In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 19 november 2025 uitspraak gedaan in een civielrechtelijk geschil tussen een moeder, eiseres, en haar zoon, gedaagde 2, die als prioriteitsaandeelhouder in het kapitaal van een besloten vennootschap (B.V.) de titel van zelfstandig bevoegd algemeen bestuurder van eiseres heeft ontnomen. De rechtbank oordeelt dat het prioriteitsbesluit van gedaagde 2 niet voldoet aan de gedragsnorm van artikel 2:8 BW, wat leidt tot de vernietiging van dit besluit. De rechtbank stelt vast dat eiseres, die afhankelijk is van een uitkering uit het vermogen van de B.V., en gedaagde 2, als moeder en zoon, een bijzondere familierechtelijke relatie hebben die de besluitvorming beïnvloedt. Het besluit van gedaagde 2 om de uitvoering van een eerder vonnis te blokkeren, wordt eveneens vernietigd, omdat het bestuur niet in redelijkheid tot deze beslissing had kunnen komen. De rechtbank vernietigt ook twee van de drie deelbesluiten van het bestuur van de B.V., terwijl Deelbesluit 1 en Deelbesluit 3 in stand blijven. De rechtbank wijst de vorderingen van eiseres tot verklaring voor recht af, omdat zij onvoldoende belang heeft bij deze verklaring na de vernietiging van de litigieuze besluiten. De proceskosten worden toegewezen aan gedaagde 2 in privé, die als de in het ongelijk gestelde partij wordt aangemerkt. De rechtbank verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.