Eiser is in vreemdelingenbewaring gesteld na een strafrechtelijke detentie van 11 dagen. Hij stelde dat de minister niet aan zijn inspanningsverplichting had voldaan om uitzettingshandelingen te verrichten tijdens de strafrechtelijke detentie, waardoor de bewaring onrechtmatig zou zijn. De rechtbank erkent dat de minister deze inspanningsverplichting heeft geschonden, maar oordeelt dat dit gebrek niet opweegt tegen het onttrekkingsrisico en de belangen die met de bewaring worden gediend.
Eiser voerde aan dat een lichter middel dan bewaring had moeten worden toegepast, mede omdat hij bereid was mee te werken aan zijn vertrek en beschikte over middelen om naar België te reizen. De rechtbank acht dit onvoldoende om het onttrekkingsrisico weg te nemen en bevestigt dat de bewaring proportioneel is.
Verder stelde eiser dat de minister onvoldoende voortvarend was in de uitzetting, onder meer door het kwijtraken van zijn identiteitsbewijs. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld en dat de vertraging minimaal was.
De rechtbank heeft ook ambtshalve de rechtmatigheid van de bewaring getoetst, waarbij geen strijd met het non-refoulementbeginsel of het belang van het gezin is vastgesteld. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen, maar de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser.