ECLI:NL:RBDHA:2025:26817

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
NL25.27621
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.80 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 26 Vreemdelingenwet 2000Artikel B1/6.1 Vreemdelingencirculaire
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen ingangsdatum verblijfsvergunning kennismigrant ongegrond verklaard

Eiser, een staatloze geboren in 1994, had tot 1 oktober 2024 een verblijfsvergunning voor het zoeken naar en verrichten van arbeid. Op 3 oktober 2024 diende zijn referent een aanvraag in voor wijziging van het verblijfsdoel naar 'arbeid als kennismigrant'. Verweerder verleende de vergunning met ingang van 3 oktober 2024, maar eiser wenste een eerdere ingangsdatum van 1 oktober 2024.

Eiser stelde dat de te late indiening van de aanvraag niet aan hem kon worden toegerekend, omdat de referent verantwoordelijk was en hij tijdig contact had gehad. De rechtbank oordeelde echter dat eiser zelf ook een verantwoordelijkheid had om tijdig melding te maken en dat hij de referent pas op 27 september 2024 informeerde, te laat om een eerdere ingangsdatum te rechtvaardigen.

De rechtbank verwierp het beroep ook omdat artikel 26 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 bepaalt dat de ingangsdatum van een nieuwe verblijfsvergunning niet eerder kan zijn dan de datum van ontvangst van de aanvraag. Het evenredigheidsbeginsel biedt geen ruimte voor afwijking, mede omdat er geen sprake is van intrekking of uitzetting en het verblijfsgat slechts twee dagen bedroeg.

Verder oordeelde de rechtbank dat verweerder niet hoefde te horen omdat het bezwaar geen andere uitkomst kon hebben. Het beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de ingangsdatum van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.27621

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. F.A. Beurret),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de ingangsdatum van de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘Arbeid als kennismigrant’. Eiser wenst dat de verblijfsvergunning ingangsdatum 1 oktober 2024 krijgt.
1.1.
Verweerder heeft de aanvraag met het besluit van 24 oktober 2024 (het primaire besluit) ingewilligd. Met het bestreden besluit van 27 mei 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de inwilliging van de aanvraag met ingangsdatum 3 oktober 2024 gebleven.
2. De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en I. Huijgens als tolk. Verweerder is met bericht vooraf niet ter zitting verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1994 en is staatloos. Eiser had tot 1 oktober 2024 een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’. Sinds 19 augustus 2024 is eiser in dienst bij [bedrijfsnaam 1] B.V., die hem als formele werkgever direct uitleent aan zijn feitelijke werkgever, [bedrijfsnaam 2] B.V.. Referent heeft namens eiser op 3 oktober 2024 een aanvraag tot wijziging van het doel van zijn reguliere verblijfsvergunning ingediend.
4. Verweerder heeft de aanvraag van eiser op 24 oktober 2024 ingewilligd, waardoor hem met ingang van 3 oktober 2024 een verblijfsvergunning is verleend met als doel ‘arbeid als kennismigrant’ met een geldigheidsduur tot 18 november 2025. Verweerder stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat eiser referent niet in de gelegenheid heeft gesteld de aanvraag tijdig in te dienen.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte de te late indiening van de aanvraag tot wijziging van het doel van eisers verblijfsvergunning aan eiser toerekent. Verweerder miskent daarmee dat referent de primaire verantwoordelijkheid draagt voor het (tijdig) aanvragen van een kennismigrantenvergunning. Eiser mocht verwachten dat referent als erkend referent voldoende ervaring en expertise had om zorgvuldig en tijdig eisers aanvraag in te dienen. Daarbij heeft eiser als Palestijns/staatloos burger een extra groot belang bij opbouw van zijn vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf. Zonder dit verblijfsgat had eiser als staatloos burger al voldaan aan de voorwaarden voor naturalisatie. Daarnaast stelt verweerder zich ten onrechte op het standpunt dat eiser niet tijdig aan referent heeft laten weten dat zijn vergunning op 1 oktober 2024 af zou lopen. Sinds 21 augustus 2024 was er veelvuldig contact tussen eiser en referent over zijn vergunningsaanvraag. Het is ook onjuist dat referent niet tijdig in staat is gesteld de kennismigrantenvergunning aan te vragen, referent had sinds 25 juli 2024 een kopie van de vergunning van eiser. Door het onzorgvuldig handelen van medewerkers van referent is de aanvraag te laat ingediend, hierdoor heeft eiser een verblijfsgat van twee dagen opgelopen. Verweerder miskent dat de vergunningaanvraag verschoonbaar te laat is ingediend op grond van artikel 3.80 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), waardoor een eerdere ingangsdatum dan 3 oktober 2024 kan worden aangehouden. Verweerder kan niet worden gevolgd in zijn standpunt dat artikel 26, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) eraan in de weg zou staan een gunstiger beleid uit artikel B1/6.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc), waarin is geregeld dat een verblijfsgat bij een verleningsaanvraag wel gedicht kan worden, analoog toe te passen. Daarnaast heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de contra-legemwerking van het evenredigheidsbeginsel niet kan worden toegepast om eiser een vervroegde ingangsdatum van zijn vergunning te verlenen. Eiser stelt dat gezien zijn specifieke situatie afgeweken moet worden van de standaardregel dat een aanvraag tot wijziging van de beperking pas mag ingaan per de datum van de aanvraag, zodat hij geen verblijfsgat oploopt. Het laten bestaan van een verblijfsgat is in eisers geval onevenredig. Ook heeft verweerder de hoorplicht geschonden, waardoor het besluit onzorgvuldig is voorbereid en gemotiveerd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is, eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toerekenbaar?
7. Hoewel ook de rechtbank vaststelt dat erkend referent niet altijd correct heeft gehandeld, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de te late indiening van de aanvraag aan eiser kan worden toegerekend. Verweerder heeft eiser niet hoeven volgen in zijn standpunt dat hij volledig afhankelijk was van zijn werkgever. Verweerder heeft er namelijk terecht op gewezen dat op eiser een verantwoordelijkheid rust om zelf tijdig een melding te maken bij erkend referent voor het indienen van de aanvraag en dat eiser erkend referent redelijkerwijs in de gelegenheid had moet stellen de aanvraag tijdig in te dienen. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat dat eiser dit niet heeft gedaan. Eiser heeft erkend referent op 27 september 2024 voor het eerst laten weten dat de verblijfsvergunning zoekjaar binnenkort zou aflopen. Pas op 3 oktober 2024, na het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, heeft eiser erkend referent op de hoogte gesteld dat de verblijfsvergunning tot 1 oktober 2024 geldig was. Daarbij heeft verweerder er ook terecht op gewezen dat de e-mail van 27 september 2024 op vrijdag om 16:18 uur is verstuurd aan erkend referent, en dat niet valt in te zien waarom eiser niet op maandag 30 september 2024 telefonisch contact heeft opgenomen met erkend referent om na te gaan of de e-mail in goede orde was ontvangen en om de urgentie van de aanvraag uit te leggen, zodat dezelfde dag nog door erkend referent een aanvraag om wijziging van de beperking had kunnen worden ingediend. Dat eiser een verklaring van erkend referent heeft overgelegd, waarin staat dat erkend referent de schuld voor de te late indiening op zich neemt omdat de verantwoordelijke medewerker op vakantie was en de aanvraagtaak niet had overgedragen, leidt niet tot een ander oordeel omdat dit niet betekent dat er binnen het bedrijf van erkend referent geen andere personen waren die de aanvraag op tijd hadden kunnen indienen als zij daar tijdig op waren gewezen.
7.1.
Anders dan eiser stelt, is de rechtbank van oordeel dat artikel 3.80, eerste lid, van het Vb eiser niet kan baten. De rechtbank stelt vast dat in die bepaling staat dat de aanvraag tot het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is tijdig ingediend, indien deze is ontvangen uiterlijk op de dag voor de dag waarop de geldigheidsduur verstrijkt, dan wel, indien deze later is ontvangen, indien de termijnoverschrijding de vreemdeling niet kan worden toegerekend. In tegenstelling tot wat eiser stelt, volgt hieruit niet dat de ingangsdatum van een aanvraag die op 3 oktober 2024 is ingediend en ontvangen, naar voren kan worden gehaald. Deze bepaling ziet enkel op de tijdigheid van de aanvraag en niet op de ingangsdatum van de te verlenen verblijfsvergunning.
Contra legem uitleg op grond van het evenredigheidsbeginsel
8. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat een aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsdoel, oftewel een aanvraag voor een verblijfsvergunning onder een andere beperking, een nieuwe aanvraag betreft. Uit artikel 26, eerste lid, van de Vw volgt dat de geldigheid van een naar aanleiding van een nieuwe aanvraag verleende verblijfsvergunning, niet eerder kan ingaan dan op de dag waarop die aanvraag is ontvangen. De wet biedt verweerder dan ook geen ruimte een eerdere ingangsdatum dan de datum van aanvraag te hanteren. [1] Verweerder heeft het beleid uit artikel B1/6.1 van de Vc, dat ziet op verblijfsgaten bij verlenging van een verblijfsvergunning, dan ook niet mogen toepassen. Op 3 oktober 2024 heeft erkend referent een aanvraag ingediend voor eiser en hierbij zijn de benodigde stukken overgelegd. Daarom is eisers nieuwe verblijfsvergunning met als doel ‘Arbeid als kennismigrant’ verleend met als ingangsdatum 3 oktober 2024.
8.1.
Aangezien de Vw een wet in formele zin betreft, is het niet mogelijk om daar met toepassing van het evenredigheidsbeginsel van af te wijken. [2] Eiser stelt dat hij door onderbreking van zijn verblijfsrecht langer moet wachten om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd te kunnen krijgen en/of om genaturaliseerd te worden. Daarbij stelt eiser dat hij niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst als het verblijfsrecht wordt ingetrokken. Eiser heeft ter zitting nader toegelicht dat hij meer moeite moet doen om naar het buitenland te kunnen reizen dan zijn collega’s vanwege het feit dat hij staatloos is en dat hij daardoor (internationale) congressen mist. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de door eiser gestelde bijzondere omstandigheden niet meebrengen dat toepassing van artikel 26 Vw Pro zozeer in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, dat die toepassing achterwege moet blijven. Verweerder heeft daarbij mogen meewegen dat er geen sprake is van intrekking van het verblijfsrecht van eiser en dat er geen sprake is van uitzetting. Het verblijfsgat staat er niet aan in de weg het verblijf en integratie in Nederland onverminderd voort te zetten. Verweerder heeft er daarbij op mogen wijzen dat eiser niet heeft aangetoond dat hij niet naar Dubai, de plaats waar eiser voor zijn komst naar Nederland heeft gewoond, zou kunnen terugkeren.
Naturalisatie
9. Over de stelling van eiser dat hij zonder het verblijfsgat al had voldaan aan de voorwaarden voor naturalisatie heeft verweerder er in het bestreden besluit terecht op gewezen dat niet valt in te zien waarom eiser geen aanvraag voor naturalisatie heeft ingediend als hij meende daarvoor in aanmerking te komen. Daarbij heeft verweerder terecht opgemerkt dat eiser daarvoor over een reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd zou moeten beschikken, of een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met een niet-tijdelijk verblijfsdoel. Eiser had op 1 september 2024 echter nog een verblijfsvergunning voor een tijdelijk verblijfsdoel (zoekjaar).
Hoorplicht
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser niet had hoeven horen. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. [3] Artikel 26 van Pro de Vw laat geen ruimte voor een eerdere ingangsdatum dat de datum waarop de aanvraag is ingediend. Verweerder heeft op grond van het primaire besluit en wat naar voren is gebracht in bezwaar redelijkerwijs kunnen concluderen dat het bezwaar niet tot een andere uitkomst kon leiden. Verweerder heeft daarom van het horen in de bezwaarfase mogen afzien.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft.
12. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2836.
2.Uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772, onder r.o. 9.10.
3.Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.