In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 25 november 2025, wordt de afwijzing van de asielaanvraag van een Ethiopische minderjarige behandeld. Eiser, geboren op [geboortedatum] en van Ethiopische nationaliteit, heeft op 30 juli 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag op 17 juni 2025 afgewezen, waarbij hij stelde dat de asielmotieven van eiser niet geloofwaardig waren. Eiser heeft beroep ingesteld tegen deze afwijzing, waarbij hij verschillende beroepsgronden aanvoert, waaronder de onvoldoende motivering van de minister over de beschikbaarheid van adequate opvang in Ethiopië.
De rechtbank heeft de zaak op 31 oktober 2025 behandeld, waarbij eiser, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister aanwezig waren. De rechtbank oordeelt dat de minister het referentiekader van eiser niet adequaat heeft betrokken bij de beoordeling van de asielaanvraag. Dit betreft onder andere de persoonlijke omstandigheden van eiser, zoals zijn minderjarigheid en culturele achtergrond. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat de minister opnieuw moet beoordelen of er adequate opvang beschikbaar is voor eiser in Ethiopië.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op om binnen vier weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,00.