ECLI:NL:RBDHA:2025:25525
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen maatregel van vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding
De minister heeft op 11 december 2025 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan eiser. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 23 december 2025 behandeld, waarbij eiser met beeldverbinding verscheen en werd bijgestaan door een waarnemer.
Eiser voerde aan dat het beginsel van equality of arms was geschonden omdat hij niet alle relevante stukken ontving, met name over eerdere inbewaringstellingen. De rechtbank oordeelde dat deze stukken niet relevant zijn voor de beoordeling van de huidige maatregel en dat het arrest Lamy niet van toepassing is op vreemdelingenbewaring.
Verder stelde eiser dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel en dat onvoldoende was doorgevraagd naar zijn gezondheid. De rechtbank vond de motivering van de minister voldoende en stelde dat de medische zorg in het detentiecentrum adequaat is. Ook het gebruik van een standaard tekstblok was geen gebrek.
Ten slotte betoogde eiser dat er geen zicht is op uitzetting vanwege eerdere mislukte pogingen en dat de minister niet voortvarend handelde. De rechtbank oordeelde dat er wel zicht is op uitzetting, dat de minister voldoende voortvarend is en dat het opnieuw aanvragen van een laissez-passer gerechtvaardigd is.
De rechtbank concludeerde dat geen van de beroepsgronden slaagt, verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.