ECLI:NL:RBDHA:2025:24056

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
NL24.8935
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbRichtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijhedenArtikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen terugkeerbesluit na beëindiging tijdelijke bescherming Oekraïense vreemdeling

Eiser, een Algerijnse vreemdeling met tijdelijk verblijf op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) vanwege de oorlog in Oekraïne, betwist twee terugkeerbesluiten van de minister van Asiel en Migratie. Het eerste besluit van 21 februari 2024 werd ingetrokken en vervangen door een nieuw besluit van 1 augustus 2025, waarin eiser werd verplicht Nederland binnen vier weken te verlaten.

De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het ingetrokken besluit niet-ontvankelijk is, omdat eiser geen concreet belang meer heeft en zijn schadeclaims onvoldoende onderbouwd zijn. Ten aanzien van het besluit van 1 augustus 2025 volgt de rechtbank dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming rechtmatig is en dat eiser geen rechtmatig verblijf meer had op het moment van het nieuwe terugkeerbesluit.

Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het terugkeerbesluit onrechtmatig is, onder meer omdat hij geen afzonderlijk besluit tot beëindiging van het verblijfsrecht kon afdwingen en de bevriezingsmaatregel geen recht op verblijf verleent. Ook is geen sprake van schending van het Unierecht of het EVRM. Het verzoek tot opheffing van de SIS-registratie wordt afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing. De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 1 augustus 2025 is ongegrond; verweerder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.8935

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. E.J.L. van de Glind),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. Mahler).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het aan hem opgelegde terugkeerbesluit van 21 februari 2024 en het beroep tegen het aan hem opgelegde terugkeerbesluit van 1 augustus 2025.
1.1.
Verweerder heeft met het besluit van 21 februari 2024 een terugkeerbesluit opgelegd. Gelijktijdig met het beroep van eiser daartegen heeft eiser een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, dit verzoek is reeds toegewezen. Op 1 augustus 2025 heeft verweerder dat terugkeerbesluit ingetrokken en aan eiser een nieuw terugkeerbesluit opgelegd en bepaald dat eiser binnen vier weken na 4 september 2025 uit Nederland moet vertrekken.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2. De rechtbank heeft het beroep op 21 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht vooraf niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1995 en heeft de Algerijnse nationaliteit. Eiser had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming [1] (hierna: RTB) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit [2] .
3.1.
Op 21 februari 2024 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB eindigt per 4 maart 2024 en heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, geregistreerd met zaaknummer NL24.8935.
3.2.
Op 1 augustus 2025 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is beëindigd en op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Daarnaast heeft verweerder aan eiser een nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Het eerdere terugkeerbesluit van 21 februari 2024 was volgens verweerder prematuur genomen, omdat eiser op dat moment nog rechtmatig verblijf had. Verweerder heeft het besluit van 21 februari 2024 ingetrokken en onder verwijzing naar artikel 6:19, eerste lid, van de Awb vervangen met het bestreden besluit van 1 augustus 2025.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser stelt ten eerste dat hij, hoewel verweerder de eerdere terugkeerbesluiten heeft ingetrokken en daarmee impliciet de onrechtmatigheid daarvan heeft erkend, ten onrechte niet wordt gecompenseerd. Eiser wordt geen rechtsherstel, erkenning van de gevolgen (baanverlies, onzekerheid en schade) of schadevergoeding geboden. Ten tweede stelt eiser dat verweerder een afzonderlijk en gemotiveerd besluit tot beëindiging van het rechtmatig verblijf had moeten nemen, alvorens – of hoogstens gelijktijdig daarmee – een terugkeerbesluit kon worden opgelegd. Eiser stelt daarbij dat er materieel nog sprake is van rechtmatig verblijf zolang de bevriezingsmaatregel van kracht is of zolang de voorlopige voorziening is toegekend. Verweerder stelt, volgens eiser, dan ook ten onrechte dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming niet meer ter discussie staat. Hierdoor is eiser niet in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen tegen het voornemen om het verblijf op grond van tijdelijke bescherming te beëindigen. Daarnaast stelt eiser dat het nieuwe terugkeerbesluit onrechtmatig is, omdat er materieel nog sprake is van rechtmatig verblijf zolang de bevriezingsmaatregel en de voorlopige voorziening gelden. Verder is de beëindiging van de tijdelijke bescherming in strijd met het nuttig effect van de RTB, omdat de asielachterstanden toenemen. In de beëindiging wordt geen inhoudelijke toets naar het nuttig effect verricht. Verweerder heeft daarnaast nagelaten te onderzoeken of eiser in aanmerking komt voor toelating op basis van de verblijfsgrond arbeid of artikel 8 van Pro het EVRM [3] . Dat is in strijd met de doelstellingen van de richtlijn. Ook rust op verweerder de plicht om te onderzoeken of er sprake is van dwingende redenen van humanitaire aard die tegen het opleggen van een terugkeerbesluit in de weg kunnen liggen. Tot slot wilt eiser dat zijn SIS-registratie wordt verwijderd. Door de SIS-registratie leidt hij (reputatie)schade.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Ontvankelijkheid
5. De rechtbank beschouwt het terugkeerbesluit van 1 augustus 2025 als vervangend besluit van het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal het terugkeerbesluit van 1 augustus 2025 op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb inhoudelijk beoordelen.
5.1.
Nu verweerder het besluit van 21 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit. Het beroep op compensatie maakt dit niet anders, omdat eiser met betrekking tot de gestelde schade enkel algemeenheden benoemt die niet concreet op eiser zijn toegespitst. De rechtbank zal het beroep voor zover gericht tegen dit besluit daarom niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft wel recht op een vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 16.
Opleggen terugkeerbesluit 1 augustus 2025
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming niet ter discussie staat. Uit het arrest Kaduna en Abkez [4] volgt – kort samengevat – dat verweerder de facultatieve bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne vroegtijdig mocht beëindigen. Verweerder heeft per 4 maart 2024 de facultatieve tijdelijke bescherming van bovengenoemde derdelanders beëindigd, waar eiser ook onder valt. De hoogste bestuursrechter heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 [5] geoordeeld dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne op 4 maart 2024 mocht beëindigen. [6] De rechtbank stelt met verweerder vast dat eiser geen rechtmatig verblijf had op 1 augustus 2025 en verweerder om die reden bevoegd en verplicht [7] was om een terugkeerbesluit op te leggen. De rechtbank volgt eiser daarom ook niet in zijn betoog dat het besluit om de tijdelijke bescherming onder de RTB te beëindigen afzonderlijk genomen had moet worden.
7. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat het beëindigen van zijn tijdelijke bescherming in strijd is met het doel en nuttig effect van de richtlijn. Uit het arrest Kaduna e.a. [8] volgt dat de intrekking van de facultatieve tijdelijke bescherming geen afbreuk mag doen aan het doel en het nuttig effect van de RTB en daarbij moeten de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, in acht worden genomen. De Afdeling [9] heeft geoordeeld dat er geen sprake is van schending van het Unierechtelijke rechtszekerheids- of het vertrouwensbeginsel. De Afdeling overweegt in de uitspraak van 23 april 2025, onder verwijzing naar de uitspraak van 17 januari 2024, dat er geen reden is om tot een ander oordeel te komen. Eiser heeft niet geconcretiseerd of nader toegelicht waarom het in zijn geval wel in strijd met het nuttig effect van de RTB of algemene beginselen van het Unierecht zou zijn en welke beginselen dan zouden zijn geschonden. De rechtbank ziet dan ook in dit geval geen reden om tot een ander oordeel te komen.
8. De rechtbank stelt verder vast dat de voorzieningenrechter in de uitspraak van 20 maart 2024 de rechtsgevolgen van het eerder opgelegde terugkeerbesluit heeft opgeschort en heeft bepaald dat eiser niet mag worden uitgezet totdat er uitspraak is gedaan op zijn beroep. Deze uitspraak betekent dat de vertrekplicht die aan eiser is opgelegd in het terugkeerbesluit wordt opgeschort tot het moment dat de rechtbank uitspraak doet in beroep. Eiser heeft gedurende de beroepsprocedure (procedureel) rechtmatig verblijf, maar dit laat onverlet dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf in Nederland. De tijdelijke bescherming is immers van rechtswege geëindigd. Verweerder is daarom bevoegd en verplicht om een terugkeerbesluit op te leggen. Eisers beroepsgrond – dat verweerder geen terugkeerbesluit aan eiser kan opleggen omdat eiser materieel rechtmatig verblijf heeft vanwege de voorlopige voorziening – slaagt gelet op het voorgaande niet.
9. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat sprake is van een onrechtmatig terugkeerbesluit omdat hij nog rechtmatig verblijf op grond van de RTB had vanwege de bevriezingsmaatregel. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 6 overwogen, is de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 is geëindigd. Eiser had vanaf dat moment geen rechtmatig verblijf meer in Nederland. Dat het eiser door middel van de bevriezingsmaatregel evenwel was toegestaan om tot 4 september 2025 in Nederland te blijven, maakt niet dat het terugkeerbesluit van 1 augustus 2025 prematuur is opgelegd en daarmee onrechtmatig is.
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich met betrekking tot eisers beroep op schadevergoeding en rechtsherstel op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser geenszins heeft aangetoond en onderbouwd wat de omvang van de schade is. De rechtbank kan derhalve dit verzoek niet toewijzen.
11. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat verweerder had moeten toetsen of eiser in aanmerking komt voor toelating op basis van arbeid of artikel 8 van Pro het EVRM. Verweerder stelt terecht vast dat eiser geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om omstandigheden aan te dragen die tot een verblijfsvergunning zouden kunnen leiden. Verweerder heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat als eiser vindt dat hij een verblijfsrecht ontleent aan artikel 8 van Pro het EVRM dan wel in het kader van arbeid in loondienst of als zelfstandige, dat hij een daartoe strekkende aanvraag kan indienen. [10]
12. Tot slot volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat er geen reden bestaat om verzoeker geen terugkeerbesluit op te leggen of af te zien van de SIS-registratie. Iedere vreemdeling met een terugkeerbesluit, ongeacht of hij de regels heeft overtreden, wordt in het SIS geregistreerd en de lidstaat verwijdert deze SIS-registratie nadat is voldaan aan de terugkeerverplichting die op de vreemdeling rust. Nu op eiser de plicht rust om terug te keren naar Algerije en hij Nederland en het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland moet verlaten, maakt dit reeds dat hij met de SIS-signalering niet onevenredig in zijn belang is geschaad omdat het voor hem niet mogelijk is verblijf in andere lidstaten aan te vragen. Eiser heeft bovendien niet nader geconcretiseerd of onderbouwd hoe hij door de SIS-signalering in zijn belangen wordt geschaad en welke (reputatie)schade hij heeft geleden. Met betrekking tot de stelling van eiser dat verweerder op zijn verzoek om opheffing van de SIS-registratie had moeten reageren, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat met het handhaven van het terugkeerbesluit impliciet is gereageerd op het verzoek van eiser.
13. Ten slotte overweegt de rechtbank ambtshalve dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van gronden om aan te nemen dat eiser een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM bij terugkeer naar Algerije.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep voor zo zover gericht tegen het besluit van 21 februari 2024 is niet-ontvankelijk.
15. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 1 augustus 2025 is ongegrond. Dat betekent dat verweerder het terugkeerbesluit van 1 augustus 2025 terecht heeft opgelegd.
16. Omdat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep gericht tegen het besluit van 21 februari 2024 het gevolg is van de intrekking van dat besluit, ziet de rechtbank redenen om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 21 februari 2024 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 1 augustus 2024 ongegrond;
  • veroordeelt verweerder tot betaling in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2.Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038.
5.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829.
6.Uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829, ECLI:NL:RVS:2025:1827 en ECLI:NL:RVS:2025:1836.
7.Op basis van artikel 6, eerste lid, van de terugkeerrichtlijn.
8.Uitspraak van het Hof van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, r.o. 135.
9.Uitspraak van de Afdeling van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829.
10.Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY2816, r.o. 1.3; en zie de uitspraak van de Afdeling van 12 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2918, r.o. 8.