ECLI:NL:RBDHA:2025:22226

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
AWB 25/16722 en 39 andere zaaksnummers
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring van bezwaarschriften inzake beëindiging opvang in de Landelijke Vreemdelingen Voorziening te Groningen

Op 25 november 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak waarin eisers, die onderdak en begeleiding ontvingen in de Landelijke Vreemdelingen Voorziening (LVV) te Groningen, in beroep gingen tegen de niet-ontvankelijkverklaring van hun bezwaarschriften. De minister van Asiel en Migratie had besloten de LVV te beëindigen en de financiering stop te zetten, wat leidde tot de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaarschriften van eisers omdat deze te laat waren ingediend. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht had besloten dat de bezwaarschriften niet-ontvankelijk waren, omdat de indieningstermijn niet verschoonbaar was. De rechtbank benadrukte dat de beëindiging van de opvang geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) was, maar een feitelijke handeling. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en bevestigde de bestreden besluiten van de minister.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 25/16722 en 39 andere zaaknummers (zie bijlage)

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 november 2025 in de zaken tussen

[naam] en 39 anderen, eisers

(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. K.J. Jansen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beroepen van eisers tegen de niet-ontvankelijkverklaring van hun bezwaarschriften tegen het stoppen van het bieden van onderdak en begeleiding in de Landelijke Vreemdelingen Voorziening (LVV) te Groningen.
1.1.
Personen die illegaal in Nederland verblijven konden onder bepaalde voorwaarden aanspraak maken op opvang in de LVV. Deze LVV wordt ook wel de ‘bed-bad-brood-regeling’ genoemd. Zij bood behalve opvang ook begeleiding bij terugkeer of het zoeken naar een andere duurzame oplossing voor illegaal verblijf. De LVV was gebaseerd op een samenwerkingsvorm tussen de Rijksoverheid en een aantal gemeenten, waaronder de gemeente Groningen. [1] In de Kamerbrief van 5 september 2024 heeft de minister bericht dat zij deze samenwerking, en de financiering van de LVV door het Rijk ging stopzetten. De minister heeft in november 2024 besloten om het aan het gemeentebestuur van Groningen verleende mandaat in te trekken per 1 januari 2025. [2] Dit betekent dat het gemeentebestuur vanaf die datum niet langer bevoegd is om handelingen te verrichten in verband met de toelating tot, het verblijf in, en het beëindigen van de opvang in de LVV.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de bezwaarschriften van eisers terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat de beroepen ongegrond zijn. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Procesverloop
2. Bij brieven van 23 december 2024 heeft het gemeentebestuur van Groningen, namens de minister, aan eisers bericht dat de LVV stopt per 31 december 2024. In de brief is aangegeven dat de minister heeft besloten het mandaat voor, en de financiering van de LVV te beëindigen. Verder is bericht dat de opvang van eisers doorgaat onder de verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur. Tot slot is aangegeven dat lopende bezwaarprocedures over de LVV per 1 januari 2025 aan de minister zullen worden overgedragen. Eisers hebben naar aanleiding hiervan bezwaar gemaakt bij de minister.
2.1.
Met de bestreden besluiten van respectievelijk 11 en 12 augustus 2025 heeft de minister de bezwaarschriften van eisers niet-ontvankelijk verklaard.
2.2.
Op 25 augustus 2025 is namens eisers beroep ingesteld tegen deze besluiten.
2.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 14 oktober 2025 gevoegd op zitting behandeld, gezien de onderlinge samenhang. [3] De procedures hebben allemaal betrekking op het beëindigen van de LVV. Aan de zitting hebben deelgenomen: eisers: [naam] ; [naam3] ; [naam4] [naam5] ; [naam6] ; [naam7] ; [naam8] , [naam9] ; [naam10] , [naam11] en [naam12] , hun gemachtigde en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Procesbelang eiser [naam2] (AWB 25/16766)
3. In de brief van 8 oktober 2025 heeft de minister de rechtbank erop gewezen dat eiser met behulp van de IOM [4] is teruggekeerd naar Pakistan. De minister heeft de rechtbank verzocht te beoordelen of nog procesbelang bestaat bij onderhavige procedure. Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister desgevraagd gesteld dat daarvan naar de mening van de minister geen sprake is.
3.1.
De rechtbank volgt dit standpunt niet. Hoewel eiser inmiddels met behulp van de IOM is teruggekeerd naar Pakistan en hij dus geen belang meer heeft bij opvang vanuit de LVV, ziet de rechtbank nog wel procesbelang. Eiser heeft namelijk in zijn bezwaarschrift verzocht om vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten voor de bezwaarprocedure. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb geldt daarbij dat de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken uitsluitend voor vergoeding in aanmerking komen voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Daarom heeft eiser belang bij een inhoudelijke beoordeling van de besluitvorming. [5]
De bestreden besluiten
4. De minister heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard, omdat de bezwaarschriften niet tijdig zijn ingediend. De rechtbank komt tot het oordeel dat de bezwaren te laat zijn ingediend en dat het te laat indienen daarvan niet verschoonbaar is. De minister heeft het bezwaren daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen zijn ongegrond. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Toetsingskader
5. Uit vaste rechtspraak volgt dat een beëindiging van het onderdak in een LVV geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb [6] , maar een feitelijke handeling in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000. [7] De verwijzing van eisers naar de uitspraak van de ABRvS [8] van 27 augustus 2025 [9] leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Op grond van artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 [10] bedraagt de termijn voor het indienen van bezwaar vier weken.
5.1.
Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar is. Dit is het geval als de indiener geen verwijt kan worden gemaakt dat het bezwaarschrift te laat is ingediend. In dat geval laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [11]
Is het bezwaarschrift te laat ingediend?
6. De minister heeft de bezwaren terecht aangemerkt als gericht tegen de feitelijke handeling op 1 januari 2025. [12] Dat betekent dat de bezwaartermijn op deze datum aanving. [13] De termijn voor het indienen van bezwaar eindigde dus op 29 januari 2025.
6.1.
Namens eisers is op 18, 19 en 20 maart 2025 via e-mail bezwaar gemaakt tegen het stoppen van het bieden van onderdak en begeleiding in de LVV te Groningen. De bezwaarschiften zijn dus niet tijdig ingediend.
Is het te laat indienen verschoonbaar?
7. Eisers hebben hiervoor de volgende redenen gegeven. Eisers zijn van mening dat door de minister het vertrouwen is gewekt dat geen belang bestond bij het maken van bezwaar. Vanwege dit opgewekte vertrouwen is in eerste instantie geen bezwaar gemaakt. Verder stellen eisers dat geen sprake is geweest van een kenbare feitelijke handeling waartegen zij bezwaar konden maken, omdat er voor hen qua opvang feitelijk niets is veranderd. Zij konden dus eigenlijk niet weten dat sprake was van een feitelijke handeling waartegen bezwaar openstond.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. In dit verband acht de rechtbank van belang dat eisers worden bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener die op de hoogte is van de geldende termijnen voor bezwaar en beroep. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat uit het dossier blijkt dat de gemachtigde van eisers nog voor het verstrijken van de bezwaartermijn de opvanglocatie van eisers heeft bezocht en hen heeft gewezen op het belang om bezwaar te maken tegen het beëindigen van LVV-opvang. Hoewel – zoals de gemachtigde van eisers heeft toegelicht – andere personen in de opvang hem hebben gemachtigd bezwaar te maken, hebben eisers om ervoor gekozen om dat niet te doen. Dit is een bewuste keuze geweest van eisers. Dat zij op een later moment wel het belang inzagen van het maken van bezwaar, betekent niet dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.
6.2.
Gelet op de formulering van artikel 6:11 van de Awb , en vanwege het gegeven dat hiervoor is geoordeeld dat de te late indiening van de bezwaarschriften niet verschoonbaar is, heeft de minister de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard. Een belangenafweging is niet mogelijk. Dat betekent onder meer dat de belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid en die in de onderhavige procedure namens eisers naar voren zijn gebracht, bij de beoordeling niet relevant zijn. [14] Om die reden slaagt het betoog van eisers dat het recht op opvang een fundamenteel recht is en dat hen op deze wijze het recht op rechtsbescherming wordt ontnomen, niet.

Conclusie en gevolgen

7. De bezwaren zijn daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen zijn daarom ongegrond. Dat betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is op 25 november 2025 gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage

Bezwaarschriften ingediend op 18 maart 2025
AWB 25/16766, AWB 25/16770, AWB 25/16772, AWB 25/16787, AWB 25/16790
AWB 25/16793, AWB 25/16795, AWB 25/16798, AWB 25/16800, AWB 25/16802
AWB 25/16804, AWB 25/16806, AWB 25/16809, AWB 25/16811, AWB 25/16813
Bezwaarschriften ingediend op 19 maart 2025
AWB 25/16747, AWB 25/16748, AWB 25/16752, AWB 25/16754, AWB 25/16758
AWB 25/16760, AWB 25/16763, AWB 25/16766, AWB 25/16774, AWB 25/16777
AWB 25/16779, AWB 25/16781, AWB 25/16784
Bezwaarschriften ingediend op 20 maart 2025
AWB 25/16724, AWB 25/16726, AWB 25/16728, AWB 25/16730, AWB 25/16732,
AWB 25/16735, AWB 25/16737, AWB 25/16740, AWB 25/16742, AWB 25/16745,
AWB 25/16756,

Voetnoten

1.Zie de samenwerkingsafspraken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid inzake de LVV van 29 november 2018; en het besluit van deze staatssecretaris van 25 maart 2019, nr. 2540879, houdende verlening van mandaat en machtiging LVV (Mandaatbesluit en machtiging LVV), Staatscourant 2019, 18281. Zie ook het Convenant Pilot-LVV van het gemeentebestuur van Groningen.
2.Zie de kamerbrief van 5 september 2024, Kamerstukken II 2023/24, 19 637, nr. 3272; en het besluit van de minister van Asiel en Migratie van 29 november 2024, nr. 5868806, houdende intrekking van het Mandaatbesluit en machtiging LVV, Staatscourant 2024, 40224.
3.Artikel 8:14 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.
4.Internationale Organisatie voor Migratie
5.zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:518
6.Algemene wet bestuursrecht.
7.Zie onder andere de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:796 en ECLI:NL:RVS:2023:798.
8.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
10.De Vreemdelingenwet 2000.
11.Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.
12.Op grond van artikel 72, derde lid, van de Awb.
13.Zie de termijn in artikel 69 van de Vw 2000.
14.Zie de uitspraak van de Grote kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.