ECLI:NL:RBDHA:2025:3265
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
De rechtbank Den Haag beoordeelt het beroep van eiser tegen het besluit van de Minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Polen verantwoordelijk is op grond van de Dublinverordening.
Eiser stelt dat de standaardtekstblokken in het besluit het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel schenden en dat hij bijzondere individuele omstandigheden heeft, zoals gedwongen afname van vingerafdrukken, taalbarrière, onveilige situatie vanwege huidskleur, en ernstige materiële deprivatie in Polen. Hij vreest onrechtmatige detentie en pushbacks in Polen, in strijd met artikel 3 EVRM Pro. Tevens beroept hij zich op artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
De rechtbank overweegt dat het voornemen een voorbereidingshandeling is en dat het bestreden besluit voldoende gemotiveerd is. Het interstatelijke vertrouwensbeginsel geldt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat het asiel- en opvangsysteem in Polen ernstige tekortkomingen vertoont. Eiser slaagt er niet in deze hoge drempel te bereiken. Zijn individuele omstandigheden zijn onvoldoende onderbouwd en rechtvaardigen geen afwijking van het vertrouwensbeginsel of toepassing van artikel 17.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep kennelijk ongegrond en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen.