Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan een adres te een plaats, die was vastgesteld op €671.000 per 1 januari 2022. Hij stelde dat de waarde te hoog was en pleitte voor een waarde van €626.000. De heffingsambtenaar deed een compromisvoorstel om de waarde te verlagen naar €641.000.
Belanghebbende voerde aan dat zijn woning identiek was aan 23 andere woningen en dat de WOZ-waarde daardoor onjuist was vastgesteld, stellende dat sprake zou zijn van schending van het gelijkheidsbeginsel. De heffingsambtenaar betwistte dit en stelde dat de woningen niet nagenoeg identiek waren, mede vanwege verschillen in onderhoud en aanpassingen.
De rechtbank overwoog dat het gelijkheidsbeginsel alleen van toepassing is bij schending van de meerderheidsregel, waarbij moet worden aangetoond dat de WOZ-waarde in een meerderheid van identieke gevallen lager is vastgesteld. Belanghebbende slaagde er niet in aannemelijk te maken dat de woningen nagenoeg identiek waren, waardoor het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond op basis van de waarde van €641.000 zoals voorgesteld door de heffingsambtenaar, vernietigde de uitspraak op bezwaar en verlaagde de aanslag onroerende-zaakbelastingen dienovereenkomstig. Tevens werden de proceskosten en het griffierecht aan belanghebbende toegekend.