De minister van Asiel en Migratie legde aan eiser op 12 december 2025 een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000, met het oog op identificatie en het verkrijgen van noodzakelijke gegevens voor de asielprocedure.
Eiser voerde aan dat zijn bewaring onrechtmatig was omdat zijn asielprocedure nog niet was afgerond, het detentiecentrum Rotterdam niet voldeed aan de eisen van een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie en dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom niet was volstaan met een lichter middel.
De rechtbank oordeelde dat de bewaring niet was opgelegd met het oog op uitzetting, zodat de UNHCR Detention Guidelines niet werden geschonden. Het detentiecentrum Rotterdam werd als gespecialiseerde inrichting erkend en er was geen bewijs van schadelijke luchtvervuiling die eiser persoonlijk trof. De motivering van de minister over het niet toepassen van een lichter middel was voldoende, mede gezien de aanwezige medische zorg.
De rechtbank concludeerde dat de rechtmatigheidsvoorwaarden voor de bewaring waren vervuld, verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.