AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toekenning schadevergoeding wegens onrechtmatig besluit verblijfsrecht en gevolgen voor strafrechtelijke detentie
Verzoekster, een derdelander met een minderjarig Nederlands kind, diende een aanvraag in voor verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEUPro en het arrest Chavez-Vilchez. De minister wees deze aanvraag en het bezwaar af zonder adequaat onderzoek naar de afhankelijkheidsrelatie tussen verzoekster en haar zoon. De rechtbank stelde vast dat sprake was van een onrechtmatig besluit vanwege het ontbreken van dit onderzoek.
Als gevolg van het onrechtmatige besluit verbleef verzoekster langer in strafrechtelijke detentie zonder in aanmerking te komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling, wat leidde tot schade. De rechtbank oordeelde dat het causale verband tussen het onrechtmatige besluit en de schade was aangetoond en dat ook aan het relativiteitsvereiste werd voldaan, mede vanwege het belang van het familie- en gezinsleven.
De rechtbank wees het verzoek om schadevergoeding toe en stelde de hoogte vast op €17.900,00, gebaseerd op forfaitaire dagbedragen voor onrechtmatige vrijheidsontneming. Tevens werd de minister veroordeeld in de proceskosten van verzoekster ter hoogte van €1.814,00. Eigen schuld werd niet aangenomen omdat verzoekster voldoende had gedaan binnen de mogelijkheden.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding toe en veroordeelt de minister tot betaling van €17.900,00 schadevergoeding en €1.814,00 proceskosten.
Uitspraak
RECTIFICATIE D.D. 29 JANUARI 2026 IN VERBAND MET CORRIGEREN HOOGTE VAN DE PROCESKOSTENVERGOEDING OP PAGINA 16 EN 17
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 23/4546
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoekster], V-nummer: [V-nummer], verzoekster
(gemachtigde: mr. E.J.L. van de Glind),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] , verweerder (de minister)
(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster de minister te veroordelen tot vergoeding van schade. Zij voert daartoe een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de rechtbank het verzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verzoekster recht heeft op een schadevergoeding. Verzoekster krijgt dus gelijk en het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staat de grondslag van het verzoek tot schadevergoeding. Onder 4 en 5 staan de van belang zijnde feiten, historie en een beschrijving van de verblijfsrechtelijke procedure(s) van verzoekster. Het beoordelingskader is opgenomen onder 6. Daarna volgt de beoordeling door de rechtbank. Daarbij gaat de rechtbank in op haar bevoegdheid (onder 7), het onrechtmatige overheidsbesluit (onder 8), het causaliteitsvereiste (onder 9), het relativiteitsvereiste (onder 10), de aard en omvang van de schade (onder 12) en de eigen schuld (onder 13). Aan het einde staat de conclusie van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Op 21 september 2022 en 30 januari 2023 heeft verzoekster de minister verzocht de door haar geleden schade te erkennen en te vergoeden, bestaande uit het niet in aanmerking komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling en het daardoor langer ondergaan van strafrechtelijke detentie als gevolg van een onrechtmatig besluit.
2.1.
In verband met het uitblijven van een beslissing op bovenstaande verzoeken heeft verzoekster een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank, die op 21 april 2023 is ontvangen.
2.2.
Bij bericht van 3 januari 2024 heeft de rechtbank de minister verzocht om een verweerschrift in te dienen. Op 22 januari 2024 heeft de minister aan de rechtbank laten weten dat de minister voornemens is om in de zaak van verzoekster een besluit te nemen, maar dat de minister hier meer tijd voor nodig heeft. De rechtbank heeft het verzoek om uitstel voor het indienen van een verweerschrift vervolgens gehonoreerd.
2.3.
Bij besluit van 22 februari 2024 heeft de minister het verzoek van verzoekster afgewezen, omdat volgens de minister niet wordt voldaan aan alle voorwaarden om in aanmerking te komen voor een schadevergoeding.
2.4.
De minister heeft op 24 september 2025 een verweerschrift ingediend.
2.5.
De rechtbank heeft het verzoekschrift op 26 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
De grondslag van het verzoek tot schadevergoeding
3. Verzoekster stelt schade te hebben geleden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Volgens verzoekster heeft de minister namelijk ten onrechte bepaald dat zij onrechtmatig vreemdeling was. Hierdoor heeft zij langer strafrechtelijke detentie ondergaan, te weten een periode van 179 dagen (van 18 december 2020 tot en met 14 juni 2021), omdat zij niet in aanmerking kwam voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Ter zitting heeft verzoekster benadrukt dat zij hierdoor tijd heeft verloren die ze met haar zoon had kunnen doorbrengen, wat voor zowel verzoekster als haar zoon erg zwaar is geweest. Verzoekster is van mening dat iemand hier verantwoordelijkheid voor moet nemen en vindt daarom dat de minister moet worden veroordeeld tot het vergoeden van deze schade. In tegenstelling tot wat de minister hiervan vindt wordt volgens verzoekster wel voldaan aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een schadevergoeding.
Feiten en historie
4. Verzoekster is geboren op [geboortedatum] 1979 en heeft de Surinaamse nationaliteit.
4.1.
Verzoekster heeft een zoon met de Nederlandse nationaliteit, [naam zoon], geboren op [geboortedatum] 2014. Verzoekster heeft samen met haar zoon enige tijd bij [ex-partner] gewoond in België. [ex-partner] heeft de zoon van verzoekster erkend, maar is niet zijn biologische vader en heeft ook geen wettelijk gezag over hem. Verzoekster had in België verblijfsrecht bij haar minderjarige zoon. [2] In maart 2018 is verzoekster samen met haar zoon naar Suriname vertrokken. Sinds het vertrek naar Suriname heeft de zoon van verzoekster geen contact meer gehad met [ex-partner].
4.2.
Verzoekster en haar zoon zijn op 30 december 2018 teruggekeerd naar Nederland. Verzoekster is op Schiphol aangehouden op grond van verdenking van drugssmokkel en in strafrechtelijke detentie geplaatst. Bij strafvonnis van 23 april 2019 heeft verzoekster een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd gekregen voor de duur van 36 maanden, gerekend vanaf 30 december 2018.
4.3.
De zoon van verzoekster is na de aanhouding van verzoekster in een crisispleeggezin van Nidos geplaatst. Op 2 januari 2019 werd de voorlopige voogdij uitgesproken en uitgevoerd door Nidos, waarna Nidos bij uitspraak van 25 maart 2019 tot tijdelijke voogd is benoemd. Bij uitspraak van 28 oktober 2019 van de familierechter is dit tijdelijke gezag gecontinueerd en is overwogen dat vóór 2 januari 2019 alleen verzoekster belast was met het gezag. De familierechter vond het om diverse redenen niet in het belang van de zoon van verzoekster om [ex-partner] met het gezag te belasten.
4.4.
Verzoekster is op 14 juni 2021 voorwaardelijk in vrijheid gesteld. In augustus 2021 is een omgangsregeling tot stand gekomen tussen verzoekster en haar zoon en op
23 december 2021 is hij weer bij verzoekster gaan wonen. De tijdelijke voogdij van Nidos werd op 12 januari 2022 beëindigd en per die datum werd verzoekster belast met het eenhoofdige gezag over haar zoon.
De verblijfsrechtelijke procedure(s) van verzoekster
5. Verzoekster heeft, hangende haar asielaanvraag van 22 juli 2019 [3] , een aanvraag ingediend voor afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat zij verblijfsrecht kon ontlenen aan artikel 20 vanPro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) gelet op het arrest Chavez-Vilchez als verzorgende ouder van een minderjarig kind met de Nederlandse nationaliteit. [4]
5.1.
Bij besluit van 12 maart 2020 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoekster afgewezen omdat verzoekster niet voldeed aan de criteria van het arrest Chavez-Vilchez. Volgens de minister is er hooguit gebleken van beperkt contact tussen verzoekster en haar zoon, maar is niet gebleken dat verzoekster daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van haar zoon verrichtte en is geen sprake van een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat haar zoon gedwongen zou worden het grondgebied van de Europese Unie te verlaten, indien verzoekster het gevraagde verblijfsrecht geweigerd zou worden. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat verzoekster zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf uit de Opiumwet en hiervoor strafrechtelijk is veroordeeld. De daadwerkelijke dagelijkse zorg van – en het gezag over – haar zoon ligt als gevolg hiervan bij Nidos. Daarnaast is volgens de minister niet gebleken dat verzoekster betrokken is bij het leven van haar zoon, noch van een afhankelijkheidsverhouding tussen hen beiden. Ook stelt de minister dat er sprake is van een contra-indicatie op grond van de openbare orde, gelet op de strafrechtelijke veroordeling.
5.2.
Op 8 april 2020 heeft verzoekster bezwaar aangetekend tegen dit besluit.
5.3.
Bij besluit van 26 november 2020 (de beslissing op bezwaar) heeft de minister het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard, omdat verzoekster met de in bezwaar overgelegde stukken (waaronder een verklaring van Nidos) niet heeft aangetoond dat het eerdere standpunt van de minister over de daadwerkelijke zorg onjuist is. Datzelfde geldt voor het ontbreken van een afhankelijkheidsrelatie. De minister heeft er daarbij op gewezen dat verzoekster door haar strafrechtelijke detentie lange tijd niet betrokken is geweest bij het leven van haar zoon. De minister ziet ook niet in dat haar zoon mee zou moeten naar Suriname (en dus het grondgebied van de Europese Unie zou moeten verlaten), omdat hij zich ook bij [ex-partner] zou kunnen voegen voor de nodige zorg en opvoeding. Verzoekster heeft volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat dit geen optie is. De minister heeft zich tot slot op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van een onevenredige zware impact op de emotionele en geestelijke ontwikkeling van de zoon van verzoekster, indien zij zou moeten terugkeren naar haar land van herkomst.
5.4.
Op 30 december 2020 is verzoekster in beroep gegaan tegen dit besluit en heeft zij een verzoek ingediend voor het treffen van een voorlopige voorziening.
5.5.
Bij uitspraak van 8 juni 2021 heeft de rechtbank het besluit van
26 november 2020 vernietigd en de minister opgedragen opnieuw te beslissen op de aanvraag van verzoekster voor verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez. [5] Volgens de rechtbank had de minister nader onderzoek moeten doen naar de afhankelijkheidsverhouding tussen verzoekster en haar zoon. Nu de minister dit niet heeft gedaan, is sprake van een zorgvuldigheidsgebrek en kon de beslissing op bezwaar niet in stand blijven. Op dezelfde datum heeft de voorzieningenrechter na een belangenafweging het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen, wat betekende dat verzoekster diende te worden behandeld als ware zij een EU-verblijfsrecht had in Nederland totdat de minister een nieuwe beslissing op bezwaar had genomen. [6]
5.6.
Op 10 november 2021 heeft een ambtelijke hoorzitting plaatsgevonden en op
7 maart 2022 heeft de Raad voor de Kinderbescherming een rapport uitgebracht.
5.7.
Bij besluit van 17 maart 2022 is het bezwaar van verzoekster gegrond verklaard en haar aanvraag ingewilligd. In hetzelfde besluit is een verzoek om vergoeding van de proceskosten afgewezen. Verzoekster is hiertegen in beroep gegaan.
5.8.
Bij uitspraak van 1 augustus 2022 is het beroep van verzoekster gegrond verklaard en is de minister veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten. [7] Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat, omdat de minister had nagelaten onderzoek bij de Raad voor de Kinderbescherming te laten plaatsvinden voorafgaand aan het primaire besluit en door dit pas te (laten) doen naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 8 juni 2021, de nieuwe beslissing op bezwaar van 17 maart 2022 een herroeping inhoudt van het primaire besluit door een aan de minister te wijten onrechtmatigheid.
Beoordelingskader
6. Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de bestuursrechter bevoegd om op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die deze belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
6.1.
In artikel 72a van de Vw is bepaald dat artikel 8:88, eerste lid, van de Awb van overeenkomstige toepassing is op een verzoek tot vergoeding van schade die een vreemdeling lijdt als gevolg van een onrechtmatige handeling van dit bestuursorgaan ten aanzien van deze vreemdeling als zodanig. Artikel 71a van de Vw is van overeenkomstige toepassing. Daarin is bepaald dat, in afwijking van artikel 8:89, tweede lid, van de Awb, de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd is tot behandeling van een verzoek als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van deze wet. Dit betekent dat voor het afhandelen van verzoeken om schadevergoeding wegens onrechtmatig overheidshandelen in vreemdelingenzaken de vreemdelingenrechter exclusief bevoegd is gemaakt.
6.2.
Door middel van een verzoekschriftprocedure kunnen benadeelden een schadeverzoek indienen bij de bestuursrechter. [8] Voor een niet tijdens een lopende (hoger)beroepsprocedure ingediend verzoek is op grond van artikel 8:90, tweede lid, van de Awb vereist dat de benadeelde eerst bij het bestuursorgaan, minstens acht weken van tevoren, schriftelijk om vergoeding van de schade vraagt.
6.3.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) moet voor de inhoudelijke beoordeling van een zelfstandig schadeverzoekschrift aansluiting worden gezocht bij het civiele schadevergoedingsrecht. [9] Om voor vergoeding in aanmerking te komen moet aan een aantal cumulatieve voorwaarden worden voldaan. Allereerst moet sprake zijn van een schadeveroorzakend besluit. De rechtbank moet vervolgens beoordelen of het bestaan van schade in voldoende mate is onderbouwd en of die schade in een causaal verband staat tot het onrechtmatige besluit van verweerder. Dit volgt uit artikel 6:162 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW). Daarna moet worden beoordeeld of de geschonden norm strekt tot bescherming tegen de geleden schade. Dit is het zogenoemde relativiteitsvereiste. Dit volgt uit artikel 6:163 vanPro het BW. Als het voorgaande het geval is, moet worden beoordeeld hoe hoog de te vergoeden schade is, onder meer volgens de artikelen 6:96 en 6:106 van het BW, en of er aanleiding bestaat om de vergoedingsplicht te verminderen vanwege eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 vanPro het BW.
6.4.
Bij de beantwoording van de vraag of voldaan is aan het in artikel 6:163 vanPro het BW neergelegde vereiste dat de geschonden norm strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden, komt het aan op het doel en de strekking van de geschonden norm, aan de hand waarvan moet worden onderzocht tot welke personen en tot welke schade en tot welke wijzen van ontstaan van schade de daarmee beoogde bescherming zich uitstrekt. Hieruit volgt dat het bij de beantwoording van de vraag of aan het relativiteitsvereiste is voldaan, aankomt op de beoordeling van drie aspecten, te weten:
(1) het personele bereik: het gedrag moet jegens de benadeelde onrechtmatig zijn; (2) het zakelijke bereik (de soort schade): de schade zoals de benadeelde die heeft geleden moet onder het beschermingsbereik van de norm vallen; en (3) de wijze van ontstaan: de wijze waarop de schade is ontstaan moet vallen onder het beschermingsbereik van de geschonden norm. [10]
6.5.
Voor nadeel dat niet uit vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast, wat volgt uit artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW. Van de in dit artikel bedoelde aantasting in persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk of lichamelijk letsel heeft opgelopen, maar het is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan meebrengen dat de benadeelde op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Degene die zich hierop beroept, zal dit met voldoende concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders als de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW doet zich niet reeds voor bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
De bevoegdheid van de rechtbank
7. Omdat de minister vraagtekens heeft geplaatst bij de bevoegdheid van de rechtbank, stelt de rechtbank in de eerste plaats vast dat zij bevoegd is om een oordeel te geven over onderhavig verzoek van verzoekster. Dat de bestuursrechter niet bevoegd is om een schadevergoedingsplicht toe te kennen voor een gestelde onrechtmatige strafrechtelijke detentie, zoals de minister stelt, wordt in zoverre gevolgd. Echter, in deze zaak gaat het om het verzoek om schadevergoeding toe te kennen vanwege een onrechtmatig overheidsbesluit en niet vanwege een onrechtmatige strafrechtelijke detentie. Verzoekster stelt zich namelijk ook niet op het standpunt dat de strafrechtelijke detentie op zichzelf onrechtmatig was, maar dat zij als gevolg van het onrechtmatige besluit niet in aanmerking kwam voor voorwaardelijke invrijheidstelling van haar strafrechtelijke detentie. Omdat het afwijzen van de aanvraag van verzoekster voor verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez een handeling betreft ten aanzien van verzoekster in haar hoedanigheid als vreemdeling, is haar verzoek om schadevergoeding aan te merken als zelfstandig schadeverzoekschrift als bedoeld in Titel 8.4 van de Awb. Ook voldoet deze aan de indieningsvereisten die deze titel daaraan stelt, omdat zij ten minste acht weken voor het indienen van haar verzoek bij de rechtbank de minister heeft verzocht de geleden schade te verzoeken. Gelet op het voorgaande is de rechtbank bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.
Het onrechtmatige overheidsbesluit
8. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de beslissing op bezwaar van 26 november 2020 een onrechtmatig genomen besluit betreft. Dit volgt ook uit de uitspraak van 8 juni 2021 [11] en dit is later bevestigd in de uitspraak van 1 augustus 2022. [12] Dat sprake is van een onrechtmatig overheidsbesluit wordt door de minister niet betwist.
Het causaliteitsvereiste
9. Volgens verzoekster is sprake van een causaal verband tussen het onrechtmatige besluit en de geleden schade, omdat zij als onrechtmatig verklaarde vreemdeling niet in aanmerking kwam voor de regeling voorwaardelijke invrijheidstelling. Zou de minister het primaire besluit dan wel de beslissing op bezwaar niet hebben genomen, althans juist hebben beslist, dan was zij namelijk rechtmatig vreemdeling verklaard en zou zij op
18 december 2020 recht hebben gehad op voorwaardelijke invrijheidstelling. Ter zitting heeft verzoekster verklaard dat zij na de beslissing op bezwaar werd overgeplaatst naar een andere detentielocatie en dat de reclassering en alle begeleiding stopte omdat zij onrechtmatig was verklaard. Omdat deze ondergane detentie (na 18 december 2020) een direct gevolg is van het genomen besluit is verzoekster van mening dat de minister daarvoor aansprakelijk is.
9.1.
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoekster niet heeft aangetoond dat zij unierechtelijk verblijfsrecht had ten tijde van de mogelijke voorwaardelijke invrijheidstelling. Het besluit van 17 maart 2022, waarbij verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez werd toegekend, is namelijk gebaseerd op de feiten en omstandigheden zoals die op dat moment bekend waren. Omdat het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming plaatsvond na invrijheidstelling van verzoekster was volgens de minister sprake van een wezenlijk andere situatie dan daarvoor. Volgens de minister valt niet vast te stellen dat, indien de Raad voor de Kinderbescherming eerder was ingeschakeld, aan verzoekster eerder verblijfsrecht was verleend en waardoor zij rechten kon ontlenen aan de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Te meer omdat verzoekster gedurende de strafrechtelijke detentie een andere rol en omgang had met haar zoon. Omdat sprake is van een declaratoir verblijfsrecht is de minister niet bevoegd de ingangsdatum van een unierechtelijk afgeleid verblijfsrecht op verzoek van de vreemdeling vast te stellen, maar moet de minister feitelijk vaststellen vanaf welke datum dit verblijfsrecht bestaat en dat motiveren. De minister verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Afdeling van
26 juni 2024. [13] Indien een vreemdeling stelt dat er op een eerder tijdstip sprake was van een unierechtelijk verblijfsrecht, ligt de bewijslast om dat aan te tonen bij de vreemdeling. Volgens de minister heeft verzoekster niet aangetoond dat de gestelde schade wegens een onrechtmatige detentie daadwerkelijk het gevolg is van het niet eerder laten doen van nader onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming in de besluitvormingsfase. Omdat ook de voorzieningenrechter op 8 juni 2021 slechts heeft geoordeeld dat verzoekster vanaf de datum van die uitspraak moest worden behandeld alsof zij een unierechtelijk verblijfsrecht had, maar de voorzieningenrechter zich niet heeft uitgelaten over de periode daarvoor, beperkt de onrechtmatige daad van de minister zich tot schending van de zorgvuldigheidsnorm in artikel 3:2 vanPro de Awb, al dan niet in het kader van artikel 20 vanPro het VWEU, door geen nader onderzoek te doen in de besluitvormingsfase. Dat deze datum nu alsnog wordt aangekaart in dit schadevergoedingsverzoek, is volgens de minister niet de juiste weg.
9.2.
Naar het oordeel van de rechtbank wordt voldaan aan het vereiste van causaliteit. Zij vindt hiertoe het volgende van belang.
9.3.
Verzoekster is bij vonnis van 23 april 2019 veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf en haar strafrechtelijke detentie is aangevangen op 30 december 2018. Voor vrijheidsstraffen met een duur van twee jaar of meer vindt voorwaardelijke invrijheidstelling plaats wanneer twee derde van de straf is ondergaan. [14] De regeling voor voorwaardelijke invrijheidstelling is niet van toepassing in het geval van/bij vreemdelingen zonder (bestendig) rechtmatig verblijf. [15]
9.4.
Op het moment dat verzoekster in aanmerking kwam voor voorwaardelijke invrijheidstelling had zij geen (bestendig) rechtmatig verblijf doordat haar aanvraag (tot in bezwaar) was afgewezen. De rechtbank overweegt dat ingeval de minister de aanvraag van verzoekster zorgvuldig(er) in behandeling had genomen en eerder onderzoek had opgestart, er een samenloop van omstandigheden en tijdlijn had kunnen ontstaan die wel degelijk een andere (positieve) uitkomst voor haar had kunnen opleveren. De vraag of de door verzoekster geleden schade zich ook zou hebben voorgedaan als er geen sprake was geweest van een onrechtmatig besluit, kan dus niet bevestigend worden beantwoord. Volgens de rechtbank betekent het voorgaande dan ook dat wanneer de aanvraag van verzoekster niet was afgewezen op 12 maart 2020, dan wel haar bezwaar niet ongegrond was verklaard op
26 november 2020, zij op 18 december 2020 (bestendig) rechtmatig verblijf had kunnen hebben en dan was zij in aanmerking gekomen voor voorwaardelijke invrijheidstelling. De rechtbank legt vanaf rechtsoverweging 9.6 verder uit hoe zij tot dit oordeel komt.
9.5.
Het standpunt van verzoekster ter zitting dat zij ook procedureel verblijfsrecht had kunnen hebben, bijvoorbeeld als er in de bezwaarprocedure wel onderzoek was opgestart bij de Raad voor de Kinderbescherming waardoor de beslissing op bezwaar op een later moment was gevallen, en zij op grond daarvan voor voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking was gekomen, volgt de rechtbank niet. Een procedureel verblijfsrecht geeft volgens de regeling voor voorwaardelijke invrijheidstelling namelijk geen recht hierop. Zoals eerder overwogen komt alleen een (bestendig) rechtmatig verblijf voor voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking.
9.6.
De rechtbank volgt het standpunt van de minister, dat uit niets volgt dat verzoekster daadwerkelijk ook een unierechtelijk verblijfsrecht had ten tijde van het besluit in primo, de beslissing op bezwaar dan wel de mogelijke voorwaardelijke invrijheidstelling, niet. In tegenstelling tot het standpunt van de minister is de rechtbank namelijk van oordeel dat de beslissing op bezwaar van 17 maart 2022 niet (enkel) gebaseerd is op nieuwe feiten en omstandigheden die pas na het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming en na de voorwaardelijke invrijheidstelling van verzoekster op 14 juni 2021 zijn ontstaan. De rechtbank citeert uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van
“Moeder had van 2015 tot haar aanhouding in 2018 de zorg over I.”
Pagina 9
(…)
“Moeder heeft vanaf de geboorte van I. getracht de zorg over hem op zich te
pakken, dat lukte niet altijd. Moeder leek daarin tevens afhankelijk van derden,
hulpverlening en haar toenmalige partner die ze vertrouwde.”
(…)
“Zeker met de drugssmokkel heeft moeder niet voorzien in de
verantwoordelijkheid en bescherming van de toen nog vierjarige I., die toen
volledig afhankelijk was van de zorg en verzorging van moeder.”
Pagina 10
“De Raad voor de Kinderbescherming stelt vast dat er sprake is van
een afhankelijkheidsrelatie van I. met moeder. Ook in de periode dat zij in
detentie zat was die er, door de contacten tussen hen en I. wist (en hield voor
ogen) dat hij weer bij moeder zou gaan wonen.”
(…)
I. is afhankelijk van zijn moeder, hij geeft de indruk aan haar gehecht te zijn.”
(…)
“Daarnaast is er niemand anders die gezag draagt over I. op het moment dat moeder
zou vertrekken. Er zou dan sprake zijn van openstaand gezag.”
(…)
“I. is nog een erg jong kind, moeder heeft eenhoofdig gezag, er is geen andere
ouder met gezag. Moeder neemt de volledige zorgtaken over I. op zich en hij is
volledig van moeder afhankelijk. Bij vertrek van moeder uit Nederland worden
de belangen van I. ernstig geschaad.”
9.7.
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de zoon van verzoekster al voordat verzoekster op Schiphol werd gearresteerd volledig afhankelijk was (van de zorg) van verzoekster. Zoals al is besproken is niet gebleken dat [ex-partner] nog op enige wijze een rol speelt in het leven van haar zoon. Dit laatste was overigens al in januari 2019 bekend, omdat de familierechter destijds al heeft geoordeeld dat Nidos tijdelijk het gezag kreeg over de zoon van verzoekster en dat het niet in het belang van hem was om [ex-partner] met het gezag te belasten.
9.8.
Dat verzoekster gedurende haar strafrechtelijke detentie niet de feitelijke zorg over haar zoon kon dragen en dat dit werd overgenomen door Nidos en/of een pleeggezin, maakt het voorgaande niet anders. Dit was namelijk tijdelijk zolang verzoekster in strafrechtelijke detentie zat. Voorafgaand aan deze detentie en na het beëindigen ervan was en is de zoon van verzoekster volledig afhankelijk van haar en uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming volgt dat hij wist (en voor ogen hield) dat hij weer bij verzoekster zou gaan wonen. Als verzoekster geweigerd werd, zou de zoon van verzoekster als Nederlander gedwongen worden het grondgebied van Nederland en de Europese Unie als geheel te verlaten, wat volgens de Chavez-Vilchez rechtspraak reden is om verzoekster een afgeleid verblijfsrecht te geven, wat later ook gebeurd is.
9.9.
Daar komt bij dat de minister de omstandigheid dat verzoekster in strafrechtelijke detentie zat naar het oordeel van de rechtbank in haar nadeel heeft laten meewegen, door te stellen dat de situatie destijds anders was en dat dit maakt dat niet is aangetoond dat het eerder uitvoeren van onderzoek had geleid tot vaststelling van unierechtelijk verblijfsrecht. Dit terwijl uit recente rechtspraak van de Afdeling volgt dat voor het verkrijgen van een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 vanPro het VWEU, naast het bestaan van een afhankelijkheidsverhouding, niet ook moet zijn voldaan aan het vereiste dat de derdelander ouder meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken verricht voor het kind. [17] De afhankelijkheidsverhouding vormt volgens de Afdeling dus de grondslag voor het ontstaan van een afgeleid verblijfsrecht en de minister mag de vereisten hiervoor [18] niet als cumulatief uitleggen. Het standpunt van de minister, dat door het uitvoeren van zorgtaken na de voorwaardelijke invrijheidstelling van verzoekster pas een afhankelijkheidsrelatie ging ontstaan tussen verzoekster en haar zoon en dat dit uiteindelijk bepalend is geweest voor de vaststelling van het unierechtelijke verblijfsrecht, volgt de rechtbank gelet op deze uitleg van de Afdeling en de bevindingen uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming dan ook niet.
9.10.
Dat tijdens de hoorzitting nog verschillende feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen die tot dan toe niet duidelijk waren en er na de gegrondverklaring van het beroep van 8 juni 2021 nog verschillende stukken zijn overgelegd, doet aan het voorgaande volgens de rechtbank eveneens niet af. Het feit dat door het uitvoeren van het onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming pas bepaalde feiten en omstandigheden aan het licht zijn gekomen, mag naar het oordeel van de rechtbank namelijk niet meewegen in het nadeel van verzoekster. Het is ook de minister die heeft verzuimd een dergelijk onderzoek eerder op te starten en te betrekken bij de beslissing op de aanvraag van verzoekster. Het door de minister ter zitting gestelde, dat de minister na de gegrondverklaring van het beroep verzoekster bewust de tijd zou hebben gegund de omgang met haar kind vorm te geven waardoor zij steeds meer zorgtaken voor haar kind kon gaan verrichten, doet hier volgens de rechtbank niet aan af.
9.11.
Ook is niet gesteld en is het de rechtbank niet gebleken dat het eerder niet mogelijk zou zijn geweest een onderzoek op te starten bij de Raad voor de Kinderbescherming, wat de minister na de uitspraak van de rechtbank alsnog heeft gedaan. Bovendien was gedurende de besluitvormingsprocedure en voor het nemen van het primaire besluit het feitencomplex al hetzelfde als toen de beslissing op bezwaar werd genomen, te weten een derdelander ouder in strafrechtelijke detentie met een Nederlandse zoon waarvan geen andere ouder/verzorger in beeld was. Dit was namelijk al gebleken uit de uitspraak van de kinderrechter. Naar het oordeel van de rechtbank had dit op zichzelf al voldoende aanleiding moeten geven voor het doen van nader onderzoek.
9.12.
Wat betreft de vraagtekens die door de minister zijn geplaatst bij de voorwaardelijke invrijheidstelling, te weten of er wel werd voldaan aan (alle) additionele voorwaarden (naast het hebben van rechtmatig verblijf) om hiervoor in aanmerking te komen en of verzoekster daadwerkelijk een verzoek of verzoeken om voorwaardelijk in vrijheid te worden gesteld heeft ingediend, overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat naast de verblijfsstatus van verzoekster iets anders hieraan in de weg stond. Uit het ontslagbewijs van de directeur van de penitentiaire inrichting – waarin staat dat verzoekster op 14 juni 2021 uiteindelijk voorwaardelijk in vrijheid is gesteld – en de verklaringen van verzoekster ter zitting blijkt namelijk niet dat er andere redenen waren om een verzoek voor voorwaardelijke invrijheidstelling af te wijzen. Bovendien is verzoekster na de uitspraak van de voorzieningenrechter op 8 juni 2021 direct in vrijheid gesteld, wat ook niet impliceert dat er andere kwesties speelden die hieraan in de weg stonden.
9.13.
Gelet op al het voorgaande in samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat verzoekster ook op het moment van het primaire besluit en de beslissing op bezwaar een verblijfsrecht kon ontlenen op grond van het arrest Chavez-Vilchez. Dit maakt dat verzoekster door het onrechtmatige besluit niet in aanmerking kwam voor voorwaardelijke invrijheidstelling en daarmee is het causale verband gegeven tussen het onrechtmatige besluit en de geleden schade.
Het relativiteitsvereiste
10. De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de geschonden norm strekt tot bescherming tegen de geleden schade. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat niet wordt voldaan aan het relativiteitsvereiste als bedoeld in artikel 6:163 vanPro het BW, omdat niet wordt voldaan aan het aspect van het zakelijke bereik en de wijze van ontstaan, zoals omschreven in de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2024. [19] Ten aanzien van het zakelijk bereik strekt de geschonden zorgvuldigheidsnorm volgens de minister, al dan niet in het kader van artikel 20 vanPro het VWEU, namelijk tot bescherming van de belangen van de minderjarige unieburger, in de zin dat hij niet wordt gedwongen de EU te verlaten als hij afhankelijk is van een derdelander in de EU, maar niet tot bescherming van het belang van die derdelander om in aanmerking te kunnen komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Het belang van de derdelander om eerder in vrijheid te kunnen worden gesteld speelt volgens de minister dan ook geen rol bij de beoordeling van de vraag of de derdelander een unierechtelijk verblijfsrecht heeft. Ten aanzien van de wijze van ontstaan is de minister van mening dat de zorgvuldigheidsnorm er niet toe strekt om te voorkomen dat schade ontstaat als gevolg van een gestelde onterechte verblijfsweigering, maar om te waarborgen dat besluiten op zorgvuldige wijze worden voorbereid. Met andere woorden: de rechtbank heeft eerder geoordeeld dat de minister nader onderzoek had moeten (laten) doen en niet meer dan dat. Het in een later stadium vaststellen van het verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez strekt volgens de minister dan ook niet tot bescherming tegen de niet in voorwaardelijke invrijheidstelling uit strafrechtelijke detentie van verzoekster.
10.1.
Naar het oordeel van de rechtbank wordt ook voldaan aan het vereiste van relativiteit. Zij overweegt hiertoe als volgt.
10.2.
De rechtbank wenst in de eerste plaats te benadrukken dat zij zich bewust is van het feit dat de zaak van verzoekster een bijzondere en wellicht ook wel unieke samenloop van omstandigheden betreft die voor zowel verzoekster als haar zoon zeer ongelukkig heeft uitgepakt. Hierdoor is geen sprake van een ‘textbook case’ als het gaat om verzoeken om schadevergoeding (in het vreemdelingenrecht). Dit maakt ook dat volgens de rechtbank juist extra zorgvuldig moet worden gekeken naar alle feiten en omstandigheden en de in deze zaak met elkaar samenhangende belangen, van zowel verzoekster als haar zoon. Mede gelet op het algemene belang van het kind als bedoeld in artikel 3 vanPro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) kunnen deze belangen in de ogen van de rechtbank niet los van elkaar worden gezien. De rechtbank sluit hiermee aan bij de uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 juni 2021, waarbij de strafrechtelijke detentie en de daaraan gelieerde privileges bij rechtmatig verblijf (te weten de voorwaardelijke invrijheidstelling) als omstandigheden aanleiding gaven om het belang van verzoekster zwaarder te laten wegen dan het belang van de minister.
10.3.
De rechtbank overweegt vervolgens dat de minister terecht heeft aangehaald dat de geschonden zorgvuldigheidsnorm strekt tot bescherming van de belangen van de minderjarige unieburger, in die zin dat hij niet wordt gedwongen de EU te verlaten als hij afhankelijk is van een derdelander in de EU. De minister onderkent daarmee echter niet dat door het schenden van de zorgvuldigheidsnorm deze minderjarige unieburger, in dit geval de zoon van verzoekster, ook voor langere tijd in onzekerheid verkeerde over of hij al dan niet in Nederland mocht blijven wonen met zijn moeder, omdat het al die tijd onduidelijk bleef of zij (bestendig) rechtmatig verblijf toegekend kreeg, terwijl zij hier – zo bleek later – wel recht op had. Zoals eerder is overwogen liet door het schenden van de zorgvuldigheidsnorm het erkennen van (bestendig) rechtmatig verblijf op grond van het arrest Chavez-Vilchez namelijk langer dan nodig was op zich wachten, waardoor verzoekster niet in aanmerking kwam voor voorwaardelijke invrijheidstelling en haar zoon, die afhankelijk van haar was, langer in een pleeggezin moest verblijven. Het te beschermen belang van de geschonden zorgvuldigheidsnorm is naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval dan ook niet enkel gelegen in de bescherming van de minderjarige unieburger om niet gedwongen te worden de EU te verlaten, maar ook in het belang van de betrokken derdelander ouder om (bestendig) rechtmatig verblijf te krijgen om zo voor de minderjarige unieburger te kunnen zorgen. Enkel door het verkrijgen van dit verblijfsrecht wordt een gedwongen vertrek van de minderjarige unieburger namelijk voorkomen. Naar het oordeel van de rechtbank staan beide belangen in het onderhavige geval in zo’n sterk verband met elkaar dat deze niet los van elkaar kunnen worden gezien. Dit betekent dat het belang van verzoekster en het belang van haar minderjarige zoon onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden en in elkaar doorwerken. Door de zorgvuldigheidsnorm te schenden en daarmee onzorgvuldig te handelen in de besluitvormings- en bezwaarschriftprocedure werd dan ook niet alleen de zoon van verzoekster in zijn belangen geschaad, maar ook verzoekster zelf.
10.4.
In aanvulling op het voorgaande overweegt de rechtbank dat de schending van de belangen van verzoekster en haar zoon in deze zaak niet enkel ligt in het niet (tijdig) toekennen van verblijfsrecht en/of het voorkomen van gedwongen uitzetting, maar ook in het in staat stellen van het (ten volste) uitoefenen van het familie- en gezinsleven. Te meer nu het gaat om een type verblijfsrecht dat volledig is gestoeld op een voor rechtmatig verblijf in aanmerking komende familie-/gezinsband, te weten de relatie tussen de minderjarige unieburger en zijn derdelander ouder van wie hij volledig afhankelijk is. Dit betekent in de ogen van de rechtbank dat het te beschermen belang niet enkel moet worden uitgelegd als een belang dat is verbonden aan de verblijfsstatus van de vreemdeling(en), maar ook aan de hieruit voortvloeiende rechten. Een dergelijke verblijfsvergunning strekt volgens de rechtbank dan ook evident tot bescherming van het familie- en gezinsleven van zowel verzoekster als haar zoon in Nederland. Door het onnodig langer laten duren van de verblijfsrechtelijke procedure van verzoekster, konden verzoekster en haar zoon hun familie- en gezinsleven in Nederland dan ook niet (volledig) uitoefenen.
10.5.
De rechtbank heeft in het kader van de causaliteit eerder al overwogen dat, omdat verzoekster geen of te laat (bestendig) rechtmatig verblijf werd toegekend, zij niet in aanmerking kwam voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank niet alleen dat zij in haar persoon werd aangetast, doordat zij langer in strafrechtelijke detentie moest doorbrengen, maar ook dat zij werd belemmerd in het uitoefenen van haar wettelijke taak als (enige) ouder en verzorger van haar minderjarige zoon, dat pas na de voorwaardelijke invrijheidstelling op 14 juni 2021 (onder toezicht van Nidos) weer in stappen kon worden opgebouwd. Doordat verzoekster niet in aanmerking kwam voor voorwaardelijke invrijheidstelling woonde haar zoon dus noodgedwongen voor langere tijd, onder toezicht van Nidos, in een pleeggezin. Dit maakt dat verzoekster haar familie- en gezinsleven met haar zoon niet dan wel slechts in beperkte mate, vanuit de strafrechtelijke detentie, kon uitoefenen. Het niet in aanmerking komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling houdt naar het oordeel van de rechtbank in geval van verzoekster dan ook wel degelijk verband met het niet rechtmatig in Nederland kunnen verblijven.
10.6.
De rechtbank vindt in dit verband ook van belang dat de strafrechtelijke detentie van verzoekster al een gegeven was bij de aanvang van haar verblijfsrechtelijke procedure(s) en niet pas op een later moment is ontstaan, waardoor dit bij de minister bekend was. Gebleken is ook dat de minister de strafrechtelijke detentie van verzoekster wel degelijk een rol heeft laten spelen in de besluitvorming, zowel bij het primaire besluit als bij de beslissing op bezwaar, namelijk in de vraag of voldoende sprake was van feitelijke zorg en een afhankelijkheidsrelatie tussen verzoekster en haar zoon, terwijl verzoekster aan deze situatie op dat moment niets kon veranderen. Dit betekent dat de strafrechtelijke detentie en de daarmee samenhangende voorwaardelijke invrijheidstelling, als het gaat om de vraag tot bescherming van welke belangen de geschonden zorgvuldigheidsnorm strekt, naar het oordeel van de rechtbank niet in zijn geheel los kunnen worden gezien van het verblijfsrecht van verzoekster en haar zoon en in het verlengde daarvan het verzoek om schadevergoeding van verzoekster. Door het niet in aanmerking komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling heeft verzoekster schade geleden, waarover meer in rechtsoverweging 12 e.v. Op basis van de vastgestelde gang van zaken in de verblijfsrechtelijke procedure(s) van verzoekster kan de rechtbank niet anders dan tot de conclusie komen dat de minister met deze belangen onvoldoende rekening heeft gehouden.
10.7.
Samenvattend overweegt de rechtbank dat door het schenden van de zorgvuldigheidsnorm te laat werd erkend dat aan verzoekster unierechtelijk verblijfsrecht toekwam (en haar minderjarige zoon daarmee de EU niet hoefde te verlaten), waardoor zij niet in aanmerking kwam voor voorwaardelijke invrijheidstelling en hierdoor haar verblijfsrecht en het daarmee samenhangende recht op bescherming van het familie- en gezinsleven niet kon uitoefenen. Het belang van verzoekster om in Nederland rechtmatig te kunnen verblijven en zodoende haar familie- en gezinsleven met haar zoon te kunnen uitoefenen, is een belang waarmee de minister bij het nemen van een beslissing op de aanvraag voor verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez rekening diende te houden. De door de minister met de beslissing op bezwaar van 26 november 2020 geschonden norm strekt dan ook mede tot bescherming van dit (niet-vermogensrechtelijke) belang. Naar het oordeel van de rechtbank staat het relativiteitsvereiste gelet op het voorgaande niet in de weg aan het vergoeden van de door verzoekster geleden schade.
Tussenconclusie
11. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat aan de cumulatieve voorwaarden (zoals genoemd in rechtsoverweging 6.3) is voldaan. Er is sprake van een schadeveroorzakend besluit, het bestaan van schade is in voldoende mate onderbouwd, de schade staat in causaal verband tot het onrechtmatige besluit van de minister en ook aan het relativiteitsvereiste is voldaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het verzoek van verzoekster voor toewijzing in aanmerking komt. Hierna zal de rechtbank de hoogte van de schade beoordelen en of er aanleiding bestaat om de vergoedingsplicht te verminderen vanwege eigen schuld.
De aard en omvang van de schade
12. Verzoekster heeft verzocht om schadevergoeding voor de periode dat zij langer in strafrechtelijke detentie verbleef, te weten de periode van 18 december 2020 tot en met
14 juni 2021. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verzoekster voldoende geconcretiseerd dat zij schade heeft geleden en waar de door haar geleden schade uit bestaat, doordat zij niet in aanmerking kwam voor voorwaardelijke invrijheidstelling vanuit de strafrechtelijke detentie. Hiermee is volgens de rechtbank namelijk sprake van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW. Voor de hoogte van de schade heeft verzoekster aansluiting gezocht bij de regeling schadevergoedingen inzake onterecht ondergane voorlopige hechtenis van artikel 544 vanPro het WvSv (de rechtbank begrijpt artikel 533 vanPro het WvSv). Volgens deze regeling is er sprake van een schadebedrag dat forfaitair is vastgesteld op €100,00 per dag.
12.1.
De rechtbank is van oordeel dat verzoekster met het voorgaande haar schade voldoende heeft onderbouwd. De rechtbank vindt hiertoe van belang dat bij verzoeken om schadevergoeding in verband met onrechtmatige vrijheidsontnemende maatregelen, zoals bijvoorbeeld een onrechtmatige vreemdelingenbewaring, ook aansluiting wordt gezocht bij de vastgestelde normbedragen in de strafsector. [20] In de Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken als bijgewerkt in oktober 2025 wordt als schadevergoeding bij vrijheidsbeneming bij verblijf in een huis van bewaring € 100,00 per dag genoemd. [21] De periode 18 december 2020 tot en met 14 juni 2021 bedraagt 179 dagen. Dit betekent dat verzoekster een bedrag aan schadevergoeding toekomt van 179 dagen maal €100,00 per dag, te weten €17.900,00.
12.2.
Verzoekster heeft daarnaast verzocht om een vergoeding van de kosten voor het inschakelen van beroepsmatige rechtsbijstand. De rechtbank oordeelt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat vergoeding voor kosten voor rechtshulp slechts met toepassing van artikel 8:75 vanPro de Awb kan plaatsvinden. [22] Gelet op het limitatieve en forfaitaire karakter van de exclusieve regeling van de proceskostenveroordeling is voor een aanvullende vergoeding van proceskosten langs de weg van artikel 8:88 vanPro de Awb geen plaats. Verzoekster kan dus geen aanspraak maken op een (aanvullende) vergoeding voor de kosten die zij heeft gemaakt voor de beroepsmatige rechtsbijstand.
Eigen schuld
13. De minister heeft zich in de laatste plaats op het standpunt gesteld dat verzoekster niet schadebeperkend heeft gehandeld. Zo is niet gebleken dat zij tijdens haar strafrechtelijke detentie de minister van Veiligheid en Justitie en/of de directeur van de penitentiaire inrichting heeft verzocht om nader onderzoek te doen naar haar verblijfsrecht. Ook is niet gebleken dat verzoekster na het primaire besluit bij (spoed) voorlopige voorziening heeft verzocht te bepalen dat ze een unierechtelijk verblijfsrecht had hangende de bezwaarfase, zoals in de uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 juni 2021 uiteindelijk is gedaan. Wat betreft de periode na de beslissing op bezwaar is het de minister niet te verwijten dat de rechtbank niet eerder dan bij deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening heeft beslist. Het had volgens de minister op de weg van verzoekster gelegen om dit verzoek met spoed te doen, indien ze van mening was dat ze daardoor wellicht eerder in aanmerking kwam voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Ook is niet gebleken dat door middel van een verzoekschriftprocedure als bedoeld in artikel 533 inPro samenhang met artikel 530 vanPro het WvSv een verzoek tot schadevergoeding wegens onrechtmatige detentie is ingediend.
13.1.
De rechtbank stelt zich gelet op het voorgaande voor de vraag of er aanleiding bestaat om de schadevergoedingsplicht van de minister te verminderen vanwege eigen schuld. Zij beantwoordt deze vraag niet bevestigend en legt hieronder uit waarom.
13.2.
De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat een verzoekschriftprocedure als bedoeld in artikel 533 inPro samenhang met artikel 530 vanPro het WvSv in geval van verzoekster niet aan de orde is, omdat eerder al is overwogen dat niet is gebleken dat de strafrechtelijke detentie op zichzelf onrechtmatig is geweest. Dat verzoekster ook gebruik had kunnen of moeten maken van een andere verzoekschriftprocedure naast dan wel in plaats van deze procedure, is volgens de rechtbank voor deze zaak dan ook niet aan de orde.
13.3.
Vervolgens kan verzoekster volgens de rechtbank niet worden verweten dat zij elders geen verzoek heeft ingediend om haar unierechtelijk verblijfsrecht vast te stellen, nu voor zover bekend bij de rechtbank de minister van Asiel en Migratie exclusief bevoegd is om een dergelijk verblijfsrecht vast te stellen en rechtmatig verblijf toe te kennen. Bovendien heeft verzoekster ter zitting benadrukt dat de directeur van de penitentiaire inrichting gebonden was aan de ‘blokkade’ van haar onrechtmatige verblijf en dat er vanuit de minister geen duidelijkheid kwam over hoe verder kon worden gehandeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in dit geval onvoldoende onderbouwd dat dit voor verzoekster een mogelijkheid zou zijn (geweest). Dat de minister van Veiligheid en Justitie en/of de directeur van de penitentiaire inrichting, naast de al bij de minister van Asiel en Migratie hangende bezwaarschriftprocedure, eigen onderzoek hadden kunnen of moeten verrichten als verzoekster hierom had verzocht, volgt de rechtbank dan ook niet.
13.4.
Over de door verzoekster verzochte voorlopige voorziening overweegt de rechtbank dat verzoekster meteen beroep heeft ingesteld en om een voorlopige voorziening heeft verzocht. Verzoekster heeft dit eerder ook niet kunnen doen, omdat de beslissing op bezwaar op 26 november 2020 werd genomen en zij op dat moment nog niet voor voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking kwam (dit volgde enkele weken later). Verzoekster heeft bovendien, zoals blijkt uit het dossier, meerdere malen (aanvullende) informatie ingediend en verzocht om zo spoedig mogelijk uitspraak te doen. Daarbij heeft verzoekster ter zitting aan de orde gesteld dat uit het dossier van de rechtbank is gebleken dat er vertraging is opgelopen in de behandeling van het verzoek. Zo stond aanvankelijk een zitting gepland op 16 april 2021, die tot een nader te bepalen datum werd uitgesteld. Ook is het onderzoek ter zitting aangevangen op 4 mei 2021, maar vervolgens enige tijd aangehouden om de minister in de gelegenheid te stellen aan te tonen dat het inreisverbod daadwerkelijk aan verzoekster was uitgereikt. Naar het oordeel van de rechtbank valt deze vertraging niet aan verzoekster te wijten. Het is de rechtbank gelet op het voorgaande niet gebleken wat zij nog meer had kunnen doen.
13.5.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen reden om het bedrag aan schadevergoeding te verminderen vanwege eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 vanPro het BW.
Conclusie en gevolgen
14. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding (gedeeltelijk) toe en veroordeelt de minister tot het betalen van een schadevergoeding aan verzoekster van
€ 17.900,00.
14.1.
De rechtbank veroordeelt de minister (deels) in de door verzoekster gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 1.814,00 (na rectificatie d.d. 29 januari 2026)(één punt voor het indienen van het verzoekschrift als bedoeld in artikel 8:90, eerste lid en artikel 8:91 vanPro de Awb en één punt voor het verschijnen ter zitting), met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek van verzoekster om schadevergoeding toe;
- veroordeelt de minister tot vergoeding van de schade tot een bedrag van € 17.900,00;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.814,00 (na rectificatie d.d. 29 januari 2026)
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.D. Kock, rechter, in aanwezigheid van mr. D. Janssens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 3 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 3 december 2025.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
2.Dit verblijfsrecht, een zogenoemde F-kaart, is in juli 2019 door de Belgische autoriteiten ongeldig verklaard, nadat verzoekster was uitgeschreven uit het Belgische Rijksregister.
3.Verzoekster heeft aanvankelijk een aanvraag ingediend voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die in de eerste plaats niet-ontvankelijk en later kennelijk ongegrond is verklaard. Ook zijn aan verzoekster een terugkeerbesluit en een inreisverbod opgelegd, die bij de latere toekenning van het verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez weer zijn ingetrokken. De inhoud van deze asielrechtelijke verblijfsprocedure behoeft voor deze uitspraak geen verdere bespreking.
4.Arrest Chavez-Vilchez van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354. Daarvan is sprake als een onderdaan van een derde land het recht wordt ontzegd te verblijven in een lidstaat waar zijn minderjarige kind, dat de nationaliteit heeft van die lidstaat, verblijft, als gevolg waarvan het betrokken kind gedwongen wordt het grondgebied van de Europese Unie te verlaten.
8.Die is beschreven in Titel 8.4 van de Awb in artikel 8:90 e.v.
9.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 25 augustus 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN4952. Meer recentelijk bevestigd door de Afdeling bij uitspraak van 14 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:613.
10.Zoals blijkt uit rechtspraak van de Hoge Raad, zoals besproken in de eerdere genoemde uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:613, r.o. 27 en 28.
14.Volgens artikel 6:2:10, eerste lid en onder a, van het Wetboek van Strafvordering (WvSv) en de Aanwijzing voorwaardelijke invrijheidstelling (2020A010).
15.Vreemdelingen die geen rechtmatig verblijf (meer) hebben in Nederland in de zin van artikel 8, onder a tot en met e of l, van de Vw komen niet voor voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking. Zie ook artikel 6:2:10, tweede lid en onder c, van het WvSv.
16.De zoon van verzoekster wordt in het rapport aangeduid als I.
20.Bij de bepaling van de schadevergoeding wordt uitgegaan van de door het Landelijk Overleg van Voorzitters van Strafsectoren van rechtbanken en gerechtshoven (LOVS) vastgestelde normbedragen.
21.Zie pagina 67, te raadplegen via www.rechtspraak.nl.