ECLI:NL:RBDHA:2025:24424

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
SGR 25/3305
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen buitenbehandelingstelling paspoortaanvraag wegens ontbreken Nederlanderschap

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 16 december 2025, wordt het beroep van eiser, een Ghanese burger, tegen de buitenbehandelingstelling van zijn paspoortaanvraag behandeld. Eiser had op 8 mei 2024 een aanvraag ingediend voor een Nederlands paspoort, maar deze werd door de minister van Buitenlandse Zaken buiten behandeling gesteld omdat hij niet over het Nederlanderschap beschikt. De rechtbank oordeelt dat de reden hiervoor, namelijk dat het biologisch vaderschap niet binnen 12 maanden na erkenning is aangetoond, terecht is. Eiser stelt dat deze wettelijke bepaling in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), maar de rechtbank volgt deze redenering niet. De rechtbank concludeert dat de wetgever een legitiem doel heeft met de termijn van 12 maanden, namelijk het voorkomen van schijnerkenningen. Eiser heeft niet aangetoond dat er bijzondere omstandigheden zijn die een afwijking van deze termijn rechtvaardigen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de beslissing van de minister.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/3305

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit Ghana, eiser

(gemachtigde: mr. J. Werner),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. L.H.T. Geuzendam).

Inleiding

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiser tegen de buitenbehandelingstelling van zijn paspoortaanvraag.
1.1
Eiser heeft op 8 mei 2024 een aanvraag ingediend voor een Nederlands paspoort bij de Nederlandse ambassade in Accra, Ghana.
1.2
Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 2 juli 2024 buiten behandeling gesteld, omdat eiser niet over het Nederlanderschap beschikt.
1.3
Met het bestreden besluit van 27 maart 2025 heeft verweerder - na het houden van een hoorzitting - het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.4
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.5
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.6
De rechtbank heeft het beroep op 16 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] (vader van eiser), de gemachtigde van eiser, J. Ankoma als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2004 in [geboorteplaats], Ghana en beschikt over de Ghanese nationaliteit. Eiser wenst een Nederlands paspoort te verkrijgen en beroept zich daarbij op de erkenning als minderjarig kind door zijn vader, die de Nederlandse nationaliteit heeft. Verweerder heeft de aanvraag om een Nederlands paspoort buiten behandeling gesteld, omdat eiser niet over de Nederlandse nationaliteit beschikt. De reden hiervoor is dat het biologische vaderschap van de vader van eiser niet binnen één jaar is vastgesteld na de datum waarop hij eiser als zijn kind heeft erkend. [1] In het bestreden besluit heeft verweerder de buitenbehandelingstelling gehandhaafd.
Wat vinden eiser en verweerder in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe de volgende beroepsgronden aan.
3.1
In artikel 4, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) staat dat, om de Nederlandse nationaliteit te verkrijgen door erkenning, binnen één jaar na de erkenning het biologisch vaderschap moet worden aangetoond. Eiser vindt deze wettelijke bepaling in strijd met artikel 14 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) in samenhang met artikel 8 EVRM, alsmede het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Ten eerste vindt eiser het discriminatoir dat artikel 4, vierde lid van de RWN niet voor kinderen onder de 7 jaar geldt. Dit komt eiser voor als een arbitraire leeftijdsnorm. Ten tweede stelt eiser dat deze voorwaarde voor kinderen van 7 jaar en ouder ook discriminatoir uitpakt, nu het verkrijgen van een nationaliteit afhankelijk gemaakt wordt van een arbitraire termijn van 1 jaar, terwijl het biologische vaderschap op basis van DNA-bewijs, onafhankelijk van een dergelijke termijn, is vastgesteld. Anders gezegd: ook na het verloop van de termijn van één jaar is de vader nog steeds de biologische vader van het kind en het is in dit geval dan ook onevenredig om een termijnoverschrijding van slechts één ruime maand tegen te werpen aan het verkrijgen van een nationaliteit en een paspoort.
3.2
Dat voor dit onderscheid in leeftijd een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat, zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 31 maart 2017 [2] , volgt eiser niet. De Hoge Raad heeft overwogen dat dit onderscheid een legitieme doel dient, namelijk het voorkomen van schijnerkenning. Dit wekt bij eiser bevreemding en kan volgens hem niet gelden als objectieve rechtvaardiging voor deze regel. De erkenning heeft in dit geval namelijk al plaatsgevonden en het is aan de ambtenaar van de burgerlijke stand, en niet aan verweerder, om dergelijke schijnerkenning te voorkomen. Bovendien blijkt uit het rapport met DNA-bewijs dat sprake is van biologisch vaderschap en er is in dit concrete geval dus geen sprake van een schijnerkenning.
3.3
Ook vindt eiser dat, mocht de rechtbank oordelen dat voor het onderscheid wel een objectieve rechtvaardiging bestaat, er geen redelijke rechtvaardiging voor dit onderscheid aannemelijk is gemaakt. De Hoge Raad acht van belang dat de wetgever heeft gekozen voor een termijn van één jaar, waardoor de periode van onzekerheid over de verkrijging van het Nederlanderschap door de minderjarige vreemdeling na de erkenning van relatief korte duur is. Tegenwerping van slechts één of enkele maanden termijnoverschrijding is onevenredig. Het belang van het kind om het Nederlanderschap te verkrijgen weegt zwaarder dan de mogelijke onzekerheid die de minderjarige vreemdeling ervaart in afwachting van verkrijging van het Nederlanderschap. Eiser verwijst ter onderbouwing naar een annotatie van prof. R. de Groot van de Universiteit Maastricht. [3]
4. Verweerder heeft in het verweerschrift en op de zitting gemotiveerd gereageerd op de beroepsgronden en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.
Wat zijn de regels?
5. Op grond van artikel 9 van de Paspoortwet geldt het Nederlanderschap als vereiste voor het verkrijgen van een Nederlands paspoort. Dat betekent dat eerst moet worden vastgesteld of eiser de Nederlandse nationaliteit bezit. Artikel 4, vierde lid, van de RWN bepaalt dat een minderjarige van zeven jaar of ouder die door een Nederlander wordt erkend, zoals in het geval van eiser, uitsluitend de Nederlandse nationaliteit verkrijgt indien het biologisch ouderschap van de Nederlandse erkenner binnen één jaar na de erkenning wordt aangetoond door middel van DNA-onderzoek. In het Besluit DNA-onderzoek vaderschap staan de vereisten opgenomen waaraan dat DNA-onderzoek moet voldoen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het verzoek van eiser om een Nederlands paspoort terecht buiten behandeling heeft gesteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Is het bestreden besluit strijdig met artikel 8 EVRM en artikel 14 EVRM?
6.1
Tussen partijen is niet in geschil dat eiser op 7 mei 2021 door zijn vader erkend is en dat eiser destijds de leeftijd van 17 jaar had. Ook niet in geschil is dat het biologisch vaderschap van de vader van eiser is komen vast te staan door het ingebrachte DNA-rapport van Verilabs (een geaccrediteerd laboratorium als bedoeld in artikel 1 van het Besluit DNA-onderzoek vaderschap). Dit rapport dateert van 30 juni 2022 en is meer dan 12 maanden na de datum van erkenning bij verweerder ingediend.
6.2
In het door eiser genoemde arrest van de Hoge Raad is overwogen dat artikel 4, vierde lid, van de RWN een legitiem doel heeft, namelijk het voorkomen van schijnerkenningen. Ook heeft de Hoge Raad overwogen dat het hanteren van een termijn van 12 maanden na erkenning van kinderen van 7 jaar en ouder een redelijke en proportioneel middel is om dat doel te bereiken. In deze overweging heeft de Hoge Raad betrokken dat de wetgever van belang heeft geacht dat schijnerkenningen vooral bij oudere minderjarige kinderen plaatsvinden en dat om die reden een leeftijdsgrens is gesteld op 7 jaar en ouder. Van een volstrekt arbitraire leeftijdsgrens die kennelijk van iedere redelijke grond ontbloot is, is hiermee dan ook geen sprake.
6.3
Bij het bepalen van de termijn van 12 maanden na erkenning heeft de wetgever van belang geacht dat het leveren van DNA-bewijs ertoe leidt dat het Nederlanderschap met terugwerkende kracht vanaf het moment van erkenning wordt verkregen. Vanwege de rechten en mogelijke (financiële) aanspraken die aan het Nederlanderschap zijn verbonden heeft zowel de aanvrager als de Nederlandse staat dan ook belang bij een relatief korte periode van rechtsonzekerheid over de nationaliteit van de aanvrager. De Hoge Raad acht dit geen onredelijke rechtvaardiging voor de gekozen termijn van 12 maanden. De rechtbank ziet in het betoog van eiser geen aanleiding om hiervan af te wijken.
6.4
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de geldende wet- en regelgeving mogen toepassen en is van strijd met artikel 8 en 14 EVRM geen sprake. Eiser heeft verder niet onderbouwd hoe toepassing van het IVRK in dit geval tot een andere conclusie kan leiden. De beroepsgronden slagen niet.
Is het bestreden besluit strijdig met het evenredigheidsbeginsel?
6.5
Eiser heeft verder aangevoerd dat het bestreden besluit onevenredig is. De hoogste bestuursrechter heeft eerder al bepaald dat het Nederlanderschap niet kan worden verkregen door de werking van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur [4] , dus ook niet door het evenredigheidsbeginsel. Dit laat echter onverlet dat aanleiding kan bestaan om tot een andere uitkomst te komen, indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Dat is alleen het geval indien die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.
6.6
Daarvan is hier geen sprake. Voor de keuze voor een termijn van 12 maanden na erkenning is door de wetgever van belang geacht dat de periode van rechtsonzekerheid over de nationaliteit van het minderjarige kind zo kort mogelijk moet zijn. Dat met het te laat aangeleverde bewijsmateriaal ook na afloop van de termijn van 12 maanden vaststaat dat de vader van eiser ook zijn biologische vader is, is een gegeven dat de wetgever al had voorzien bij de totstandkoming van dit vereiste. De omstandigheid dat eiser de erkenning en het verkrijgen van DNA-bewijs vanuit het buitenland heeft moeten regelen en daarbij moeilijkheden heeft ondervonden maakt dit niet anders. Procedures omtrent erkenning spelen zich in de regel af vanuit het buitenland [5] en de situatie van eiser kan daarom op zichzelf niet als uitzonderlijk worden beschouwd. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij niet binnen de gestelde 12 maanden een begin van bewijslevering middels een DNA-onderzoek bij verweerder had kunnen aanbieden, temeer eiser bij de erkenning door zijn vader, door de gemeente Amsterdam in 2021 ook schriftelijk op de hoogte was gebracht van deze termijn. Het betoog van eiser dat het onredelijk is om hem de termijn van een jaar tegen te werpen, slaagt gelet op het voorgaande niet.
6.7
De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiser het Nederlanderschap niet heeft verkregen en daarom terecht de aanvraag buiten behandeling heeft gesteld. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder op juridisch juiste gronden de paspoortaanvraag van eiser buiten behandeling heeft gesteld. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 4, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).
3.Vindplaats is o.a. het vaktijdschrift Jurisprudentie Vreemdelingenrecht (JV) 2017/191.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 3 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1400.
5.Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14664 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/).