Eiseres diende op 20 januari 2024 een asielaanvraag in. Verweerder stelde dat de beslistermijn met negen maanden was verlengd op grond van WBV 2023/26, waardoor hij tot 20 april 2025 de tijd had om te beslissen. Eiseres stelde echter dat deze verlenging niet rechtsgeldig was, omdat niet voldaan was aan de voorwaarden van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000.
De rechtbank overwoog dat de verlenging van de beslistermijn gebaseerd was op structurele achterstanden en groeiende voorraden bij de IND, wat volgens eerdere uitspraken geen geldige grond is voor verlenging. De rechtbank volgde de lijn van eerdere uitspraken en het voorlopige oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het Hof van Justitie van de Europese Unie.
De rechtbank concludeerde dat verweerder uiterlijk op 20 juli 2024 een besluit had moeten nemen, hetgeen niet is gebeurd. Daarom is de ingebrekestelling van 4 september 2024 geldig en is het beroep gegrond. De rechtbank legt een termijn van zestien weken op voor het nemen van een besluit en een dwangsom van €100 per dag bij overschrijding, met een maximum van €7.500. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiseres.