Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Inleiding
Overwegingen
Standpunten eiser
Rechtbank Den Haag
Eiser, met de Algerijnse nationaliteit, maakt bezwaar tegen het voortduren van zijn maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelt dat het zicht op uitzetting ontbreekt omdat de Algerijnse autoriteiten niet reageren op de laissez-passer aanvraag die sinds 2 augustus 2024 loopt.
De rechtbank toetst of sinds 6 december 2024 de maatregel rechtmatig is. Uit de overgelegde cijfers blijkt dat er in 2024 meerdere laissez-passer zijn aangevraagd en uitzettingen naar Algerije hebben plaatsgevonden. De rechtbank oordeelt dat het ontbreken van een reactie van de Algerijnse autoriteiten niet betekent dat het zicht op uitzetting ontbreekt.
Daarnaast rust op eiser de verplichting om actief mee te werken aan zijn uitzetting. De rechtbank constateert dat eiser geen eigen inspanningen verricht en een afwachtende houding aanneemt. De minister werkt voldoende voortvarend door onder meer het voeren van vertrekgesprekken en het rappelleren op de lp-aanvraag.
De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.