Overwegingen
1. Eiser stelt de Gambiaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 2000.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 29 januari 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag heeft gelegen, rechtmatig was.Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 22 januari 2025.
4. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring na een verlenging van drie maanden ex artikel 59b, derde lid, van de Vw maximaal kan voortduren tot 17 mei 2025. Eisers beroep in de asielprocedure kan pas na juni 2025 op zitting worden behandeld, zodat nu reeds voorzienbaar is dat voortzetting van de maatregel thans niet tot het daarmee beoogde doel kan leiden. Onder die omstandigheden moet de maatregel, ook gelet op het noodzakelijkheidsvereiste en het evenredigheidsbeginsel, worden opgeheven. Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat geen zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Gambia bestaat.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. De rechtbank merkt allereerst ambtshalve het volgende op. Het beroepschrift is op 10 maart 2025 ingediend. Ingevolge artikel 96, eerste lid, van de Vw sluit de rechtbank het vooronderzoek binnen een week na ontvangst van het beroepschrift. De rechtbank heeft het vooronderzoek op 17 maart 2025, dus tijdig, gesloten. Op grond van artikel 96, tweede lid, van de Vw doet de rechtbank mondeling of schriftelijk uitspraak. De schriftelijke uitspraak wordt binnen zeven dagen na de sluiting van het onderzoek gedaan. Deze termijn kan niet worden verlengd. De rechtbank constateert dat zij heeft verzuimd binnen zeven dagen na sluiting van het onderzoek uitspraak te doen. Dit betekent dat de rechtbank de termijn van zeven dagen zal overschrijden.
6. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding niet maakt dat voortduring van de maatregel hiermee onrechtmatig is. De overschrijding van de termijn van artikel 96, eerste lid, van de Vw is in dit geval geheel aan de rechtbank toe te rekenen. De rechtbank is echter van oordeel dat de in artikel 96 van de Vw genoemde termijnen op zichzelf niet fataal zijn.De onderhavige overschrijding raakt de belangen van eiser niet zodanig dat gesteld moet worden dat diens belang bij opheffing van de bewaring als gevolg van de overschrijding moet prevaleren bij het belang van verweerder bij voortduring van de maatregel. Hierbij is van belang dat sprake is van een voortvarende beslissing als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van het EVRM, omdat de rechtbank uitgaat van een periode van 18 dagen tussen het instellen van het beroep en de uitspraak bij een zaak van geringe complexiteit.Dit betekent dat eiser als gevolg van de termijnoverschrijding niet in zijn belangen is geschaad.
7. Op grond van artikel 39 van de Vw dient verweerder, indien hij voornemens is om de asielaanvraag af te wijzen, onder opgave van redenen, hiervan mededeling te doen aan de vreemdeling. Op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw kan de maatregel worden verlengd met ten hoogste drie maanden.
8. Op 18 februari 2025 heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond en is in datzelfde besluit de bewaring van eiser op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw met ten hoogste drie maanden verlengd, zo blijkt uit eisers reactie op de voortgangsrapportage. Eiser heeft tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag beroep ingesteld en een voorlopige voorziening gevraagd. Het is de rechtbank niet gebleken dat daarop uitspraak is gedaan, zodat eiser geacht moet worden rechtmatig verblijf te hebben hangende zijn beroep.De rechtbank concludeert uit het voorgaande dat de bewaring van eiser op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vw in beginsel mag voortduren tot 18 mei 2025 en op dit moment niet onrechtmatig is. Verweerder is immers gehouden om de maatregel van bewaring pas op 18 mei 2025 op te heffen, nu de termijn van verlenging op deze datum ten einde loopt.
9. Zoals in rechtsoverweging 6 is vastgesteld, heeft eiser rechtmatig verblijf hangende zijn beroep. Er is dan ook geen aanleiding om het zicht op uitzetting te beoordelen. De bewaring is immers niet gericht op terugkeer naar het land van herkomst zodat het zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor deze maatregel. Zolang eiser rechtmatig verblijf heeft in verband met zijn lopende asielprocedure, is er voor verweerder geen aanleiding om actief aan het vertrek van eiser te werken.
10. Met inachtneming van de ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.