ECLI:NL:RBDHA:2025:22553

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
NL24.42290
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van het rechtmatig verblijf van een EU-burger in Nederland en de gevolgen van een terugkeerbesluit

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 28 november 2025 uitspraak gedaan over de rechtmatigheid van het verblijf van eiseres in Nederland. Eiseres, een EU-burger, had bezwaar aangetekend tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie, dat haar verblijf in Nederland als ongegrond was verklaard. De rechtbank oordeelde dat de minister zich terecht op het standpunt had gesteld dat eiseres niet voldeed aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf, maar dat de minister ten onrechte had bevolen dat zij naar Polen moest terugkeren. De rechtbank vernietigde dit onderdeel van het besluit, maar liet de rest van het besluit in stand. Eiseres had geen rechtmatig verblijf omdat zij langer dan drie maanden in Nederland verbleef zonder aan de voorwaarden te voldoen, zoals het hebben van werk of voldoende middelen van bestaan. De rechtbank overwoog dat de minister voldoende onderzoek had gedaan en dat eiseres niet opnieuw gehoord hoefde te worden, omdat er geen nieuwe feiten waren die haar verblijf rechtvaardigden. De rechtbank concludeerde dat de belangenafweging in het nadeel van eiseres uitviel, maar dat de terugkeer naar Polen niet kon worden opgelegd. Eiseres kreeg een proceskostenvergoeding van € 1.814,- toegekend.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.42290
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. P.M. Langereis),
en

de Minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.G.M. van Bel).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vaststelling van de minister dat eiseres in Nederland geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht. Eiseres is het niet eens met het besluit van de minister om haar bezwaar daartegen kennelijk ongegrond te verklaren. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 16 januari 2024 (het primaire besluit) heeft de minister vastgesteld dat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht. Eiseres moet Nederland daarom binnen een maand verlaten.
2.1.
Met het besluit van 1 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres daartegen kennelijk ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Eiseres is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 20 oktober 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep (Zaak NL25.42291), op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. De minister stelt zich op het standpunt dat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft, omdat zij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 8.12, lid 1 van het Vreemdelingenbesluit (Vb). Eiseres verblijft langer dan 3 maanden in Nederland, verricht geen arbeid in loondienst en heeft niet aangetoond dat zij op zoek is naar werk. Daarnaast is niet gebleken dat zij over voldoende middelen van bestaan beschikt om hier in Nederland in haar eigen onderhoud te kunnen voorzien. Met het bestreden besluit heeft de minister dit gehandhaafd. De minister erkent daarbij dat het besluit zes maanden na het gehoor is genomen, maar stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken dat er sprake is van gedateerde informatie. Eiseres heeft enkel gesteld dat zij nu een relatie heeft met een in Nederland verblijvende man, maar dat vormt voor de minister geen reden om af te zien van de vaststelling dat eiseres geen rechtmatig verblijf. Eiseres heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een duurzame en exclusieve relatie en dat deze niet kan worden voortgezet in het land van herkomst. Omdat de vaststelling dat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft ook een verwijderingsmaatregel is, heeft de minister het belang van eiseres om in Nederland te blijven afgewogen tegen het belang van de Nederlandse staat. Volgens de minister valt deze belangenafweging in het nadeel van eiseres uit. Eiseres moet Nederland binnen een maand verlaten. Dat betekent dat eiseres Nederland niet later dan voor 24.00 uur op de laatste dag van de maandtermijn moet hebben verlaten. Hiermee is eiseres een afdoende vertrektermijn gegeven. Eiseres heeft geen aanzienlijk belang aangevoerd op grond waarvan een langere vertrektermijn nodig zou zijn. Dat de minister had moeten aangeven op welke wijze eiseres daadwerkelijk en effectief haar verblijf in Nederland moet beëindigen om aan het verwijderingsbesluit gehoor te geven, zoals eiseres stelt, volgt de minister niet. De minister stelt in dit opzicht geen actieve informatieplicht te hebben.
4. Tussen partijen is niet in geschil dat de minister eiseres in het bestreden besluit ten onrechte heeft opgedragen om naar Polen te vertrekken. De minister heeft dit erkend en verzoekt de rechtbank om zelf in de zaak te voorzien door het zinsdeel “en zich naar Polen te begeven” te vernietigen en eiseres aan te zeggen binnen een maand Nederland te verlaten.

Toetsingskader

5. Een vreemdeling met de nationaliteit van een EU-lidstaat mag zonder verblijfsvergunning langer dan drie maanden in Nederland verblijven als hij aan bepaalde voorwaarden voldoet. Die voorwaarden zijn opgenomen in de artikelen 8.7 tot en met 8.25 van het Vb. Die artikelen zijn vastgesteld ter uitvoering van de Verblijfsrichtlijn. Een vreemdeling mag langer dan drie maanden in Nederland verblijven als hij werknemer of zelfstandige is of kan bewijzen dat hij werk zoekt en een reële kans op werk in Nederland heeft. Ook mag hij zo lang in Nederland verblijven als hij aan een Nederlandse onderwijsinstelling onderwijs volgt, over een verzekering beschikt die de ziektekosten in Nederland volledig dekt en de zekerheid kan geven dat hij voor zichzelf en zijn familieleden over voldoende middelen van bestaan beschikt.
5.1.
Het rechtmatig verblijf eindigt niet om de enkele reden dat de vreemdeling niet langer werknemer of zelfstandige is, als hij na werkzaamheden als werknemer of zelfstandige ten minste een jaar onvrijwillig werkloos is en als werkzoekende bij het UWV is ingeschreven.
Onderzoeksplicht
6. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte stelt dat er gerede twijfel was om te onderzoeken of zij rechtmatig verblijf genoot. Er moet sprake zijn van één of meer indicatoren in combinatie met op de persoon toegespitste omstandigheden. De minister heeft de genoemde indicatoren niet publiek gemaakt en motiveert de indicatoren ook niet in de beschikking. Ook heeft de minister niet nader gemotiveerd waarom er sprake is van een redelijke twijfel om het verblijfsrecht van eiseres te onderzoeken enkel op basis van overlastmeldingen die voornamelijk verbandhouden met alcoholgebruik. Eiseres stelt verder dat de minister in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld door eiseres niet opnieuw te horen voor het besluit uit te brengen. Ten tijde van het begin van het onderzoek genoot zij namelijk de status van werknemer. Op dat moment was eiseres dus niet gehouden om enige stukken te overleggen waaruit blijkt dat zij op dat moment rechtmatig verblijf had, omdat dit al uit Suwinet bleek. De minister had daarom een nieuw onderzoek moeten starten en eiseres opnieuw moeten horen.
6.1.
Uit het dossier is gebleken dat eiseres op 26 juli 2023 door de politie Midden- Nederland in Utrecht is aangehouden voor een vrijheidsstraf van twee dagen vervangende hechtenis. Uit onderzoek bleek dat eiseres veelvuldig met de politie in aanraking is gekomen voor voornamelijk meldingen over overlast. Daarnaast bleek dat eiseres nooit ingeschreven heeft gestaan op een adres in Nederland. De minister heeft daarin voldoende aanleiding mogen zien voor een onderzoek naar het verblijfsrecht van eiseres. Tijdens dit onderzoek is naar voren gekomen dat eiseres tot en met 31 mei 2023 heeft gewerkt bij hotel Maarssenbroek. Eiseres mocht op het moment van dat onderzoek, op of rond 28 juli 2023, daarom nog in Nederland verblijven. De gemachtigde van de minister heeft ter zitting toegelicht dat ook na 28 juli 2023 overlastmeldingen binnenkwamen en dat bleek dat eiseres haar zwervende bestaan had voortgezet. De minister heeft in dat kader ook Suwinet geraadpleegd. Omdat niet was gebleken dat de situatie van eiseres was gewijzigd en de vrije termijn van drie maanden reeds was verstreken, heeft de minister, na het voorstel van de vreemdelingenpolitie, op 16 januari 2024 het bestreden besluit geslagen. De rechtbank ziet onder deze omstandigheden geen aanleiding voor het oordeel dat de minister eiseres opnieuw had moeten horen. De rechtbank betrekt in dat kader dat tijdens het eerdere gehoor geen omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan de minister zou moeten afzien van de vaststelling dat eiseres geen verblijfsrecht heeft. Daarnaast is tijdens het onderzoek niet gebleken dat er iets in de situatie was gewijzigd. Bovendien heeft eiseres in bezwaar ook de mogelijkheid gehad om omstandigheden aan te voeren. De beroepsgrond slaagt niet.
Beëindiging verblijf
7. Eiseres stelt verder dat de minister ten onrechte niet heeft gemotiveerd welke handelingen zij moet verrichten om haar verblijf daadwerkelijk en effectief te beëindigen. Zij volgt niet dat de minister daarin geen actieve informatieplicht in heeft. Doordat onduidelijk blijft hoe zij daadwerkelijk moet voldoen aan de vertrekverplichting, ontstaat een situatie waarin eiseres middels vreemdelingendetentie van haar vrijheid wordt beroofd zonder dat hier een voldoende duidelijke en voorzienbare juridische basisvoor bestaat. Dat eiseres haar daadwerkelijke vertrek kan aantonen door een inschrijving in het BRP, huurovereenkomsten of arbeidsovereenkomsten vanuit een ander lidstaat te overleggen, is in strijd met het verbod op ongelijke behandeling op grond van sociaaleconomische status. Unieburgers die een zwervend bestaan leven, kunnen namelijk niet aan deze vereisten voldoen. Verder zou dit betekenen dat van haar verlangd wordt dat zij meer banden en aanzienlijkere belangen moet opbouwen in een andere lidstaat voordat zij kan aantonen dat zij haar centrum van belangen uit Nederland heeft verplaatst. Deze lezing volgt niet uit het arrest FS1 of het Unierecht.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er op hem geen actieve informatieplicht rust over het rechtmatig verblijf van individuele Unieburgers in Nederland. De minister heeft in dat kader terecht gewezen op de werkinstructie 2023/3, waarin uiteengezet is welke elementen van belang zijn voor het daadwerkelijk en effectief beëindigen van het verblijf. Deze elementen komen overeen met de elementen aan de hand waarvan volgens het arrest FS tegen Nederland moet worden beoordeeld of het verblijf in het gastland daadwerkelijk en effectief is beëindigd. Van eiseres mag verwacht worden dat, als zij hierover vragen heeft, zij zelf informatie inwint. Ook is het aan eiseres om zich nader te laten informeren onder welke voorwaarden zij een nieuw verblijfsrecht zal kunnen krijgen.2 De toets of eiseres haar verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd vindt pas plaats wanneer eiseres Nederland eerst zou hebben verlaten en vervolgens terug zou keren en hier opnieuw zou wensen te verblijven. De minister heeft zich ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet gevolgd kan worden in haar betoog dat er sprake is van een schending van artikel 5 van het EVRM. De situatie die eiseres schetst is op dit moment een zuiver hypothetische situatie waarop niet vooruit kan worden gelopen. Het enkele feit dat onrechtmatig verblijf kan leiden tot vreemdelingenbewaring acht de rechtbank niet in strijd met artikel 5 van het EVRM. Indien daar sprake van zou zijn, kan eiseres hiertegen andere rechtsmiddelen aanwenden.
Belangenafweging
8. De belangenafweging valt volgens eiseres ten onrechte in haar nadeel. De minister heeft haar gehele arbeidsverleden onvoldoende betrokken. Daarnaast gaat de richtlijn uit van een sterker wordende binding hoe langer het verblijf voortduurt. Ook is het eiseres niet duidelijk waarom het belang van de staat zwaarder dient te wegen vanwege de overlastmeldingen. Het gaat immers om een klein aantal overlast meldingen.
8.1.
De rechtbank overweegt dat de minister alle relevante belangen van eiseres in de belangenafweging heeft betrokken en meegewogen. De minister heeft immers meegewogen dat eiseres meerdere jaren in Nederland heeft verbleven, dat eiseres heeft gesteld dat zij een relatie heeft met een in Nederland verblijvende man, dat zij een arbeidsverleden in Nederland heeft en dat zij geen beroep heeft gedaan op het sociale bijstandsstelsel. Dat weegt volgens de minister echter niet op tegen de omstandigheden dat eiseres nooit in Nederland op een woonadres ingeschreven heeft gestaan, geen middelen van bestaan heeft, het niet aannemelijk is gemaakt dat zij een duurzame relatie heeft, zij niet werkzaam is of als werkzoekende ingeschreven staat en dat is gebleken dat eiseres veel overlast veroorzaakt. De ter zitting aangevoerde, niet onderbouwde stelling dat eiseres werkzoekende is, maakt het vorenstaande niet anders. Daarnaast heeft de minister in de belangenafweging betrokken dat eiseres het grootste gedeelte van haar leven in Polen heeft doorgebracht, dat niet valt in te zien waarom eiseres niet in Polen zou kunnen werken en dat het is niet gebleken dat eiseres in Polen niet veilig zou zijn omdat de oorlog met Oekraïne dichtbij is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van eiseres laten uitvallen.
1. ECLI:EU:C:2021:506, C-719/19 (FS tegen Nederland).
Horen in bezwaar
9. Tot slot stelt eiseres zich op het standpunt dat de minister ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar, terwijl zij daar expliciet om heeft verzocht. Het is evident dat er een wijziging in de omstandigheden heeft plaatsgevonden gedurende de bezwaarfase, aangezien eiseres ten tijde van het gehoor voldeed aan artikel 7 van de verblijfsrichtlijn, dit wordt niet betwist door de minister, maar ten tijde van het bezwaar in de optiek van de minister niet meer. Daarnaast heeft eiseres in bezwaar kenbaar gemaakt een relatie te hebben. Dat eiseres geen stukken heeft ingediend, is geen reden om af te zien van horen in bezwaar. Dat is namelijk geen reden zoals geformuleerd door de Afdeling in ECLI:NL:RVS:2022:1918. Daarbij is tevens van belang dat het gehoor van eiseres wel heeft gehad heeft plaatsgevonden in een periode waarin zij wel werkzaam was en dus wel voldeed aan artikel 7 van de Verblijfsrichtlijn. Dit betekent dat eiseres geheel niet gehoord is over de periode waarin de minister meent dat zij niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 7 van de Verblijfsrichtlijn.
9.1.
Een bezwaar is kennelijk ongegrond als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend oordeel. In dat geval mag de minister afzien van het horen in bezwaar. De minister stelt niet ten onrechte dat op geen enkele wijze is gebleken dat er sprake is van gedateerde informatie, dat eiseres rechtmatig verblijf geniet of dat de belangenafweging in haar voordeel zou moeten uitvallen. De enkele niet nader onderbouwde stelling dat zij een relatie heeft, is onvoldoende. De minister heeft het daarom mogen afzien van het horen van eiseres in bezwaar en heeft het bezwaar kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond.

Conclusie en gevolgen

10. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft. Het beroep is toch gegrond, omdat de minister eiseres in het bestreden besluit ten onrechte heeft opgedragen om terug te keren naar Polen. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin is bepaald dat eiseres zich naar Polen moet begeven en laat het besluit voor het overige in stand.
10.1.
Omdat eiseres geen griffierecht heeft betaald, hoeft de minister geen griffierecht aan haar te vergoeden. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond,
- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin is bepaald dat eiseres zich naar Polen moet begeven en laat het besluit voor het overige in stand;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J. Biswane, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
28 november 2025

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.