ECLI:NL:RBDHA:2025:24584

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
25/3363
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om herziening van het besluit van 30 april 2024, waarbij zijn aanvraag voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven werd afgewezen. Eiser, die stelt slachtoffer te zijn van mishandeling in juni 2023, heeft geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd die zijn herzieningsverzoek zouden kunnen onderbouwen. De rechtbank heeft op 15 september 2025 de zaak behandeld, waarbij zowel de gemachtigde van eiser als die van verweerder aanwezig waren.

De rechtbank concludeert dat verweerder op goede gronden het herzieningsverzoek heeft afgewezen. Eiser heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden aangedragen die de afwijzing van zijn aanvraag zouden kunnen rechtvaardigen. De rechtbank stelt vast dat de afwijzing van het verzoek om herziening niet evident onredelijk is, aangezien eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij het slachtoffer is van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. De rechtbank wijst erop dat medische informatie over letsel niet voldoende is om de toedracht van het geweldsmisdrijf te onderbouwen.

Eiser heeft ook aangevoerd dat de hoorplicht is geschonden, omdat hij niet is gehoord tijdens de bezwaarprocedure. De rechtbank oordeelt echter dat deze beroepsgrond niet slaagt, omdat eiser niet tijdig heeft gereageerd op de uitnodiging voor een hoorzitting. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst de verzoeken van eiser af, zonder hem te vergoeden voor proceskosten of griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/3363

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 november 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. M. Shaaban),
en

Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerder

(gemachtigde: mr. Y.B. Langerak).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om herziening van het besluit van 30 april 2024.
1.1.
Verweerder heeft dit verzoek met het besluit van 11 december 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 31 maart 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing op het verzoek om herziening gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft op 27 november 2023 een aanvraag ingediend voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven. In zijn aanvraag heeft eiser aangegeven dat hij in de nacht van 10 op 11 juni 2023 slachtoffer is geworden van mishandeling. Bij besluit van 30 april 2024 (het eerste besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Volgens verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij het slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. [1] Volgens verweerder is er te weinig objectieve informatie over de aanleiding, toedracht en omstandigheden van het geweldsmisdrijf.
2.1.
Op 29 oktober 2024 heeft eiser een verzoek om herziening ingediend. Hierbij heeft eiser gesteld dat hij nog steeds pijnklachten heeft van de mishandeling en dat hij hiervoor nog altijd onder behandeling is in het ziekenhuis. Indien nodig kan eiser hiervan stukken overleggen. Verweerder heeft het herzieningsverzoek afgewezen omdat er geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. [2] Medische informatie over het letsel van eiser geeft namelijk geen informatie over wat er precies is gebeurd, wat de aanleiding voor het incident was en wat de omstandigheden waren.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn herzieningsverzoek. Volgens eiser is er wel degelijk duidelijkheid over de aanleiding, toedracht en de omstandigheden van het geweldsmisdrijf. De verdachte is namelijk voor het geweldsincident veroordeeld en heeft hierbij zelfs een bekennende verklaring afgelegd. Als verweerder zich desondanks op het standpunt stelt dat er nog onduidelijkheid bestaat, dan had hij dit moeten aangeven zodat eiser op die onderdelen de nodige opheldering had kunnen geven.
3.1.
Eiser stelt dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Ten slotte stelt eiser dat verweerder de hoorplicht geschonden. Eiser heeft bij zijn bezwaarschrift expliciet aangegeven te willen worden gehoord. Ook heeft hij niet het volledige dossier van verweerder ontvangen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het herzieningsverzoek van eiser op goede gronden heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
4.1.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat, wanneer een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit, het bestuursorgaan dit verzoek af mag wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. [3] Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat de afwijzing van het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is. [4]
4.2.
De rechtbank stelt vast dat verweerder zich in zijn afwijzende besluit van 30 april 2024 op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij het slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf in de zin van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven omdat er te weinig objectieve informatie beschikbaar is over de aanleiding, toedracht en omstandigheden van het geweldsmisdrijf. Eiser heeft geen rechtsmiddelen tegen dit besluit ingesteld, waardoor dit in rechte vast is komen te staan. Als eiser hierna verzoekt om dit besluit te herzien, dan is het gelet op het hiervoor weergegeven toetsingskader aan hem om nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aan te voeren. De door de bestuursrechter in deze procedure te verrichten toets beperkt zich dus in eerste instantie uitsluitend tot dit onderdeel en strekt zich niet uit tot de vraag of verweerder de aanvraag van eiser om een tegemoetkoming uit het Schadefonds (met het besluit van 30 april 2024) op goede gronden heeft afgewezen.
4.3.
Eiser heeft bij zijn herzieningsverzoek geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd, anders dan dat hij nog steeds pijnklachten ervaart, waarvoor hij nog altijd onder behandeling is bij de Pijnpoli in het Maasstadziekenhuis. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting toegelicht dat sprake is van een nieuw feit omdat het letsel van eiser is toegenomen. Eiser heeft dit standpunt niet met stukken onderbouwd, zodat alleen al op grond hiervan geen sprake kan zijn van een nieuw feit of veranderde omstandigheid. Daarbij komt dat uit de Beleidsbundel [5] volgt dat medische informatie in dit soort gevallen in beginsel niet bruikbaar is om de toedracht van het geweldsmisdrijf, de aanleiding ervan en de omstandigheden waaronder het plaatsvond te onderbouwen. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat dit in dit specifieke geval anders is. Verweerder heeft daarom terecht gesteld dat in dit geval geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.
4.4.
Voor zover eiser met zijn beroepsgrond dat, gelet op de veroordeling van de verdachte voor het geweldsmisdrijf en zijn bekennende verklaring, wel degelijk voldoende duidelijkheid bestaat over de aanleiding, toedracht en omstandigheden van dit geweldsmisdrijf, heeft willen betogen dat het eerdere besluit van 30 april 2024 onmiskenbaar onjuist is en dat weigering om tot herziening over te gaan op grond hiervan evident onredelijk is, merkt de rechtbank het volgende op.
4.5.
Van onmiskenbare onjuistheid is sprake als bij oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of summier onderzoek al blijkt dat het oorspronkelijke besluit onjuist is. [6]
4.6.
Artikel 5 van de Wsg bepaalt dat een uitkering achterwege kan blijven of op een geringer bedrag kan worden bepaald, indien de toegebrachte schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan het slachtoffer of de nabestaande is toe te rekenen. De gedachte achter deze bepaling is dat het Schadefonds is opgericht om mensen, die buiten hun schuld slachtoffer worden van geweld, een financiële tegemoetkoming te bieden in hun schade. Als het slachtoffer een eigen aandeel heeft in het geweld is deze tegemoetkoming in principe niet passend, omdat deze moet worden gezien als een uiting van solidariteit van de samenleving met het slachtoffer. De tegemoetkoming wordt namelijk gefinancierd uit gemeenschapsgeld. [7] Mede in verband hiermee is duidelijkheid nodig over wat er precies is gebeurd, wat de aanleiding voor het incident was en wat de omstandigheden waren. Vaststaat dat in dit geval niet alleen sprake was van gebruik van geweld door de dader, maar ook door eiser. Omdat er geen camerabeelden zijn van wat zich heeft afgespeeld voorafgaand aan het geweld van beide kanten en eiser verder geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt wat er precies is gebeurd, volgt hieruit niet dat oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist is.
Hoorzitting en dossierstukken
4.7.
Verweerder heeft bij brief van 31 januari 2025 de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd en hierbij aan de gemachtigde van eiser een antwoordkaart verzonden waarop eiser kan aangeven of hij een hoorzitting wenst. Omdat hierop geen reactie is ontvangen, heeft verweerder een beslissing op het bezwaar genomen zonder eiser te horen. Gemachtigde van eiser heeft ter zitting toegelicht dat in het bezwaarschrift in de zin: “
Na ontvangst van het dossier zal, worden gezorgd voor een verdere uitwerking en concretisering van de gronden van het bezwaar”, een expliciet verzoek om het houden van een hoorzitting gelezen moet worden en dat, nu geen hoorzitting heeft plaatsgevonden, de hoorplicht is geschonden. De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn standpunt dat in de door hem aangehaalde zin een expliciet verzoek tot het houden van een hoorzitting gelezen moet worden. Ook deze beroepsgrond slaagt dus niet.
4.8.
Tijdens de zitting heeft eiser nog gesteld de antwoordkaart niet te hebben ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank valt redelijkerwijs niet in te zien dat eiser deze beroepsgrond niet op een eerder moment dan pas ter zitting had kunnen aanvoeren. De rechtbank laat deze stelling daarom buiten beschouwing wegens strijd met de goede procesorde.
4.9.
De beroepsgrond van eiser dat in de bezwaarprocedure ten onrechte niet het volledige dossier door verweerder is overgelegd, slaagt evenmin. In de ontvangstbevestiging van 31 januari 2025 is namelijk vermeld dat er in het dossier “herziening” geen aanvullende stukken aan het dossier zijn toegevoegd. Als de gemachtigde van eiser desondanks toch wenste te beschikken over dossierstukken, had het in de rede gelegen om verweerder overeenkomstig te berichten in de bezwaarprocedure. Eiser had deze mogelijkheid ook na ontvangst van de brief van verweerder van 28 februari 2025, waarin verzocht werd om de bezwaargronden aan te vullen en waarop zij niet heeft gereageerd.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten. Ook krijgt hij geen vergoeding voor het betaalde griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Hoeijmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 3 van de Wet Schadefonds geweldsmisdrijven.
2.Artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1161.
5.De Beleidsbundel van 1 juli 2024 (www.schadefonds.nl).
6.Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:118.
7.Pagina 9 en 10 van de Beleidsbundel.