Uitspraak
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker, hierna: eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
legalearbeid in de zin van artikel 6 van Pro Besluit 1/80 kan worden aangemerkt.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Turkse onderdaan, verbleef tijdelijk in Nederland op basis van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) vanwege de situatie in Oekraïne. Hij diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking 'Arbeid in loondienst', welke door de minister werd afgewezen omdat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB als procedureel en tijdelijk werd beschouwd, waardoor zijn arbeid niet als legale arbeid kon worden aangemerkt.
Daarnaast legde de minister een terugkeerbesluit op per 5 augustus 2025, omdat de facultatieve tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 was beëindigd en eiser geen rechtmatig verblijf meer had. Eiser voerde in beroep aan dat hij een declaratoir verblijfsrecht had, dat hij legale arbeid verrichtte en dat hij dienstweigeraar was, wat een risico bij terugkeer naar Turkije zou opleveren.
De rechtbank oordeelt dat het verblijfsrecht op grond van de RTB tijdelijk en niet onomstreden is, waardoor eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 6 van Pro Besluit 1/80 voor legale arbeid. Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt daarom ongegrond verklaard. Ook het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard, omdat de tijdelijke bescherming rechtsgeldig is beëindigd en geen sprake is van een reëel risico op schending van het non-refoulementbeginsel.
Verzoeken om voorlopige voorzieningen worden niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter J. Holleman en griffier P.P. Schaap op 13 november 2025.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen het terugkeerbesluit en de afwijzing van de verblijfsvergunning arbeid in loondienst ongegrond.