ECLI:NL:RBDHA:2025:23773

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
25/3321
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing subsidie voor stationaire batterij op grond van de Subsidieregeling Private Laadinfrastructuur bij bedrijven (SPRILA)

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 27 november 2025, wordt het beroep van eiser, een onderneming die laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen wil aanleggen, behandeld. Eiser had op 24 september 2024 een subsidieaanvraag ingediend voor de aanleg van 12 AC laadstations en een stationaire batterij, met een totaal subsidiebedrag van € 48.128,-. De minister van Infrastructuur en Waterstaat verleende echter slechts een subsidie van € 10.848,- voor de laadstations en wees de aanvraag voor de stationaire batterij af, omdat het gevraagde subsidiebedrag voor de nieuwe private infrastructuur minder dan € 25.000,- zou bedragen. Eiser maakte bezwaar tegen deze beslissing, maar het bestreden besluit bleef ongewijzigd. De rechtbank oordeelt dat de minister de aanvraag terecht heeft afgewezen, omdat de voorwaarden van de subsidieregeling niet zijn nageleefd. De rechtbank stelt vast dat de vernieuwde subsidieregeling, die op 1 februari 2025 in werking trad, niet van toepassing was op de aanvraag van eiser, die vóór deze datum was ingediend. De rechtbank concludeert dat de afwijzing van de subsidie voor de stationaire batterij terecht was, omdat de aanvraag niet voldeed aan de drempel van € 25.000,- voor de combinatie van laadstations en de batterij. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/3321

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] B.V., uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. H. Kremers),
en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder

(gemachtigde: mr. C. Cromheecke).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de verlening van een subsidie aan eiser op grond van de Subsidieregeling Private Laadinfrastructuur bij bedrijven (SPRILA).
1.1.
Eiser heeft op 24 september 2024 een aanvraag gedaan voor een subsidie van € 48.128,-. Verweerder heeft op 30 januari 2025 een subsidie verleend van € 10.848,-. [1] Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 17 april 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij die beslissing gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] namens eiser, de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is een onderneming die op het terrein van de onderneming laadinfrastructuur wil aanleggen voor elektrische voertuigen. Hiervoor bestaat een subsidieregeling, de Subsidieregeling Private Laadinfrastructuur bij bedrijven (SPRILA). Deze subsidieregeling vindt zijn grondslag in de Tijdelijke subsidieregeling zero-emissie mobiliteit en helpt bedrijven investeren in laadpunten voor elektrische voertuigen op privéterrein. Eiser heeft op 24 september 2024 een aanvraag gedaan voor 12 AC laadstations (vanaf 11 kW) en voor een stationaire batterij. De aanvraag is gedaan binnen de aanvraagperiode 24 september 2024 (09.00) tot en met 31 december 2024 (12.00). Verweerder heeft het subsidiebedrag voor de laadstations verleend, maar het subsidiebedrag voor de stationaire batterij niet, omdat de gevraagde subsidie voor de nieuwe private infrastructuur minder dan € 25.000,- bedraagt. Eiser is het daar niet mee eens. Deze zaak gaat over de vraag of verweerder het subsidiebedrag voor de stationaire batterij terecht niet ook heeft verleend.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Verweerder heeft het subsidiebedrag voor de stationaire batterij ten onrechte niet verleend. Op het moment van indienen van het bezwaarschrift gold namelijk de vernieuwde subsidieregeling. [2] In die regeling is bepaald dat de subsidie voor een stationaire batterij kan worden verstrekt als het gevraagde subsidiebedrag voor de laadstations én de stationaire batterij ten minste € 25.000.- bedraagt. De subsidieaanvraag van eiser voldoet hieraan. Deze verruiming blijkt ook uit de toelichting bij de regeling. [3] Verweerder had het besluit in bezwaar volledig moeten heroverwegen en de aanvraag moeten toetsen aan de vernieuwde subsidieregeling. [4] Nu eiser wel voldoet aan de subsidievoorwaarden, maar toch wordt uitgesloten van subsidie ontstaat een onevenredig nadeel. Dit terwijl vergelijkbare ondernemers onder dezelfde omstandigheden wel in aanmerking komen voor subsidie, aldus eiser. Hij wijst erop dat de formulering van het aanvraagformulier ook niet strookt met de uitleg die verweerder geeft aan de Tijdelijke subsidieregeling zero-emissie mobiliteit. Bij de vraag ‘Hoeveel subsidie wilt u aanvragen voor private laadinfrastructuur bij bedrijven?’ (categorie ‘€ 25.000,- en meer’) en het onderdeel ‘Totaal berekende subsidie’ wordt in het formulier immers geen onderscheid gemaakt tussen de laadstations en de batterij. Eiser wijst op de begripsbepalingen in de regeling, en de verwijzing aldaar naar de algemene groepsvrijstellingsverordening. [5] Hieruit valt niet af te leiden dat de batterij niet onder de laadinfrastructuur valt of dat uitsluitend de laadstations daaronder moeten worden begrepen. Eiser heeft in bezwaar ook aangevoerd dat als het bezwaar ongegrond wordt verklaard, hij de aanvraag wil aanpassen (twee DC laadstations van 50 kW in plaats van twee AC laadstations), zodat het gevraagde subsidiebedrag alsnog boven de drempel zou uitkomen. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit ten onrechte niet inhoudelijk beoordeeld.
Wat vindt verweerder in beroep?
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij het subsidiebedrag voor de stationaire batterij terecht niet heeft verleend. Hij heeft de aanvraag van 24 september 2024 niet aan de gewijzigde regeling hoeven toetsen. Artikel 2.3.3, vierde lid, van de regeling is per 1 februari 2025 gewijzigd. Uit de toelichting bij die regeling volgt dat de wijzigingen per 1 februari 2025 alleen betrekking hebben op aanvragen die vanaf 2025 zijn ingediend. De afwijzing van de aanvraag voor subsidie voor de stationaire batterij is geschikt, noodzakelijk en evenwichtig. Verweerder wijst erop dat als hij de subsidie voor de stationaire batterij niet zou hebben afgewezen op grond van artikel 2.3.3, vierde lid, van de regeling, hij de aanvraag voor de stationaire batterij zou hebben afwezen vanwege budgetuitputting. [6] Het beschikbare bedrag werd verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. Het subsidieplafond voor stationaire batterijen werd bereikt op 24 september 2024, de onderlinge rangschikking van die aanvragen werd vastgesteld door middel van loting. [7] Verweerder heeft een subsidie kunnen verlenen tot en met rangschikkingsplaats 251, de aanvraag van eiser heeft rangschikkingplaats 521. Verweerder wijst erop dat als hij de aanvraag in bezwaar had gewijzigd door het vervangen van twee AC laadstations door DC laadstations van 50 kW dit een nieuwe aanvraag had betekend. Een aanvraag voor de onderhavige subsidieronde kan echter alleen worden ingediend vanaf 24 september 2024 tot en met 31 december 2024. Tot slot wijst verweerder erop dat eiser op 25 maart 2025 een nieuwe aanvraag heeft ingediend, hiervoor is op 6 juni 2025 subsidie verleend.
Wat zijn de regels?
5. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Had verweerder de aanvraag aan de vernieuwde regeling moeten toetsen?
7. Uit de regeling die in werking trad op 24 september 2024 volgt dat een aanvraag tot subsidieverstrekking kan worden ingediend van 24 september 2024, 9.00 uur tot en met 31 december 2024, 12.00 uur. [8] Eiser heeft op 24 september 2024 een aanvraag gedaan en heeft vervolgens op 10 februari 2025 bezwaar gemaakt tegen het besluit daarop van 30 januari 2025. Vanaf 1 februari 2025 gold de vernieuwde regeling subsidieregeling. [9] Een heroverweging in bezwaar vindt doorgaans ex nunc plaats, in dit geval is echter sprake van een uitzondering daarop. In dit geval gaat het namelijk om een subsidieaanvraag. In de subsidieregeling is een subsidieplafond vastgesteld, het subsidieplafond voor stationaire batterijen was reeds op 24 september 2024 bereikt, er is een begin- en einddatum voor het indienen van de aanvragen vastgesteld, en het budget wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen dan wel door middel van loting. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de aard van een dergelijke subsidiebeslissing zich verzet tegen een ex nunc heroverweging. [10] Dat betekent dat bij het nemen van de beslissing op bezwaar de regels moeten worden toegepast die destijds ook voor de andere aanvragers golden en dat de aanvraag van eiser moet worden vergeleken met de andere aanvragen in de subsidieronde waarvoor eiser een aanvraag heeft gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de aanvraag dus terecht getoetst aan de Tijdelijke subsidieregeling zero-emissie mobiliteit zoals gold vanaf 24 september 2024 [11] en niet aan de vernieuwde regeling van 1 februari 2025.
Heeft verweerder de subsidieaanvraag voor een stationaire batterij terecht niet verleend?
8. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, beoordeelt de rechtbank of verweerder de aanvraag van 24 september 2024 voor subsidie voor een stationaire batterij terecht heeft afgewezen aan de hand van de regeling die gold op 24 september 2024.
8.1.
Uit artikel 2.3.3, eerste lid, aanhef en onder b, van de regeling volgt dat verweerder subsidie kan verlenen voor investeringen in de aanleg van nieuwe private laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen. Uit het derde lid van dat artikel volgt dat de in het eerste lid, aanhef en onder b, bedoelde laadinfrastructuur bestaat uit een of meer laadstations en ten minste bevat de basislaadinfrastructuur, in combinatie met een of meer AC laadstations of DC laadstations van een bepaald vermogen. Verweerder kan naast subsidie voor die laadinfrastructuur ook subsidie verlenen voor een stationaire batterij. Uit het vierde lid van dat artikel volgt dat dit alleen kan in combinatie met een subsidie voor de laadinfrastructuur als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, en alleen als de subsidie voor de laadinfrastructuur als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, ten minste € 25.000,- betreft. De rechtbank is van oordeel dat de formulering van artikel 2.3.3 van de regeling duidelijk tot uitdrukking brengt dat het drempelbedrag van ten minste € 25.000 alleen ziet op subsidie voor de AC dan wel DC laadstations, en niet ook op het subsidiebedrag voor de stationaire batterij. Als de subsidie zoals bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, aanhef en onder b, óók op de stationaire batterij zou zien, zou (de tekst ‘in combinatie met de subsidie bedoeld in het eerste lid, onderdeel b’, van) het vierde lid bovendien zinledig zijn.
8.2.
De verwijzing in artikel 2.3.1 onder begripsbepalingen naar artikel 2, punt 102 bis, van de algemene groepsvrijstellingsverordening [12] maakt dit oordeel niet anders. De groepsvrijstellingsverordening geeft als definitie voor oplaadinfrastructuur: ‘vaste of mobiele infrastructuur die vervoermiddelen, mobiel terminalmaterieel of mobiel grondafhandelingsmaterieel van elektriciteit voorziet’. Eiser voert aan dat hieruit blijkt dat zowel de laadstations als een stationaire batterij onder de definitie van laadinfrastructuur vallen. Weliswaar sluit de regeling aan bij de groepsvrijstellingsverordening, maar artikel 2.3.3 van de regeling geeft vervolgens een nadere invulling aan welke onderdelen van de laadinfrastructuur subsidiabel zijn en onder welke voorwaarden. Het zijn die voorwaarden waaraan verweerder de aanvraag moet toetsen.
Ook de wijze waarop het aanvraagformulier is geformuleerd maakt het oordeel niet anders. Mogelijk dat het aanvraagformulier bij eiser tot verwarring heeft geleid over de voorwaarden waaronder de subsidie kon worden aangevraagd. Eiser heeft hieraan echter nog niet het vertrouwen kunnen ontlenen dat het subsidiebedrag voor de stationaire batterij daadwerkelijk zou worden verleend. Het zijn immers de voorwaarden uit de regeling waaraan verweerder de aanvraag moet toetsen. Het is de rechtbank daarnaast ook niet gebleken dat het aanvraagformulier dusdanig onduidelijk is verwoord dat het bestreden besluit geen stand kan houden.
8.3.
De rechtbank overweegt verder dat uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat na het sluiten van de aanvraagtermijn alle voor de beoordeling en rangschikking relevante gegevens moeten zijn overgelegd en dat daarna geen rekening kan worden gehouden met informatie die neerkomt op een wijziging of aanvulling van de aanvraag. [13] Dat betekent dat eiser gedurende de bezwaarprocedure de aanvraag niet heeft kunnen wijzigen door twee AC laadstations te vervangen door DC laadstations van 50 kW. Het moment van wijzigen viel immers buiten de aanvraagperiode. Anders dan eiser stelt, heeft verweerder deze wijziging dus terecht niet inhoudelijk beoordeeld in het bestreden besluit.
8.4.
De rechtbank stelt vast dat het niet in geschil is dat eiser op 24 september 2024 een aanvraag heeft gedaan voor de realisatie van AC laadstations vanaf 11 kW voor een subsidiebedrag van € 10.848,00. Deze laadstations zijn subsidiabel gelet op artikel 2.3.3, eerste lid, aanhef en onder b, van de regeling. Nu dit subsidiebedrag niet ten minste € 25.000,- bedraagt, heeft verweerder de aanvraag voor subsidie voor de stationaire batterij (€ 37.280,-) terecht niet verleend. [14]
8.5.
Voor zover eiser nog aanvoert dat vergelijkbare ondernemers onder dezelfde omstandigheden wel in aanmerking komen voor subsidie voor een stationaire batterij, overweegt de rechtbank dat van gelijke gevallen geen sprake is. De ondernemers die een soortgelijke aanvraag hebben gedaan als eiser, en mogelijk wel subsidie kregen verleend voor een stationaire batterij, hebben deze aanvraag in dat geval gedaan in een andere aanvraagperiode, onder de voorwaarden van de vernieuwde regeling. Overigens heeft verweerder erop gewezen dat eiser op 25 maart 2025 een nieuwe aanvraag heeft ingediend en dat op 6 juni 2025 subsidie is verleend voor zowel de realisatie van DC laadstations als een stationaire batterij.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2025
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

BIJLAGE

Tijdelijke subsidieregeling zero-emissie mobiliteit
Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 19 juni 2024, nr. IENW/BSK-2024/63686, tot wijziging van de Tijdelijke subsidieregeling zero-emissie mobiliteit in verband met subsidie private laadinfrastructuur
Paragraaf 2.3. Private laadinfrastructuur elektrische voertuigen
Artikel 2.3.1. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
AC laadstation: laadstation als bedoel in artikel 2, punt 52, van verordening 2023/1804 zonder ingebouwde converter;
OV-concessiehouder: vergunninghoudende vervoerder als bedoeld in artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000 van een concessie voor openbaar busvervoer;
DC laadstation: laadstation als bedoel in artikel 2, punt 52, van verordening 2023/1804 met ingebouwde converter;
exploitant van laadinfrastructuur: onderneming waarvan de activiteiten op de locatie in hoofdzaak bestaan uit het via laadinfrastructuur of tankstations aanbieden van elektriciteit of brandstoffen aan derden;
hernieuwbare elektriciteit: elektriciteit als bedoeld in artikel 2, punt 102 quinquies, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
laadinfrastructuur: oplaadinfrastructuur als bedoeld in artikel 2, punt 102bis, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
laadlocatie: locatie met een of meer laadstations met daarbij behorende laadplekken of laadparkeervakken;
laadpunt: laadpunt als bedoeld in artikel 2, punt 48, van verordening 2023/1804;
laadstation: laadstation als bedoeld in artikel 2, punt 52, van verordening 2023/1804;
MIA: Aanwijzingsregeling willekeurige afschrijving en investeringsaftrek milieu-investeringen 2009;
stationaire batterij: systeem voor het opslaan en op een later tijdstip leveren van elektriciteit, dat zich niet bevindt in een elektrisch voertuig, maar wel communiceert met het laadstation.
[…]
Artikel 2.3.3. Subsidiabele activiteiten
1. De Minister kan op grond van deze paragraaf subsidie verstrekken voor:
a. advisering door een bij de Kamer van Koophandel ingeschreven onderneming over de realisatie van private laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen die niet te allen tijde voor het publiek toegankelijk is; of
b. investeringen in de aanleg van nieuwe private laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen die niet te allen tijde voor het publiek toegankelijk is.
2. De advisering bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, bestaat uit een na 1 april 2024 opgesteld advies dat ten minste de volgende elementen bevat:
a. het aantal benodigde laadpunten, type laadstation, verwachte investeringskosten van de laadinfrastructuur en de meest geschikte locaties passend bij de bedrijfsvoering, beschikbare netcapaciteit en de verwachte groei van het elektrische wagenpark van de aanvrager, diens klanten of huurders;
b. de voorziene netcapaciteit, de grootte van de benodigde netaansluiting en, bij ontbreken van voldoende netcapaciteit, de verwachte duur tot realisatie of aanpassing van de netaansluiting; en
c. een situatietekening waarin de fysieke inpassing van de laadinfrastructuur is weergegeven.
3. De laadinfrastructuur bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, bestaat uit een of meer laadstations en bevat ten minste:
a. de basislaadinfrastructuur, bestaande uit het totaal van de infrastructuur behorende bij het laadpunt, waaronder de hoofdaansluiting en de bekabeling, waarop laadpunten die voldoen aan mode 3 of mode 4 als bedoeld in NEN 1010 kunnen worden aangesloten, in combinatie met:
b. een of meer DC laadstations met een vermogen vanaf 20 kW bestaande uit ten minste een laadpunt;
c. een of meer AC laadstations met een vermogen van minimaal 11 kW die in totaal bestaan uit ten minste vier laadpunten; of
d. een of meer AC laadstations met een vermogen vanaf 43 kW.
4. De Minister kan in combinatie met de subsidie bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subsidie verstrekken voor een investering in een stationaire batterij tot een maximum van 1.000 kWh per laadlocatie indien de subsidie voor de activiteit bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, ten minste € 25.000 betreft.
5. De stationaire batterij bedoeld in het vierde lid:
a. heeft een maximaal in- en uitgaand vermogen van 50% van het gecontracteerde transportvermogen;
b. heeft een maximale C-waarde van 0,25; en
c. heeft een opslagcapaciteit van maximaal 1.000 kWh.
[…]
Artikel 2.3.5. Subsidiabele kosten
[…]
2. Voor de subsidiabele activiteit bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel b, of vierde lid, zijn subsidiabel de kosten die op grond van artikel 36bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening voor subsidie in aanmerking kunnen komen.
[…]
Artikel 2.3.6. Hoogte subsidie
[…]
2. De subsidie bedraagt voor de activiteit, bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel b:
[…]
b. voor een mkb-onderneming:
i. € 904 voor een AC laadstation met een vermogen vanaf 11 kW;
[…]
7. De subsidie bedraagt voor de activiteit, bedoeld in artikel 2.3.3, vierde lid:
[…]
b. voor een mkb-onderneming € 160 per kWh opslag.
[…]
Artikel 2.3.7. Subsidieplafond en wijze van verdelen
1. Het subsidieplafond bedraagt voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, voor het jaar 2024:
a. € 17.900.000 voor advisering en voor de aanleg van laadinfrastructuur die AC laadstations betreft;
[…]
3. Het subsidieplafond bedraagt voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.3, vierde lid, voor het jaar 2024:
a.€ 4.500.000 voor investeringen in een stationaire batterij voor andere aanvragers dan OVconcessiehouders of touringcarbedrijven;
[…]
4. De Minister verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
[…]
Artikel 2.3.8. Aanvraagperiode
Een aanvraag tot subsidievestrekking op grond van deze paragraaf kan worden ingediend van 24 september 2024, 9.00 uur tot en met 31 december 2024, 12.00 uur.
[…]
Tijdelijke subsidieregeling zero-emissie mobiliteit
Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 28 januari 2025, nr. IENW/BSK-2025/15703, tot wijziging van de Tijdelijke subsidieregeling zero-emissie mobiliteit in verband met aanpassingen van financiële en technische aard aan de paragraaf private laadinfrastructuur elektrische voertuigen
Paragraaf 2.3. Private laadinfrastructuur elektrische voertuigen
Artikel 2.3.1. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
AC laadstation: laadstation als bedoel in artikel 2, punt 52, van verordening 2023/1804 zonder ingebouwde converter;
OV-concessiehouder: vergunninghoudende vervoerder als bedoeld in artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000 van een concessie voor openbaar busvervoer;
DC laadstation: laadstation als bedoel in artikel 2, punt 52, van verordening 2023/1804 met ingebouwde converter;
duopaal: AC laadstation met twee laadpunten die gelijktijdig een vermogen vanaf 11 kW per laadpunt kunnen leveren;
exploitant van laadinfrastructuur: onderneming waarvan de activiteiten op de locatie in hoofdzaak bestaan uit het via laadinfrastructuur of tankstations aanbieden van elektriciteit of brandstoffen aan derden;
hernieuwbare elektriciteit: elektriciteit als bedoeld in artikel 2, punt 102 quinquies, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
laadinfrastructuur: oplaadinfrastructuur als bedoeld in artikel 2, punt 102bis, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
laadlocatie: locatie met een of meer laadstations met daarbij behorende laadplekken of laadparkeervakken;
laadpunt: laadpunt als bedoeld in artikel 2, punt 48, van verordening 2023/1804;
laadstation: laadstation als bedoeld in artikel 2, punt 52, van verordening 2023/1804;
MIA: Aanwijzingsregeling willekeurige afschrijving en investeringsaftrek milieuinvesteringen 2009;
stationaire batterij: systeem voor het opslaan en op een later tijdstip leveren van elektriciteit, dat zich niet bevindt in een elektrisch voertuig, maar wel communiceert met het laadstation.
[…]
Artikel 2.3.3. Subsidiabele activiteiten
1. De Minister kan op grond van deze paragraaf subsidie verstrekken voor:
a. advisering door een bij de Kamer van Koophandel ingeschreven onderneming over de realisatie van private laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen die niet te allen tijde voor het publiek toegankelijk is; of
b. investeringen in de aanleg van in Nederland gelegen nieuwe private laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen die niet te allen tijde voor het publiek toegankelijk is.
2. De advisering bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, bestaat uit een na 1 april 2024 opgesteld advies dat ten minste de volgende elementen bevat:
a. het huidig elektriciteitsverbruiksprofiel van de locatie, en de verwachte groei van het elektrische wagenpark van de aanvrager, diens klanten of huurders;
b. het aantal benodigde laadpunten, type laadstation dat past bij de laadvraag van het elektrisch wagenpark passend bij de bedrijfsvoering en de verwachte investeringskosten van de laadinfrastructuur, uitgewerkt als de totale kosten voor het laden waarin ook operationele kosten zijn meegenomen;
c. de voorziene netcapaciteit, de grootte van de benodigde netaansluiting en, bij ontbreken van voldoende netcapaciteit, de verwachte duur tot realisatie of aanpassing van de netaansluiting; en
d. een situatietekening waarin de fysieke inpassing van de laadinfrastructuur is weergegeven.
3. De laadinfrastructuur bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, bestaat uit een of meer laadstations en bevat ten minste:
a. een of meer DC laadstations met een vermogen vanaf 20 kW bestaande uit ten minste een laadpunt; of
b. een of meer AC laadstations met een vermogen van minimaal 11 kW, mogelijk in combinatie met de basislaadinfrastructuur, bestaande uit het totaal van de infrastructuur behorende bij het laadpunt, waaronder de hoofdaansluiting en de bekabeling, waarop laadpunten die voldoen aan mode 3 of mode 4 als bedoeld in NEN 1010 kunnen worden aangesloten.
4. De Minister kan in combinatie met de subsidie bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subsidie verstrekken voor een investering in een in Nederland geplaatste stationaire batterij tot een maximum van 1.000 kWh per laadlocatie indien:
a. de subsidie voor de activiteiten in totaal ten minste € 25.000 bedraagt; en
b. de benodigde netcapaciteit voor de te realiseren laadstations meer dan 50% is van het maximaal beschikbare vermogen op de huidige aansluiting, zoals blijkt uit het contract bedoeld in artikel 2.3.12, eerste lid, onderdeel f.
5. De stationaire batterij, bedoeld in het vierde lid, heeft een maximale hardwarematige Cwaarde van 0,25, tenzij:
a. deze is geïntegreerd in het laadstation; of
b. de subsidie wordt aangevraagd door OV-concessiehouders.
[…]
Artikel 2.3.5. Subsidiabele kosten
[…]
2. Voor de subsidiabele activiteit bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel b, of vierde lid, zijn subsidiabel de kosten die op grond van artikel 36bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening voor subsidie in aanmerking kunnen komen.
[…]
Artikel 2.3.6. Hoogte subsidie
[…]
2. De subsidie bedraagt voor de activiteit, bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel b:
[…]
b. voor een mkb-onderneming het maximum per laadstation bedoeld in bijlage 5.
[…]
7. De subsidie bedraagt voor de activiteit, bedoeld in artikel 2.3.3, vierde lid:
[…]
b. voor een mkb-onderneming € 100 per kWh opslag.
8. Onverminderd het tweede en zevende lid bedraagt de subsidie ten hoogste:
a. 40% van de subsidiabele kosten voor een mkb-onderneming;
[…]
Artikel 2.3.7a. Subsidieplafond en wijze van verdelen 2025
[…]
3. Voor andere aanvragers dan OV-concessiehouders of touringcarbedrijven bedraagt het subsidieplafond voor het jaar 2025:
a. voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel b:
1°. € 10.000.000 voor de aanleg van laadinfrastructuur die AC laadstations betreft;
2°. € 35.402.000 voor de aanleg van laadinfrastructuur die DC laadstations betreft;
b. voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.3, vierde lid: € 6.550.000.
[…]
Artikel 2.3.8. Aanvraagperiode
[…]
2. Een aanvraag tot subsidievestrekking op grond van deze paragraaf kan worden ingediend van 25 maart 2025, 9.00 uur tot en met 19 december 2025, 12.00 uur voor het subsidieplafond bedoeld in artikel 2.3.7a.
[…]

Voetnoten

1.SPRILA24-03739205.
2.Met kenmerk IENW/BSK-2025/15703.
4.Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:433, r.o. 2.1, en naar de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 januari 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:55, r.o. 5.2.
5.Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard.
6.Artikel 4:25, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
7.Artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, van het Kaderbesluit subsidies I en M.
8.Artikel 2.3.8 Aanvraagprocedure, regeling met kenmerk IENW/BSK-2024/63686.
9.Met kenmerk IENW/BSK-2025/15703.
10.Uitspraak van de Afdeling van 13 november 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AF0298.
11.Met kenmerk IENW/BSK-2024/63686.
12.Verordening (EU) 2023/1315 van de Commissie van 23 juni 2023 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 651/2014 waarbij bepaalde categorieën van steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, en Verordening (EU) 2022/2473 waarbij bepaalde categorieën steun voor ondernemingen die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten, op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard.
13.Uitspraak van de Afdeling van 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:408, r.o. 8.2, en van 26 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX8283, r.o. 4.1.
14.Artikel 2.3.3, vierde lid, van de regeling.