ECLI:NL:RBDHA:2025:25584

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
31 december 2025
Zaaknummer
NL25.62762
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring Dublin Oostenrijk en de rechtmatigheid van de maatregel

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 30 december 2025 uitspraak gedaan over de rechtmatigheid van de bewaring van een vreemdeling, die op 27 november 2025 in bewaring is gesteld met het oog op overdracht aan Oostenrijk. De rechtbank oordeelt dat, zelfs als de vreemdeling geen beroep doet op de rechtmatigheid van de maatregel, de rechtbank verplicht is om ambtshalve de rechtmatigheid te controleren. Dit houdt in dat de rechtbank moet nagaan of het overdrachtsbesluit kan worden uitgevoerd en of er geen risico op refoulement bestaat, zoals vastgelegd in artikel 4 van het EU Handvest. De rechtbank stelt vast dat de maatregel rechtmatig is opgelegd en dat er geen gronden zijn om aan te nemen dat de vreemdeling in Oostenrijk een risico loopt op onmenselijke of vernederende behandeling. De rechtbank bevestigt dat de intrekking van het beroep door de gemachtigde van de vreemdeling op 22 december 2025 niet leidt tot sluiting van het dossier, aangezien de rechtbank ook zonder beroep de rechtmatigheid van de maatregel moet beoordelen. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62762
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1995, Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer],
eiser,
(gemachtigde: mr. P.J.T. de Kan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).

Zitting hebben:

mr. S. van Lokven, rechter, en
mr. M.M.M.F. Roijen, griffier.

Procesverloop

Verweerder heeft eiser op 27 november 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep en wordt tevens aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De gemachtigde van eiser heeft op 22 december 2025 aangegeven het beroep in te trekken.
De rechtbank heeft op 22 december 2025 de intrekking van het beroep bevestigd en de zaak afgesloten.
De rechtbank heeft partijen op 23 december 2025 geïnformeerd dat de zaak ten onrechte is afgesloten en medegedeeld dat de rechtbank de kennisgeving van de bewaringsmaatregel op zitting zal behandelen.
De rechtbank heeft het beroep op 30 december 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft door middel van een door hem ondertekende afstandsverklaring afstand gedaan van het recht om in persoon gehoord te worden. De gemachtigde van eiser is, met voorafgaand bericht hiervan, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft aansluitend aan de behandeling ter zitting het onderzoek gesloten en mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Overwegingen

1. De rechtbank overweegt allereerst dat in artikel 94, eerste lid, Vw is bepaald dat verweerder uiterlijk op de achtentwintigste dag na de bekendmaking van de oplegging van de bewaringsmaatregel de rechtbank hiervan in kennis, tenzij de vreemdeling voordien zelf beroep heeft ingesteld. In artikel 94, vierde lid, Vw is voorgeschreven dat de rechtbank onmiddellijk het tijdstip van het onderzoek ter zitting bepaalt en dat de zitting uiterlijk op de veertiende dag na ontvangst van het beroepschrift dan wel de kennisgeving plaatsvindt. Dit betekent dus dat indien een vreemdeling na ommekomst van deze termijn waarop de kennisgeving op zitting moet worden behandeld in bewaring wordt gehouden, de rechtbank verplicht is om de rechtmatigheid van de maatregel te beoordelen. Eiser is op 27 november 2025 in bewaring gesteld. De overdracht aan Oostenrijk is voorzien op 7 januari 2026. Omdat verweerder eiser in bewaring houdt en wil houden om hem vanuit de bewaring over te dragen, is de rechtbank dus gehouden om de rechtmatigheid van de maatregel te beoordelen. De rechtbank heeft dan ook aanvankelijk ten onrechte naar aanleiding van het bericht van gemachtigde dat het beroep wordt ingetrokken het dossier gesloten. De rechtbank is namelijk ook als eiser daar kennelijk geen prijs op stelt en/of de maatregel kennelijk rechtmatig acht, verplicht om de rechtmatigheid van de maatregel te beoordelen en daarbij de termijnen die in de Vw zijn gesteld te hanteren.
2. Eiser is op 27 november 2025 in bewaring gesteld om de overdracht aan Oostenrijk te verzekeren. Verweerder heeft op 11 december 2025 een zogenoemd ‘kaal overdrachtsbesluit’ genomen, wat betekent dat eiser geen asielaanvraag heeft ingediend en het overdrachtsbesluit dus geen beslissing tot buiten behandeling stelling van een asielaanvraag is. De gemachtigde van eiser heeft na ontvangst van dit overdrachtsbesluit de DT&V gemaild om aan te geven dat geen rechtsmiddel zal worden aangewend tegen het overdrachtsbesluit en de overdracht dus meteen ter hand kan worden genomen zodat de bewaring niet langer hoeft te duren dan noodzakelijk.
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft 3 zogenoemde zware gronden en 2 zogenoemde lichte gronden opgevoerd om het significante onttrekkingsrisico te onderbouwen.
4. Eiser heeft geen gronden aangevoerd tegen de oplegging van de maatregel en volstaan met de mededeling dat hij berust in de overdracht aan Oostenrijk. De rechtbank zal daarom, indachtig haar Unierechtelijke verplichtingen zoals die zijn verduidelijkt door het Hof in het arrest C.B.X van 8 november 2022 (arrest van het Hof van 8 november 2022 in de gevoegde zaken C.B.X., C‑704/20 en C‑39/21, EU:C:2022:858), de rechtmatigheid van de maatregel ambtshalve beoordelen.
5. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraak van 1 oktober 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:17992) onder meer het navolgende overwogen:
(…)
13. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025 (arrest van het Hof van 4 september 2025 in de zaak Adrar, GB tegen de Minister van Asiel en Migratie, C-313/25 PPU, ECLI:EU:C:2025:647) in een procedure waarin een bewaringsmaatregel ter fine van uitzetting was opgelegd gepreciseerd dat de bewaringsrechter verplicht is om zo nodig ambtshalve na te gaan of het beginsel van non-refoulement en/of de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen zich verzetten tegen de verwijdering en dus de uitvoering van het terugkeerbesluit. Eiser valt niet onder de werkingssfeer van richtlijn 2008/115 maar onder de werkingssfeer van de Dublinverordening. Verweerder legt in deze procedure dus niet richtlijn 2008/115 ten uitvoer en heeft in deze procedure derhalve geen verplichtingen op grond van artikel 5 van die richtlijn. Het refoulementverbod is evenwel absoluut. De rechtbank zal zich in deze procedure niet tot het Hof wenden om de prejudiciële vraag voor te leggen of de bewaringsrechter verplicht is om, zo nodig ambtshalve, na te gaan of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen de uitvoering van het overdrachtsbesluit. Het beginsel van non-refoulement dient te allen tijde te worden geëerbiedigd en ook de bewaringsrechter dient de naleving hiervan te allen tijde te verzekeren. Indien artikel 4 van het Handvest zich verzet tegen de overdracht, dient de bewaringsrechter vast te stellen dat deze niet kan plaatsvinden en de bewaring niet kan strekken tot het verzekeren van de overdracht. De rechtbank overweegt hierbij dat dit niet betekent dat de bewaringsrechter de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit moet controleren. Dit overdrachtsbesluit staat immers in rechte vast. De bewaringsrechter dient zich wel te vergewissen of dit definitief geworden overdrachtsbesluit kan worden uitgevoerd. Uitgangspunt bij deze beoordeling is dat in de procedure waarin is opgekomen tegen het overdrachtsbesluit, reeds een, al dan niet ambtshalve, beoordeling van het risico van refoulement heeft plaatsgevonden. De bewaringsrechter dient dan ook na te gaan of sprake is van een zodanige wijziging van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat die refoulementbeoordeling achterhaald is op het moment dat de rechterlijke controle van de bewaringsmaatregel plaatsvindt. De vreemdeling kan weliswaar bezwaar maken tegen de feitelijke overdracht. Ook indien de vreemdeling dit niet doet zijn de autoriteiten, zowel verweerder als de bewaringsrechter, verplicht om het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen en daarom te beoordelen of sprake is van een refoulementrisico. Indien de overdracht vanwege een na het vaststellen van het overdrachtsbesluit gebleken refoulementrisico niet kan plaatsvinden, kan de maatregel niet meer strekken tot de overdracht en dient deze te worden opgeheven.
(…)
6. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft dit oordeel in haar uitspraak van 5 november 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:20642) herhaald en de rechtbank ziet thans geen aanleiding om tot het ander oordeel te komen. De rechtbank overweegt in aanvulling hierop het navolgende.
7. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 29 november 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4919) onder meer het navolgende overwogen:
(…)
6.1.
De Afdeling heeft in haar uitspraak van 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4244, namelijk geoordeeld dat de minister bij een zelfstandig overdrachtsbesluit verplicht is, wanneer de vreemdeling over wie dat overdrachtsbesluit gaat, daar een beroep op doet, te beoordelen of die vreemdeling door de overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat in een situatie terechtkomt die in strijd is met het in artikel 4 van het EU Handvest neergelegde absolute verbod op onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. De Afdeling heeft daarin geoordeeld dat het Unierecht ook in dat geval vereist dat de persoon over wie dat overdrachtsbesluit gaat een direct beroep op artikel 4 van het EU Handvest kan doen in het kader van het daartegen openstaande rechtsmiddel van artikel 27, eerste lid, van de Dublinverordening. De minister moet daarom, wanneer de vreemdeling daar een beroep op doet, beoordelen of de vreemdeling in een met artikel 4 van het EU Handvest strijdige situatie terechtkomt in de verantwoordelijke lidstaat. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
(…)
8. Voor zover uit deze overweging zou moeten worden afgeleid dat de Afdeling oordeelt dat de 4 Handvest-beoordeling bij zelfstandige terugkeerbesluiten alleen hoeft plaats te vinden ‘als de vreemdeling over wie dat overdrachtsbesluit gaat, daar een beroep op doet” en dat “het Unierecht ook in dat geval vereist dat de persoon over wie dat overdrachtsbesluit gaat een direct beroep op artikel 4 van het EU Handvest kan doen in het kader van het daartegen openstaande rechtsmiddel van artikel 27, eerste lid, van de Dublinverordening.”, overweegt de rechtbank dat artikel 4 Handvest, naar het oordeel van de rechtbank, een verderstrekkende verplichting mee.
9. De rechtbank overweegt dat “de autoriteiten”, dus zowel verweerder als de rechter, ook als de vreemdeling geen ‘direct beroep’ doet op artikel 4 Handvest, verplicht zijn om zo nodig uit eigen beweging te beoordelen of de vreemdeling in een met artikel 4 Handvest strijdige situatie terechtkomt in de verantwoordelijke lidstaat. Deze verplichting geldt zowel in de Dublinprocedure als in de bewaringsprocedure. Het refoulementverbod is immers absoluut. Verweerder en de rechtbank zijn daarom te allen tijde gehouden om de naleving van het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. Deze verplichting en de omvang hiervan is niet afhankelijk van de gedragingen van eiser en de rechtsmiddelen die hij heeft aangewend of heeft kunnen aanwenden en de beroepsgronden die in beide procedures zijn aangedragen.
10. Eiser heeft geen beroep ingesteld tegen het overdrachtsbesluit en heeft geen gronden aangevoerd tegen de oplegging van de maatregel. Dit ontslaat de bewaringsrechter dus niet van haar verplichting om ambtshalve na te gaan of de maatregel rechtmatig is opgelegd en dit ambtshalve rechtmatigheidsonderzoek omvat de verplichting om na te gaan of het overdrachtsbesluit kan worden uitgevoerd. De maatregel is immers opgelegd om de uitvoering van het overdrachtsbesluit te effectueren en indien artikel 4 Handvest hieraan in de weg zou staan, zou deze omstandigheid tot de onmiddellijke opheffing van de maatregel leiden. Naar het oordeel van de rechtbank is de omstandigheid dat verweerder een zogenoemd ‘kaal’ of ‘zelfstandig’ overdrachtsbesluit dus niet relevant voor de rechtmatigheidsbeoordeling van de maatregel.
11. De rechtbank ziet in de verklaringen van eiser in het bewaringsdossier, de overige processtukken en de openbaar toegankelijke landeninformatie over Oostenrijk geen indicaties dat eiser door of na de overdracht een 4 Handvest-risico loopt en ziet geen aanleiding om hiernaar nader onderzoek te doen. Het overdrachtsbesluit mag dus worden uitgevoerd en de maatregel kan in beginsel dan ook strekken tot de effectuering van het overdrachtsbesluit. De rechtbank heeft voorts alle overige rechtmatigheidsvereisten van de maatregel gecontroleerd en stelt op grond van dit ambtshalve onderzoek vast dat de maatregel rechtmatig is opgelegd en rechtmatig heeft voortgeduurd tot de sluiting van het onderzoek. De met een beroep gelijkgestelde kennisgeving is ongegrond.
De rechtbank heeft melding gemaakt van de mogelijkheid om een rechtsmiddel aan te wenden tegen de uitspraak en de termijn die hiervoor staat.
Deze uitspraak is aldus uitgesproken in het openbaar op 30 december 2025 door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M.M.F. Roijen, griffier.
Het proces-verbaal van deze uitspraak is bekendgemaakt op: 31 december 2025.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.