitspraken [6] aan dat door verweerder onvoldoende is gemotiveerd dat ten aanzien van Jemen gesproken kan worden van een minder uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld, waardoor eiseressen op basis van hun individuele omstandigheden aannemelijk moeten maken waarom juist zij specifiek een reëel risico lopen op ernstige schade. Daarnaast zijn juist de risicogroepen uitgebreid en is de groep alleenstaande vrouwen en vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt te vrezen voor gender-gerelateerd geweld toegevoegd aan C7/19.3.2 van de Vc, omdat de situatie in Jemen voor hen is verslechterd. Eiseressen vallen onder die groep.
Eiseressen voeren verder aan dat verweerder in het kader van de beoordeling van het risico op ernstige schade bij terugkeer ten onrechte niet is ingegaan op de individuele omstandigheden die zij ook in het kader van het vluchtelingschap hebben aangevoerd.
12.1.
De rechtbank overweegt dat verweerder in de bestreden besluiten enkel in algemene bewoordingen heeft overwogen dat uit paragraaf C7/19.4.2 van de Vc volgt dat het enkele feit dat eiseressen uit Jemen komen op zichzelf niet genoeg is om een risico op ernstige schade aan te nemen en dat eiseressen geen concrete individuele feiten en omstandigheden hebben aangevoerd dan wel aannemelijk hebben gemaakt waaruit blijkt dat zij bij terugkeer naar Jemen een reëel risico lopen op ernstige schade. Een beroep op de algemene situatie in Jemen is volgens verweerder niet voldoende. Verweerder is aldus onvoldoende ingegaan op het landgebonden beleid voor Jemen en de door eiseressen betwiste wijziging hiervan per 24 april 2024, waarbij er niet langer van wordt uitgegaan dat in Jemen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld in de zin van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Ook heeft verweerder de door eiseressen aangevoerde individuele omstandigheden niet concreet en kenbaar betrokken in zijn beoordeling van de vraag of eiseressen, uitgaande van de door verweerder aangenomen minder uitzonderlijke situatie van het willekeurige geweld, een verhoogd risico lopen om slachtoffer te worden van dat geweld. Daarom zijn de bestreden besluiten in strijd met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel.
12.2.
In zijn brief van 25 februari 2025 en ter zitting heeft verweerder ter nadere motivering van zijn standpunt over het risico op ernstige schade bij terugkeer naar Jemen aangevoerd dat hij het niet eens is met de uitspraken waarin wordt overwogen dat hij onvoldoende heeft gemotiveerd dat ten aanzien van Jemen kan worden gesproken van een minder uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld, en verwezen naar het hoger beroep dat hij heeft ingesteld tegen de door eiseressen aangehaalde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 25 oktober 2024. Verweerder stelt onder verwijzing naar het in die zaak ingediende en in deze procedure overgelegde hoger beroepschrift – kort samengevat - dat het huidige beleid ten aanzien van Jemen niet onredelijk is en dat de veiligheidssituatie in Jemen niet zodanig is dat eenieder die zich op het grondgebied van Jemen bevindt enkel door diens aanwezigheid een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
12.3.
De rechtbank vindt met eiseressen dat verweerder ook met zijn aanvullende motivering niet voldoende heeft gemotiveerd dat in Jemen (en in het bijzonder in Sanaa) sprake is van een minder uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld (thans: hoge mate van willekeurig geweld) waardoor eiseressen op basis van hun individuele omstandigheden aannemelijk moeten maken waarom juist zij specifiek een reëel risico lopen op ernstige schade. De rechtbank verwijst in dit verband onder meer naar wat in het kader van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn is overwogen in de uitspraak van de zittingsplaats Den Haag van 28 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:19859, de uitspraak van de zittingsplaats Amsterdam van 25 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:17489 en de uitspraak van 15 januari 2025 van de zittingsplaats Middelburg, ECLI:NL:RBDHA:2025:558. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de landeninformatie waarnaar eiseressen hebben verwezen grotendeels van recentere datum is dan de informatie in het AAB over Jemen van 2023, waarop verweerder zijn beleidswijziging baseert. Verweerder dient aan de hand van de meest recente landeninformatie te beoordelen wat de veiligheidssituatie in Jemen is en kan niet volstaan met een verwijzing naar zijn beleidswijziging van april 2024. In het kader van die beoordeling dient verweerder naar het oordeel van de rechtbank ook te betrekken de risico’s voor burgers die zijn ontstaan door de inmenging van de Houthi's in het Israël-Palestinaconflict en de bombardementen die door de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Israël worden uitgevoerd op doelen in Jemen. Eiseres 1 heeft verklaard dat hun woning is gebombardeerd en dat in de omgeving van de woning ook vaak wordt gebombardeerd [7] . Uit algemeen bekende informatie blijkt dat de bombardementen in de afgelopen maanden zijn toegenomen en dat daarbij ook burgerslachtoffers vallen (onder meer in Sanaa) [8] . De rechtbank acht verder van belang dat, zoals ook bij de uitspraken van de zittingsplaatsen Amsterdam en Middelburg is betrokken, in de hiervoor in voetnoot 3 genoemde Beslisnota van 29 september 2023 actieve intrekking van al verleende verblijfsvergunningen asiel aan vreemdelingen uit Jemen niet opportuun wordt geacht. Verweerder heeft hierover in het onder 12.2 vermelde hoger beroepschrift opgemerkt dat een Beslisnota geen beleid is en dat het kader voor beëindiging van subsidiaire bescherming (neergelegd in artikel 16 van Pro de Kwalificatierichtlijn) anders is dan dat voor verlening ervan (opgenomen in artikel 15 van Pro de Kwalificatierichtlijn). Dat neemt echter niet weg dat verweerder zijn beleid om niet over te gaan tot de intrekking van al verleende verblijfsvergunningen heeft gemotiveerd met de overweging dat het zeer discutabel is of in casu aan de voorwaarde voldaan wordt dat de wijziging van de omstandigheden ‘een voldoende ingrijpend en niet voorbijgaand karakter’ heeft [9] . Verweerder heeft onvoldoende duidelijk gemaakt hoe zich dit verhoudt tot zijn standpunt dat de veiligheidssituatie in Jemen zodanig is verbeterd dat kan worden uitgegaan van een minder uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld. Verweerder heeft verder in genoemd hoger beroepschrift aangevoerd dat humanitaire omstandigheden in beginsel niet van betekenis kunnen zijn in het kader van een asielprocedure. De rechtbank verwijst naar wat in dit kader in de hiervoor genoemde uitspraken is overwogen, mede over het arrest Sufi en Elmi [10] . Verweerder heeft, mede in het licht van de indicaties genoemd in rechtsoverweging 7.3 van de uitspraak van de zittingsplaats Amsterdam, onvoldoende gemotiveerd dat de humanitaire situatie in Jemen niet voornamelijk te wijten is aan acties van de partijen van het conflict.
12.4.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder met zijn aanvullende motivering de zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken ten aanzien van de vraag of in Jemen (en in het bijzonder in Sanaa) sprake is van de hoogste mate van willekeurig geweld, niet hersteld. De rechtbank verwijst naar het eind van deze uitspraak voor de vraag welke gevolgen hieraan moeten worden verbonden.
12.5.
Geheel ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat indien verweerder wel zou kunnen worden gevolgd in zijn standpunt dat moet worden uitgegaan van een mindere mate van willekeurig geweld in Jemen en de individuele omstandigheden van eiseressen dus van belang zijn, verweerders nadere motivering ten aanzien van de individuele omstandigheden van eiseressen ook tekortschiet. Ook in dit kader stelt verweerder in essentie niet veel meer dan dat eiseressen eerder in Jemen hebben gewoond en dus geacht worden zich daar opnieuw te kunnen handhaven. De rechtbank verwijst ook in dit verband mede naar wat zij hiervoor onder het kopje Vluchtelingschap heeft overwogen over de door eiseressen aangevoerde individuele omstandigheden.
Reguliere vergunning
13. Eiseressen voeren aan dat verweerder bij de afweging of zij een reguliere vergunning dienen te verkrijgen, voorbij is gegaan aan de bijzondere, individuele omstandigheden die zijn aangevoerd. Er is volgens hen ook sprake van strijd met het recht op familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hoewel de drie zonen/broers meerderjarig zijn, is het onderhouden van contact met hen vanuit Jemen onmogelijk mede gelet op het feit dat zij wel een verblijfsvergunning asiel hebben verkregen. Verder wijst eiseres 1 nog op haar medische situatie. Zij lijdt aan hoge bloeddruk, diabetes, hoog cholesterol en reuma plus gewrichtsproblemen.
13.1
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres 1 en haar in Nederland verblijvende zoons en tussen eiseres 2 en haar in Nederland verblijvende broers. Hoewel de rechtbank eiseressen kan volgen in hun standpunt dat het voor hen zeer moeilijk zal zijn om vanuit Jemen naar een derde land te reizen om daar contact te onderhouden met de zoons/broers, maakt dit niet dat verweerder hen een vergunning op basis van artikel 8 van Pro het EVRM had moeten verlenen. Eiseressen kunnen eventueel op afstand contact met de zoons/broers houden.
13.2.
Voor zover eiseres 1 wijst op haar medische situatie heeft verweerder kunnen overwegen dat eiseres 1 met het enkel overleggen van foto’s van medicijndoosjes onvoldoende heeft aangetoond dat er sprake is van een (actuele) medische behandeling in Nederland. Verweerder heeft er ter zitting terecht op gewezen dat eiseres 1 desgewenst onder overlegging van medische stukken een afzonderlijke aanvraag kan indienen voor uitstel van vertrek op basis van artikel 64 van Pro de Vw.
13.3.
Eiseressen hebben ook nog aangevoerd dat verweerder een reguliere verblijfsvergunning aan hen had moeten verlenen onder de noemer ‘bijzondere individuele omstandigheden’. Verweerder heeft zich daarover terecht op het standpunt gesteld dat eiseressen onvoldoende duidelijk hebben gemaakt op welke categorie van een verblijfsvergunning ‘humanitair tijdelijk’ zij doelen en dat zij aan de daarvoor geldende voorwaarden voldoen.

Conclusie en gevolgen

14.1.
De beroepen zijn gegrond. De besluiten bevatten op verschillende onderdelen zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken en zijn daarom in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Verweerder heeft die gebreken in aanloop naar en op de zitting niet hersteld. De rechtbank ziet daarom geen aanknopingspunten om de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten of zelf in de zaken te voorzien. De rechtbank zal de bestreden besluiten vernietigen en verweerder zal nieuwe besluiten moeten nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. Mede omdat de zaken al lang lopen, zal de rechtbank bepalen dat verweerder binnen twee maanden na deze uitspraak nieuwe besluiten moet nemen. Verweerder zal in de nieuwe besluiten uiteen dienen te zetten wat het beoordelingskader is voor de vraag of aan eiseressen op grond van de a- of de b- grond van artikel 29 van Pro de Vw een vergunning moet worden verleend en inzichtelijk moeten maken hoe hij dit beoordelingskader in de zaken van eiseressen toepast. Daarbij zal verweerder de individuele omstandigheden van eiseressen in de verschillende stappen van het beoordelingskader concreet en kenbaar moeten betrekken.
14.2.
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseressen gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.721,- (in iedere zaak 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en - gelet op de gezamenlijke behandeling van de zaken ter zitting – in totaal 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart de beroepen tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvragen niet-ontvankelijk;
- verklaart de beroepen tegen de besluiten van 29 oktober 2024 gegrond, vernietigt deze besluiten en draagt verweerder op binnen twee maanden na de datum van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de asielaanvragen van eiseressen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseressen tot een bedrag van in totaal € 2.721,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van P. Deinum, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, Genève, 28 juli 1951.
2.World Report 2024: Yemen en World Report 2025: Yemen van Human Rights Watch, Amnesty International Report 2023 – Yemen, artikel over Jemen gepubliceerd op https://www. justsecurity.org/947 17/uk-us-strikes-in-yemen-raise-questions-about-
3.Nota van de Staatssecretaris van Justitie en veiligheid van 29 september 2023, kenmerk 4939551, gevoegd bij de Kamerbrief over aanpassing landenbeleid Jemen maart 2024, kamerstukken vergaderjaar 2023-2024, 19 637, nr. 3215, en uitgebracht naar aanleiding van het Algemeen Ambtsbericht Jemen september 2023.
4.Nader gehoor, pag. 9, 12.
5.Hiervoor vermeld in voetnoot 1 en 2.
6.Onder meer de uitspraken van deze rechtbank van 28 november 2024, ECLI:Nl:RVS:RBDHA:2024:19864, en van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 13 februari 2025, ECLI:NK:RBDHA:2025:2514.
7.Nader gehoor, pag. 9.
8.Zie bijvoorbeeld de nieuwsberichten van de NOS van 16 en 20 maart 2025 en 18, 21 en 30 april 2025 en nog steeds actuele informatie op www.nederlandwereldwijd.nl/reisadvies/jemen van 23 januari 2025.
9.Beslisnota, pag. 9.
10.Arrest van het EHRM van 28 juni 2011, zaaknrs. 8319/07 en 11449/07 (Sufi and Elmi v. The UK), 278, 282 en 283.