ECLI:NL:RBDHA:2025:26817
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen ingangsdatum verblijfsvergunning kennismigrant ongegrond verklaard
Eiser, een staatloze geboren in 1994, had tot 1 oktober 2024 een verblijfsvergunning voor het zoeken naar en verrichten van arbeid. Op 3 oktober 2024 diende zijn referent een aanvraag in voor wijziging van het verblijfsdoel naar 'arbeid als kennismigrant'. Verweerder verleende de vergunning met ingang van 3 oktober 2024, maar eiser wenste een eerdere ingangsdatum van 1 oktober 2024.
Eiser stelde dat de te late indiening van de aanvraag niet aan hem kon worden toegerekend, omdat de referent verantwoordelijk was en hij tijdig contact had gehad. De rechtbank oordeelde echter dat eiser zelf ook een verantwoordelijkheid had om tijdig melding te maken en dat hij de referent pas op 27 september 2024 informeerde, te laat om een eerdere ingangsdatum te rechtvaardigen.
De rechtbank verwierp het beroep ook omdat artikel 26 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 bepaalt dat de ingangsdatum van een nieuwe verblijfsvergunning niet eerder kan zijn dan de datum van ontvangst van de aanvraag. Het evenredigheidsbeginsel biedt geen ruimte voor afwijking, mede omdat er geen sprake is van intrekking of uitzetting en het verblijfsgat slechts twee dagen bedroeg.
Verder oordeelde de rechtbank dat verweerder niet hoefde te horen omdat het bezwaar geen andere uitkomst kon hebben. Het beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de ingangsdatum van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.