ECLI:NL:RBDHA:2025:27195

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
NL25.7995
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 VisumcodeArt. 67-73 HvJ EU Koushkaki
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visum kort verblijf wegens twijfel over tijdige terugkeer naar Marokko

Eiseres heeft een visum kort verblijf aangevraagd om haar echtgenoot in Nederland te bezoeken. De minister wees de aanvraag af wegens onvoldoende aantoonbare sociale en economische binding met Marokko en redelijke twijfel over haar terugkeerintentie.

De rechtbank overweegt dat de minister een ruime beoordelingsmarge heeft bij het toetsen van de visumaanvraag en dat de weigeringsgronden van artikel 32 van Pro de Visumcode afzonderlijk voldoende zijn voor afwijzing. Eiseres voerde aan dat zij een sterke sociale en economische binding met Marokko heeft en dat haar aanvraag te streng werd beoordeeld.

De rechtbank oordeelt echter dat de minister terecht twijfelt aan de binding van eiseres met Marokko, mede omdat haar echtgenoot in Nederland woont, zij geen gezin in Marokko heeft en onvoldoende bewijs leverde dat haar zwager de zorg voor haar schoonmoeder niet kan overnemen. Ook haar economische binding is gering, aangezien zij geen betaald werk heeft en financiële steun van haar echtgenoot niet aan Marokko bindt.

Verder is geoordeeld dat de minister terecht heeft afgezien van een hoorzitting in bezwaar, omdat geen nieuwe feiten zijn aangevoerd die tot een ander besluit zouden kunnen leiden. Het beroep wordt ongegrond verklaard, de afwijzing van het visum blijft in stand en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard en de afwijzing blijft in stand.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.7995
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. Y. Mateo Diaz),
en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. E.E.G.N. van der Meulen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag van 22 juli 2024 tot het verlenen van een visum kort verblijf.
1.1.
De minister heeft de aanvraag tot het verlenen van een visum kort verblijf met het besluit van 14 augustus 2024 (primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 januari 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
1.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [referent] (referent), de gemachtigde van eiseres, B. Badhouri als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft een visum voor kort verblijf aangevraagd om haar echtgenoot
[referent] (de referent in deze procedure) te bezoeken.
3. De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat eiseres volgens hem het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond. Verder bestaat er volgens de minister redelijke twijfel over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum, omdat niet is gebleken van (voldoende) sociale en economische binding met Marokko. In het verweerschrift en op de zitting heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat ook aan eiseres is tegengeworpen dat zij niet heeft aangetoond dat zij
over voldoende middelen beschikt (om haar verblijf in Nederland en de terugreis te bekostigen). Volgens de minister is er dus niet voldaan aan de voorwaarden in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder ii en iii, en onder b, van de Visumcode.
Mocht de minister de visumaanvraag afwijzen?
4. De rechtbank overweegt als volgt. De weigeringsgronden die zijn opgenomen in artikel 32, eerste lid, van de Visumcode zijn ieder afzonderlijk voldoende om een visum te weigeren. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (zie bijvoorbeeld het arrest Koushkaki1) beschikt de minister over een ruime beoordelingsmarge bij de beoordeling van de relevante feiten om te bepalen of één van deze weigeringsgronden van toepassing is. De rechter kan het besluit van de minister hierover daarom slechts terughoudend toetsen. Uit het arrest Koushkaki, punten 67-73, volgt ook dat de verplichting van de autoriteiten van de lidstaten tot het afgeven van een visum veronderstelt dat er geen redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om tijdig terug te keren. Bij de beoordeling of die twijfel bestaat, dienen de autoriteiten rekening te houden met enerzijds de algemene situatie in het land van de aanvrager en anderzijds zijn persoonlijke omstandigheden, met name zijn gezins-, sociale en economische situatie, eventuele eerdere (il)legale verblijven in de lidstaten en de banden met het land waarin hij woont en in de lidstaten. Het is aan de visumaanvrager om informatie te verstrekken die de twijfel kan wegnemen.2
5. De rechtbank oordeelt dat de minister het visum voor kort verblijf heeft mogen weigeren op de grond dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Twijfel over tijdige terugkeer
6. Eiseres stelt dat de minister ten onrechte twijfelt over haar voornemen om tijdig terug te keren. Over de sociale binding voert eiseres aan dat zij haar hele leven in Marokko heeft gewoond en samen met haar zwager voor haar schoonmoeder zorgt. Haar zwager kan weliswaar tijdelijk de zorg op zich nemen, maar kan vanwege zijn werk niet de volledige zorg dragen. Verder heeft zij geen migratieverleden en geen intentie om zich in Nederland te vestigen. Ook heeft de minister ten onrechte aan haar tegengeworpen dat haar echtgenoot in Nederland woont. Eiseres en referent zijn namelijk een langeafstandsrelatie overeengekomen: zij leven elk in hun eigen land, en geven invulling aan hun huwelijk door bezoeken. Dat zij haar echtgenoot wil bezoeken, maakt de binding met Marokko niet minder sterk. Over de economische binding voert eiseres aan dat zij in Marokko verankerd is, mede door haar eigendommen en een sociaal netwerk. Zij heeft spaargeld, verkoopt schapen en ontvangt geld van referent. Eiseres wijst erop dat uit de rechtspraak volgt dat de minister de sociale en economische binding in samenhang dient te beoordelen. Ook blijkt uit het arrest Koushkaki dat het verkrijgen van zekerheid omtrent het voornemen om tijdig terug te keren geen voorwaarde is. De minister dient enkel te beoordelen of sprake is van redelijke twijfel.
1. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862, Koushkaki tegen Duitsland.
2 R.o. 67-73.
Eiseres verwijst naar verschillende uitspraken.3 Volgens eiseres heeft de minister haar aanvraag te streng beoordeeld.
7. De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat geen sprake is van een zodanige sociale binding met Marokko dat tijdige terugkeer gewaarborgd is. Eiseres heeft geen gezin in Marokko, en haar echtgenoot verblijft in Nederland. Dat de ouders en broers en zussen van eiseres in Marokko verblijven, mocht de minister tegen die achtergrond onvoldoende vinden. Verder mocht de minister tegenwerpen dat, ook als wordt aangenomen dat eiseres bij haar schoonmoeder woont en voor haar zorgt, zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar zwager deze zorg niet kan overnemen. De rechtbank merkt daarbij op dat referent op de zitting heeft verklaard dat eiseres voor zijn moeder zorgt met zijn broer én diens vrouw. Verder mocht de minister het opgroeien van eiseres in Marokko en haar sociale leven daar onvoldoende vinden om tijdige terugkeer te waarborgen. De minister mocht daarbij van belang vinden dat de echtgenoot van eiseres - die een belangrijk deel van haar sociale leven is - in Nederland woont.
De minister mocht ook de economische binding van eiseres met Marokko onvoldoende aangetoond vinden. Eiseres heeft bij haar visumaanvraag aangegeven dat zij geen betaald werk verricht. De minister mocht ook tegenwerpen dat uit de stukken die zij heeft overgelegd niet blijkt dat zij een regelmatig en substantieel inkomen heeft. Verder hoeft zij niet in Marokko te zijn om de financiële bijdrages van referent te ontvangen. Dat bindt haar dus ook niet met Marokko. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat de minister haar aanvraag te streng heeft beoordeeld. Zoals hiervoor is toegelicht, is zowel de sociale als de economische binding van eiseres met Marokko relatief gering. De minister mocht zich daarom, volgens de rechtspraak die is genoemd in r.o. 4, op het standpunt stellen dat er een redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om tijdig terug te keren. De beroepsgrond slaagt niet.
8. De weigeringsgrond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder ii, van de Visumcode, is al voldoende om tot afwijzing van de aanvraag te komen. De overige afwijzingsgronden behoeven daarom geen bespreking meer.
Had de minister eiseres en/of referent moeten horen?
9. Eiseres voert aan dat de minister haar verzoek om in bezwaar gehoord te worden ten onrechte heeft gepasseerd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat naarmate een vreemdeling meer inspanning levert, het minder op zijn plaats is om zonder hoorzitting te beslissen. Eiseres verwijst naar de uitspraak van 6 juli 20224. Eiseres heeft expliciet om een hoorzitting verzocht, heeft haar bezwaarschrift uitgebreid gemotiveerd en heeft aanvullende waarborgen (zoals een meldplicht en paspoortinlevering) aangeboden. De minister kon dus niet volstaan met een standaardoverweging dat het bezwaar kennelijk ongegrond is, en dat eiseres dus niet gehoord hoefde te worden.
10. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022 volgt dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de
3 Uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 19 december 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:19294, en van zittingsplaats Haarlem van 29 juni 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:6540.
bezwaarschriftprocedure en dat de vreemdeling in beginsel moet worden gehoord. De minister mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden.
11. De rechtbank is van oordeel dat de minister in dit geval van horen heeft kunnen afzien, omdat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat de gronden van bezwaar niet konden leiden tot een ander besluit. Eiseres heeft namelijk in bezwaar geen nieuwe gegevens overgelegd waaruit blijkt dat sprake was van een zodanige sociale en economische binding dat tijdige terugkeer in redelijkheid gewaarborgd was. Een mondelinge toelichting op het bezwaar had die situatie naar het oordeel van de rechtbank niet anders gemaakt. De toezegging van eiseres dat zij zich in Nederland eventueel aan maatregelen zou willen houden, betekent ook niet dat de minister haar en/of referent had moeten horen. De minister moet namelijk, aan de hand van feitelijke informatie, beoordelen of eiseres aan de voorwaarden voldoet. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en de afwijzing van haar aanvraag in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
26 november 2025

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.