AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing asielaanvraag Syriër na regimewisseling en terugkeerbesluit
Eiser, een Syrische nationaliteit dragende man geboren in 1970, vroeg in 2021 asiel aan in Nederland. Na een regimewisseling in Syrië op 8 december 2024 waarbij president Assad werd afgezet, werd de veiligheidssituatie opnieuw beoordeeld. Verweerder wees de asielaanvraag af op grond van artikel 31 vanPro de Vreemdelingenwet 2000, stellende dat de vrees van eiser voor rekrutering en geweld niet op geloofwaardigheid kon worden beoordeeld en geen reëel risico op ernstige schade oplevert.
Eiser voerde aan dat hij als voormalig militair en reservist een verhoogd risico loopt op detentie en rekrutering door het nieuwe regime, en dat de veiligheidssituatie in Syrië fragiel en onvoorspelbaar is. Ook stelde hij dat hij een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie met zijn zoon heeft, die medische zorg nodig heeft. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder de veiligheidssituatie adequaat heeft beoordeeld, waarbij het nieuwe regime geen verplichte dienstplicht kent en het geweld in Daraa niet zodanig is dat eiser persoonlijk een reëel risico loopt.
De rechtbank stelde dat eiser onvoldoende individuele omstandigheden heeft aangetoond die een verhoogd risico op willekeurig geweld rechtvaardigen. Daarnaast concludeerde zij dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie met zijn zoon heeft, zodat geen recht op een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRMPro bestaat.
Gelet hierop verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en handhaafde het terugkeerbesluit. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, op 1 december 2025.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit blijft in stand.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.38470
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. E.G. Grigorjan),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).
Inleiding
In het besluit van 25 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 20 november 2025 op een zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Samenvatting
1. Deze zaak gaat over de veiligheidssituatie in Syrië na de regimewisseling op 8 december 2024. Op die datum is president Bashar Al Assad afgezet door oppositiekrachten onder aanvoering van Hayat Tahrir al-Sham (HTS). Deze alliantie van milities heeft vervolgens een interim-bestuur gevormd. Hoewel de burgeroorlog daarmee is geëindigd, zijn er nog steeds meerdere gewapende groeperingen actief in Syrië. Desondanks blijkt uit berichtgeving dat er al vele Syriërs die eerder waren gevlucht vrijwillig zijn teruggekeerd, ook vanuit Nederland. Deze uitspraak gaat over de vraag of verweerder Syriërs in het algemeen en eiser in het bijzonder mag dwingen om terug te keren naar Syrië. De rechtbank zal oordelen dat dit mogelijk is.
Feiten
2. Eiser is geboren op [datum] 1970 en heeft de Syrische nationaliteit.
3. Op 8 oktober 2021 heeft eiser asiel aangevraagd in Nederland. In eerste instantie heeft verweerder aangekondigd deze aanvraag niet in behandeling te nemen omdat Italië daarvoor verantwoordelijk was. Hierna is toch besloten om de asielaanvraag van eiser in Nederland te behandelen omdat eiser niet tijdig kon worden overgedragen aan Italië.
4. Verweerder heeft eiser op 5 maart 2024 gehoord over zijn asielmotieven. Eiser heeft verklaard dat hij eerder in militaire dienst is geweest en dat hij is vertrokken vanwege de vrees dat hij als reservist opnieuw moest gaan dienen in het leger van Assad. Op 3 maart 2025 heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, geoordeeld dat verweerder niet tijdig op eisers asielaanvraag heeft beslist en verweerder opgedragen om binnen acht weken alsnog te beslissen. Op 13 maart 2025 is eiser door verweerder aanvullend gehoord vanwege de regimewisseling die intussen had plaatsgevonden in Syrië. Eiser heeft verklaard dat hij bij terugkeer slachtoffer vreest te worden van de algemene veiligheidssituatie en van rekrutering door het nieuwe regime. Ook heeft eiser verklaard over zijn zoon, die samen met hem is gevlucht, medische zorg nodig heeft en inmiddels statushouder is in Nederland.
5. In het voornemen van 9 mei 2025 heeft verweerder meegedeeld eisers asielaanvraag te willen gaan afwijzen. Eiser heeft op 5 juni 2025 zijn zienswijze bij verweerder ingediend. In het bestreden besluit is verweerder bij zijn voornemen gebleven.
Bestreden besluit en standpunten
6. Verweerder heeft in het bestreden besluit eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. De door eiser gestelde vrees voor rekrutering, voor de gevolgen van het niet willen dienen als reservist onder Assad, en voor de algemene situatie is niet op geloofwaardigheid beoordeeld. Deze vrees leidt niet tot vluchtelingschap of een reëel risico op ernstige schade. Uit niets is gebleken dat eiser als een reservistendienstweigeraar wordt gezien. Uit algemene informatie blijkt dat het nieuwe regime geen verplichte militaire dienst voorschrijft. Eisers vrees om gerekruteerd te worden berust dan ook enkel op vermoedens. Hoewel er sprake is van geweld in de omgeving van Tal Shihaab in het gouvernement Daraa, eisers voormalige woonplaats, is dat geweld niet zodanig dat eiser door zijn enkele aanwezigheid in Daraa daarvan slachtoffer dreigt te worden. Eisers persoonlijke omstandigheden, met name de omstandigheid dat hij minder mobiel is omdat hij bij een bombardement in Syrië in 2013 gewond is geraakt, maken dit niet anders. Eiser wordt niet gevolgd in zijn stelling dat terugkeerders die in Europa asiel hebben aangevraagd worden vervolgd. De door eiser in de zienswijze aangehaalde informatie is geen aanleiding voor een ander oordeel. Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit bepaald dat eiser geen aanspraak maakt op een reguliere verblijfsvergunning, omdat geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie met zijn zoon.
7. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat hij bij terugkeer weldegelijk het risico loopt dat hij zal worden verhoord en gedetineerd omdat hij in Europa asiel heeft aangevraagd. Daarnaast voert hij aan dat voormalig militairen automatisch worden geregistreerd als reservistendienstplichtigen en dat ook het nieuwe regime voormalig militairen rekruteert. Hierbij verwijst hij naar de algemeen ambtsberichten (AAB) inzake Syrië van december 2024 en mei 2025 van de minister van Buitenlandse Zaken. Verder voert eiser aan dat uit allerlei omstandigheden blijkt dat het huidige regime de veiligheid niet kan garanderen. In dit verband verwijst hij naar de tussenuitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 5 juni 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:9840) en 30 juli 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:14097). Zo wordt er amnestie verleend aan oud-militairen die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen, wordt niet opgetreden tegen aanvallen op minderheidsgroepen, vindt er op grote schaal corruptie en afpersing plaats, is er een gebrek aan bestaansmiddelen, wordt er te weinig gedaan aan wederopbouw en zijn er nog veel gewapende milities en Israëlische troepen actief, onder meer in Daraa. Bovendien is er veel onzekerheid en onrust, zodat niet duidelijk is hoe deze situatie zich in de nabije toekomst gaat ontwikkelen. Verweerder heeft, net als ten aanzien van Jemen, onvolledig beoordeeld in hoeverre sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 15c van de Richtlijn 2011/95/EU (Kwalificatierichtlijn). Ook heeft verweerder daarbij te weinig rekening gehouden met eisers persoonlijke omstandigheden. Verweerder had dan ook geen terugkeerbesluit mogen uitvaardigen. Daarnaast voert eiser aan dat er wel degelijk sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie met zijn zoon, aangezien hij dagelijks zorg verleent en sprake is van een zeer emotionele en hechte band. Om dit te onderbouwen heeft eiser het medisch dossier van zijn zoon overgelegd.
8. In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat het bestreden besluit juist is. Dat eiser wordt gezien als reservistendienstplichtige wordt niet gevolgd, aangezien hij 54 jaar is, gehandicapt is, lang zonder problemen in zijn eigen woonplaats heeft kunnen verblijven en na de ontvangst van een nieuw paspoort legaal is uitgereisd. Bovendien heeft de nieuwe interim-regering de dienstplicht afgeschaft, zodat eisers vrees om te worden gerekruteerd niet aannemelijk is. De 15c-beoordeling is een globale beoordeling van het samenspel van verschillende factoren. Anders dan zittingsplaats Roermond in de door eiser aangehaalde tussenuitspraken heeft geoordeeld, zijn humanitaire omstandigheden daarbij niet snel doorslaggevend. Wel moeten humanitaire omstandigheden worden meegewogen bij de globale beoordeling als die het directe of indirecte gevolg zijn van het handelen of nalaten van strijdende partijen in een actief gewapend conflict. De slechte omstandigheden in Syrië zijn echter maar zeer ten dele het gevolg van het nu gaande gewapende conflict. Anders dan in de aangehaalde tussenuitspraken van zittingsplaats Roermond wordt vermeld, houdt verweerder er daarbij rekening mee dat gericht geweld ook gevolgen kan hebben voor burgers die geen doelwit zijn van dat geweld. Voor de provincie Daraa is terecht de laagste gradatie van algemeen geweld aangenomen. Hierbij verwijst verweerder naar de Kamerbrief van 10 juni 2025 (Kamerstukken II 2024-25, 19 637, nr. 3435). Hoewel de situatie fragiel is, is er geen sprake van een toename van het aantal geweldsincidenten. Om dit te onderbouwen heeft verweerder in een aanvulling op het verweerschrift recente cijfers van Syria Weekly overgelegd. Het beeld van de veiligheidssituatie wordt verder bevestigd door het opheffen van een interim measureop 11 augustus 2025 door het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU). Ook de Duitse rechter neemt geen algemeen risico aan bij terugkeer naar Syrië. Hoe meer een vreemdeling aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld nodig is om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming. In het geval van eiser is echter niet gebleken van bijkomende individuele omstandigheden. Daarnaast volgt uit de beroepsgronden niet alsnog dat tussen eiser en zijn zoon sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Motivering van het bestreden besluit.
9. Allereerst wordt eiser niet gevolgd in zijn stelling dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd door te verwijzen naar internetlinks die niet zouden werken, of naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) die niet ter zake doende zouden zijn. De door verweerder in het voornemen en het bestreden besluit genoemde internetpublicaties zijn door de rechtbank te raadplegen via de opgenomen links, en bedoelde bronnen zijn ook te raadplegen door de desbetreffende links als een zoekopdracht in te voeren. Daarnaast is, anders dan eiser stelt, de Afdelingsuitspraak in voetnoot 1 van het voornemen weldegelijk een relevante verwijzing, aangezien deze betrekking heeft op de samenwerkingsplicht als een in acht te nemen aspect bij het achterwege laten van de geloofwaardigheidsbeoordeling.
10. Gelet op wat tijdens de zitting van 20 november 2025 is besproken, vat de rechtbank hetgeen door eiser is aangevoerd over de toetsingsvolgorde niet zodanig op dat verweerder eisers vrees ten onrechte niet op geloofwaardigheid zou hebben beoordeeld. Uit onderdeel C1/4.5, onder 5, van de Vreemdelingencirculaire 2000 volgt ook dat verweerder de geloofwaardigheidsbeoordeling onder omstandigheden achterwege mag laten. De Afdeling heeft dit beleid geaccordeerd in de uitspraak van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2333, en geoordeeld dat verweerder wel alle relevante feiten en omstandigheden moet betrekken bij de vraag of aan de vreemdeling internationale bescherming moet worden verleend. Niet in geschil is dat verweerder dat heeft gedaan. Wel in geschil is of verweerder daaraan de juiste weging heeft gegeven.
Veiligheidssituatie
11. In artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn staat dat ernstige schade, die aanleiding geeft om een asielvergunning te verlenen, kan bestaan uit ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Het HvJ EU heeft in het arrest van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843, in de zaak X. en Y. uiteengezet dat willekeurig geweld verschillende gradaties heeft. In de hoogste gradatie is de mate van willekeurig geweld zodanig dat iemand door zijn enkele aanwezigheid in het gebied al een reëel risico loopt op ernstige schade. In een lagere gradatie kan een vreemdeling door zijn persoonlijke kenmerken eerder slachtoffer worden van willekeurig geweld.
12. Op 17 juni 2025 heeft verweerder het wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2025/13 gepubliceerd (Staatscourant 2025, 20828). Daarin is zijn huidige inschatting van de veiligheidssituatie in Syrië neergelegd. Verweerder concludeert dat in heel Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Volgens verweerder leidt de enkele aanwezigheid in Syrië op zichzelf daarom nog niet tot een reëel risico om te worden blootgesteld aan ernstige schade, dat kan anders zijn als een individuele vreemdeling vanwege zijn persoonlijke omstandigheden een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van het aanwezige willekeurige geweld. Verweerder heeft zich hierbij gebaseerd op het AAB 2025 en de daarin benoemde onderliggende bronnen.
13. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder de veiligheidssituatie in Syrië te licht heeft ingeschat. Dat het AAB 2025 ziet op een relatief korte verslagperiode, en dat het onzeker is hoe de situatie in Syrië zich gaat ontwikkelen, is daarvoor niet voldoende. Met deze argumenten kan niet worden betoogd dat het AAB 2025 geen goed beeld geeft van de huidige veiligheidssituatie. Eiser heeft geen bronnen of cijfers overgelegd die een ander beeld geven dan het AAB 2025. De in beroep door verweerder overgelegde recente cijfers van Syria Weekly geven een vergelijkbaar beeld. De stelling van eiser dat verweerder zich maar op één of enkele bronnen baseert kan ook niet worden gevolgd, alleen al vanwege het grote aantal onderliggende bronnen dat blijkens het AAB 2025 bij het opstellen daarvan is gebruikt. Ten slotte kan eiser niet worden gevolgd in zijn stelling dat verweerder te weinig oog heeft gehad voor de humanitaire omstandigheden in Syrië. Verweerder stelt zich namelijk terecht op het standpunt dat deze grotendeels het gevolg zijn van de burgeroorlog die inmiddels ten einde is gekomen, en niet van het thans actieve gewapende conflict. Daarmee zijn deze omstandigheden maar zeer ten dele relevant in het kader van de 15c-inschatting. Hierbij is van belang dat blijkens het AAB 2025 actief wordt gewerkt aan het weghalen van achtergebleven ontplofbare munitie en mijnen.
14. Dit brengt met zich mee dat eiser individuele omstandigheden naar voren moet brengen die maken dat hij persoonlijk een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van het algemene geweld, om aannemelijk te maken dat hij om die reden bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Dat eiser in Europa asiel heeft aangevraagd, is niet als een dergelijke omstandigheid aan te merken. Uit pagina 128 van het AAB 2025 volgt namelijk dat er geen informatie bekend is waaruit blijkt dat terugkeerders problemen ondervinden. Dat eiser een afgezwaaid militair is, is evenmin als een dergelijke omstandigheid aan te merken. De informatie uit het AAB 2024 waaruit volgt dat afgezwaaide militairen op een reservistenlijst werden geplaatst, dateert namelijk van vóór de regimewisseling. Daarnaast volgt uit het AAB 2025 wel dat het nieuwe regime specifieke personen inlijft die vanwege hun functie nuttig zijn, en dat strijders die voorheen voor een andere groepering actief waren zichzelf vrijwillig aansluiten, maar niet dat er sprake is van een algemene (reservisten)dienstplicht, laat staan van gedwongen rekrutering. Dat eiser 54 jaar oud is en een beperkte mobiliteit heeft, is ook geen relevante omstandigheid in dit kader. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij zodanig beperkt is dat hij het risico loopt om daardoor eerder dan een willekeurig ander persoon slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Verweerder heeft er in dit kader op kunnen wijzen dat eiser weliswaar niet meer hard kan rennen, maar dat hij overigens nog mobiel is en kan autorijden.
15. Tijdens de zitting op 20 november 2025 heeft eiser nog aangevoerd dat de veiligheidssituatie niet in alle regio’s binnen Syrië gelijk is. Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij niet op een veilige manier naar Daraa zou kunnen reizen.
16. Verweerder heeft terecht overwogen dat eiser zijn gestelde vrees niet aannemelijk heeft gemaakt en de asielaanvraag daarom terecht afgewezen als ongegrond.
Familieleven
17. In artikel 8 vanPro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is het recht op familieleven neergelegd. Bij de afwijzing van een eerste asielaanvraag toetst verweerder uit eigen beweging of aan de betrokkene op grond van dit artikel een reguliere verblijfsvergunning moet worden verleend. Tussen een vader en zijn meerderjarige zoon bestaat alleen familieleven dat wordt beschermd door dit artikel als tussen hen een emotionele band bestaat met bijkomende elementen van afhankelijkheid ( additional elements of dependancy involving more than the normal emotional ties). Of een dergelijke band aanwezig is, moet van geval tot geval worden beoordeeld aan de hand van alle relevante feitelijke omstandigheden. Daarbij mag geen doorslaggevend gewicht worden toegekend aan de vraag of sprake is van exclusieve afhankelijkheid (dat wil zeggen: de vraag of de betrokkenen niet zonder elkaar kunnen functioneren). Dit volgt uit de rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 18 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3275.
18. Eiser heeft weliswaar gesteld dat hij een zeer hechte emotionele band met zijn zoon heeft, en dat hij dagelijks van 07:00 tot 22:00 uur bij hem is en mantelzorgtaken voor hem verleent, maar hij heeft deze stellingen niet aannemelijk gemaakt. Uit de door hem overgelegde medische stukken blijkt wel dat zijn zoon zorgnodig heeft, maar niet wat eisers rol hierin op dit moment is. Ook de in de beroepsgronden aangehaalde bijdrage van een sociaal-juridisch medewerker van het asielzoekerscentrum waar eiser verblijft is niet voldoende. Dit is namelijk slechts een weerslag van wat zij van eiser heeft gehoord en daarmee geen eigen waarneming. Eiser heeft tijdens de zitting van 20 november 2025 nog naar voren gebracht dat hij als asielzoeker niet als officiële mantelzorger kan worden geregistreerd. Dit brengt echter niet mee dat het voor hem in het geheel niet mogelijk is om een onderbouwing van de door hem gestelde band met zijn zoon aan te leveren. Verweerder heeft daarom niet ten onrechte overwogen dat niet gebleken is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn zoon, zodat geen familieleven in de zin van artikel 8 vanPro het EVRM kan worden aangenomen. Verweerder heeft dan ook terecht geweigerd om een reguliere verblijfsvergunning te verlenen.
Terugkeerbesluit
19. Het voorgaande brengt met zich mee dat verweerder eveneens terecht tegen eiser een terugkeerbesluit heeft uitgevaardigd.
Conclusie en gevolgen
20. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand.
21. Er is daarom geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 1 december 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter en voorzitter, en mr. K.M. de Jager en mr. M.J. Paffen, rechters, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.