Eiser heeft een opvolgende asielaanvraag ingediend op basis van zijn homoseksuele gerichtheid, nadat eerdere aanvragen waren afgewezen wegens gebrek aan geloofwaardigheid van zijn verklaringen. De minister wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond en legde tevens een inreisverbod op.
De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende gemotiveerd heeft waarom hij de verklaringen van eiser over zijn seksuele gerichtheid niet geloofwaardig acht. De minister heeft de verklaringen van derden, waaronder van een lhbti-organisatie en de partner van eiser, onvoldoende betrokken in zijn integrale beoordeling. Daarnaast is niet aannemelijk gemaakt dat de tegenstrijdigheden in de verklaringen van eiser zwaarwegend zijn.
De rechtbank vernietigt het besluit en draagt de minister op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister in de proceskosten van eiser.