ECLI:NL:RBDHA:2025:25752

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
2 januari 2026
Zaaknummer
NL25.47673
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen het niet tijdig beslissen op een asielaanvraag met betrekking tot de beslistermijn en de rol van de loopbrief en M35-H

In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Den Haag het beroep van eiseres, een Syrische asielzoeker, tegen het niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag door de minister van Asiel en Migratie. Eiseres heeft op 3 oktober 2023 een loopbrief ontvangen, maar de minister heeft pas op 24 oktober 2023 de M35-H ondertekend. Eiseres stelt dat de beslistermijn op 25 april 2025 is verstreken, maar de rechtbank oordeelt dat de beslistermijn aanvangt op de dag van afgifte van de loopbrief en niet kan worden opgeschort door de latere ondertekening van de M35-H. De rechtbank baseert zich op de wetsgeschiedenis van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en concludeert dat de overschrijding van de beslistermijn niet aan eiseres kan worden verweten. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt de minister op om binnen acht weken een besluit te nemen op de asielaanvraag, met een dwangsom van € 100,- per dag bij overschrijding van deze termijn, tot een maximum van € 7.500,-. Tevens wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van eiseres, vastgesteld op € 453,50.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.47673

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. H. Yousef),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag door verweerder.
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten een zitting niet nodig te vinden en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat geen van de partijen om een zitting heeft verzocht, heeft de rechtbank de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft de Syrische nationaliteit en stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1999. Zij heeft een asielaanvraag ingediend, maar verweerder heeft op deze aanvraag nog niet beslist. Omdat eiseres vindt dat verweerder te laat is met het beslissen op haar aanvraag heeft zij dit beroep niet-tijdig beslissen ingediend.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres voert aan dat verweerder te laat is met het beslissen op haar asielaanvraag. De termijn om te beslissen is volgens eiseres namelijk verstreken op 25 april 2025.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank stelt voorop dat eiseres zich op 3 oktober 2023 bij het aanmeldcentrum in Ter Apel heeft gemeld om haar asielwens kenbaar te maken. Op dat moment heeft eiseres een zogenoemde “loopbrief” van verweerder ontvangen. Over het algemeen geeft verweerder de loopbrief op dezelfde dag af als de dag waarop de asielzoeker het formulier model M35-H (hierna: “de M35-H”) kan ondertekenen. Er doen zich echter ook situaties voor waarin dit niet mogelijk is, bijvoorbeeld bij een achterstand in de verwerking van aanvragen. [2] In dat geval zit er een langere periode tussen het afgeven van de loopbrief en het ondertekenen van de M35-H. Bij eiseres is van een dergelijke situatie sprake. Zij heeft namelijk pas op 24 oktober 2023, drie weken na afgifte van de loopbrief, de M35-H ondertekend.
4.1.
Voor de uitkomst van dit beroep is van doorslaggevend belang hoe de loopbrief en de ondertekening van de M35-H zich verhouden tot de beslistermijn. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft hierover in een recente uitspraak uitleg gegeven. [3] De Afdeling heeft – kort gezegd – geconcludeerd dat de beslistermijn begint te lopen bij afgifte van de loopbrief, maar dat verweerder de beslistermijn kan opschorten tot het moment dat de asielzoeker de M35-H ondertekent. De Afdeling wijst hiervoor op artikel 4:15, eerste lid, onder a, van de Awb. Op basis daarvan wordt de beslistermijn opgeschort met ingang van de dag na die waarop het bestuursorgaan de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Awb uitnodigt de aanvraag aan te vullen tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld.
Uit de Awb volgt dat de termijn voor het nemen van een beslissing om verschillende redenen kan worden opgeschort. Artikel 4:15, eerste en tweede lid, geven deze verschillende redenen weer. De Afdeling heeft in haar uitspraak uitgelegd dat bij afgifte van de loopbrief en het later ondertekenen van de M35-H een situatie aan de orde is in de zin van artikel 4:15, eerste lid, onder a, van de Awb. In artikel 4:15, eerste lid, onder a, van de Awb staat dat de beslistermijn wordt opgeschort als het bestuursorgaan de aanvrager op grond van artikel 4:5 uitnodigt om de aanvraag aan te vullen. De Afdeling wijst voor deze situatie specifiek op artikel 4:5, eerste lid, onder a, van de Awb. Daarin staat dat het bestuursorgaan de aanvraag niet in behandeling kan nemen als de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, mits hij de gelegenheid heeft gehad om de aanvraag binnen een gestelde termijn aan te vullen. De Afdeling legt uit dat met het enkele uiten van de asielwens en de afgifte van de loopbrief nog niet aan alle wettelijke vereisten is voldaan. De aanvraag is onvolledig totdat de M35-H op de aangewezen locatie is ondertekend.
4.2.
Voornoemde uitspraak van de Afdeling gaat echter in het geheel niet in op de wetsgeschiedenis van artikel 4:5 en 4:15, eerste lid, van de Awb. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de wetsgeschiedenis niet anders worden geconcludeerd dan dat bij afgifte van de loopbrief en de gelegenheid om later de M35-H in te vullen geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 4:15, eerste lid, onder a, van de Awb. Uit de wetsgeschiedenis moet namelijk worden geconcludeerd dat artikel 4:5, eerste lid, onder a, en artikel 4:15, eerste lid, onder a, van de Awb alleen van toepassing zijn als de onvolledigheid van de aanvraag te wijten is aan
de aanvrager. [4] Zo staat in de toelichting bij artikel 4:15 van de Awb dat “de beslistermijn in gevallen van dreigende termijnoverschrijding
die wordt veroorzaakt door een verzuim van de aanvrager [5] , wordt opgeschort op grond van het eerste lid van artikel 4:15.” [6] Dit wordt bevestigd door de toelichting bij de voorganger van artikel 4:15 waarin wordt vermeld: “Indien het bestuur niet over voldoende gegevens beschikt
omdat de aanvrager van een beschikking niet heeft voldaan aan de vereisten voor het indienen van een aanvraag [7] , kan van het bestuur niet gevergd worden een beslissing te nemen”. [8] Bij het later ondertekenen van de M35-H is van een dergelijke situatie naar het oordeel van de rechtbank echter geen sprake. De asielzoeker beschikt op het moment van afgifte van de loopbrief namelijk al over de gegevens om de M35-H te ondertekenen, maar wordt door verweerder simpelweg niet altijd in de gelegenheid gesteld om de M35-H direct te ondertekenen. Dit heeft niet te maken met een gebrek aan benodigde gegevens aan de kant van de asielzoeker, maar met ontoereikende capaciteit bij verweerder.
4.3.
De rechtbank vindt dit ook een begrijpelijke en logische lezing. Artikel 4:5 van de Awb verplicht het bestuursorgaan namelijk om
de aanvragerde gelegenheid te bieden de aanvraag aan te vullen vóórdat het bestuursorgaan kan beslissen om een aanvraag niet in behandeling te nemen. Het gaat dus om de situatie waarin de aanvrager in verzuim is alle noodzakelijke informatie over te leggen. Een andere lezing is volgens de rechtbank niet mogelijk, nu een bestuursorgaan niet mag beslissen om een besluit niet in behandeling te nemen als de aanvraag door verzuim van het bestuursorgaan zelf onvolledig zou zijn en onvolledig zou blijven.
4.4.
Het voorgaande wordt bovendien ondersteund door jurisprudentie. Zo heeft de Centrale Raad van Beroep overwogen dat bij de beantwoording van de vraag of een bestuursorgaan op grond van artikel 4:5 van de Awb bevoegd is om een aanvraag buiten behandeling te stellen ook ter beoordeling staat of de aanvrager een verwijt kan worden gemaakt. [9] De verwijtbaarheid kan ontbreken als het gaat om gegevens waarover de aanvrager niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken. De rechtbank overweegt dat het gebrek aan een ingevulde M35-H een asielzoeker echter niet kan worden verweten als verweerder een asielzoeker niet in de gelegenheid stelt om de M35-H direct te ondertekenen. Een dergelijke omstandigheid waarbij de vertraging in de besluitvorming niet aan een asielzoeker te wijten is, kan volgens de rechtbank dan ook niet voor rekening en risico van een asielzoeker komen.
4.5.
Dat artikel 4:15, tweede lid, onder b, van de Awb expliciet vereist dat de vertraging van de besluitvorming aan de aanvrager te wijten is en artikel 4:15, eerste lid, onder a, van de Awb een dergelijk vereiste niet bevat, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Uit vaste rechtspraak volgt namelijk dat artikel 4:15, tweede lid, onder b, van de Awb niet ziet op onvolledige aanvragen zoals hier aan de orde, maar op situaties waarbij een volledige aanvraag is gedaan en in behandeling is genomen, maar de aanvrager bijvoorbeeld kort voor afloop van de beslistermijn nog omvangrijke stukken opstuurt of bij herhaling om uitstel van een hoorzitting of nader onderzoek heeft gevraagd. [10]
4.6.
Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank er daarom vooralsnog vanuit dat de beslistermijn aanvangt op het moment dat de loopbrief wordt afgegeven en dat de beslistermijn niet wordt opgeschort als de M35-H vanwege vertraging bij verweerder pas op een andere dag kan worden ondertekend.
Toepassing op de zaak van eiseres
4.7.
Eiseres heeft op 3 oktober 2023 de loopbrief ontvangen. De beslistermijn begon daarom op 3 oktober 2023 te lopen. Deze werd niet opgeschort tot de dag dat de M35-H werd ondertekend (24 oktober 2023). In beginsel geldt voor asielaanvragen een beslistermijn van zes maanden. [11] Dat zou betekenen dat verweerder uiterlijk op 3 april 2024 een beslissing had moeten nemen. Met ingang van 14 december 2024 gold voor Syrië echter een besluit- en vertrekmoratorium. Met het instellen van dit besluitmoratorium is voor de duur van zes maanden de wettelijke beslistermijn van lopende asielaanvragen en van asielaanvragen die tijdens het moratorium werden ingediend, verlengd met een periode van een jaar tot ten hoogste 21 maanden. Omdat eiseres uit Syrië komt en niet is gebleken dat zij onder een van de categorieën valt die uitgesloten zijn van de werking van het besluitmoratorium, is de beslistermijn op 14 december 2024 daarom alsnog opgeschort. Omdat verlenging met een jaar tot een langere beslistermijn zou leiden dan de maximale beslistermijn van 21 maanden, is de beslistermijn in het geval van eiseres tot 21 maanden verlengd. Dat betekent dat verweerder uiterlijk op 3 juli 2025 een beslissing had moeten nemen. Eiseres heeft op 24 juli 2025 een ingebrekestelling ingediend en vervolgens tenminste twee weken gewacht voordat zij op 1 oktober 2025 dit beroep instelde.

Conclusie en gevolgen

5. Gelet op het voorgaande is het beroep ontvankelijk en is sprake van overschrijding van de beslistermijn. De rechtbank verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag daarom gegrond. Aangezien het beroep gegrond is en nog geen besluit bekend is gemaakt, zal de rechtbank verweerder opdragen alsnog een besluit te nemen. Daarbij zal de rechtbank verweerder een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit. [12]
6. Nu de maximale beslistermijn van 21 maanden inmiddels is overschreden neemt de rechtbank het uitgangspunt dat verweerder binnen acht weken op de asielaanvraag moet beslissen. Daarom bepaalt de rechtbank dat verweerder binnen acht weken na bekendmaking van deze uitspraak een besluit bekend moet maken.
7. De rechtbank bepaalt verder dat een dwangsom wordt verbeurd voor elke dag dat
verweerder in gebreke blijft om aan de termijn van deze uitspraak te voldoen. [13] In overeenstemming met de vaste gedragslijn van de zittingsplaats Den Haag, stelt de rechtbank de hoogte van de dwangsom vast op een bedrag van € 100,- voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden. In overeenstemming met de vaste gedragslijn wordt het maximum bepaald op € 7.500,-.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5). [14] De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is verstreken. Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen op de aanvraag;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Zie voor het voorgaande de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 17 november 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5543).
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2025.
4.Cursivering door de rechtbank.
5.Cursivering door de rechtbank.
6.Kamerstukken II 2005/06, 30 435, nr. 3, pagina 15.
7.Cursivering door de rechtbank.
8.Kamerstukken II 1988/89, 21 221 nr. 3, pagina 107 en 108.
9.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 maart 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC7192.
10.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5098.
11.Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
12.Op grond van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb.
13.Met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
14.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.