ECLI:NL:RBDHA:2025:22188

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
NL25.27969
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag van een Ethiopische minderjarige met betrekking tot de afwijzing door de minister van Asiel en Migratie

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 25 november 2025, wordt de afwijzing van de asielaanvraag van een Ethiopische minderjarige behandeld. Eiser, geboren op [geboortedatum] en van Ethiopische nationaliteit, heeft op 30 juli 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag op 17 juni 2025 afgewezen, waarbij hij stelde dat de asielmotieven van eiser niet geloofwaardig waren. Eiser heeft beroep ingesteld tegen deze afwijzing, waarbij hij verschillende beroepsgronden aanvoert, waaronder de onvoldoende motivering van de minister over de beschikbaarheid van adequate opvang in Ethiopië.

De rechtbank heeft de zaak op 31 oktober 2025 behandeld, waarbij eiser, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister aanwezig waren. De rechtbank oordeelt dat de minister het referentiekader van eiser niet adequaat heeft betrokken bij de beoordeling van de asielaanvraag. Dit betreft onder andere de persoonlijke omstandigheden van eiser, zoals zijn minderjarigheid en culturele achtergrond. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat de minister opnieuw moet beoordelen of er adequate opvang beschikbaar is voor eiser in Ethiopië.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op om binnen vier weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,00.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.27969

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Ethiopische nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. B.H. Werink),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. J.R. Sotthewes-de Jonge).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 30 juli 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 17 juni 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Voorafgaand aan de zitting heeft eiser de rechtbank verzocht om hem uit te nodigen voor een separaat kindgesprek. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Ethiopische nationaliteit en behoort tot de Oromo bevolkingsgroep. Eiser heeft in 2020 aan een demonstratie meegedaan waarbij hij werd opgepakt en kort naar een militair kamp werd gebracht. In het militair kamp is eiser geslagen, werd zijn naam gerapporteerd en werd hij gewaarschuwd niet nog eens mee te doen aan dergelijke activiteiten. De broer van eiser is na de demonstratie verdwenen. In de periode daarna kwamen er militairen van de overheid bij de familie van eiser langs die aangaven dat de broer van eiser zich had aangesloten bij Oromo Liberation Front (OLF) en bedreigden de familie met maatregelen als ze er niet voor zouden zorgen dat de broer weer terugkwam. De militairen kwamen hierna nog tweemaal langs. Bij het derde bezoek hebben de militaire de vader van eiser meegenomen. Eiser en zijn moeder zijn vervolgens gevlucht. Eiser heeft eerste enkele maanden bij zijn tante en daarna enkele maanden bij zijn oom gewoond en vervolgens het land verlaten. Eiser vreest bij terugkeer naar Ethiopië te worden opgepakt.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
  • identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • problemen door de betrokkenheid van zijn broer bij het OLF.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De problemen door de betrokkenheid van zijn broer bij het OLF vindt de minister niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten. De minister heeft daarom verder beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c van de Vw 2000 is dat volgens de minister niet het geval. De minister werpt aan eiser tegen dat hij wisselend heeft verklaard over het moment waarop zijn familie te horen kreeg dat zijn broer zich zou hebben aangesloten bij het OLF. Ook heeft eiser de informatie dat zijn broer zich zou hebben aangesloten bij het OLF alleen van horen zeggen. Verder werpt de minister aan eiser tegen dat hij summier en vaag heeft verklaard over de verdwijning van zijn vader. Eiser heeft niet gezien dat zijn vader werd meegenomen en weet niet zeker of de verdwijning van zijn vader te maken heeft met de problemen van zijn broer. Daarnaast acht de minister de verklaringen van eiser dat hij zelf gezocht zou worden ook summier en onaannemelijk. Volgens de minister is eiser ook geen vluchteling als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Ook loopt eiser bij terugkeer naar Ethiopië geen reëel risico op ernstige schade. Eiser komt ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor AMV [2] omdat uit rapporten blijkt dat er voor alleenstaande minderjarigen adequate opvang aanwezig is in Ethiopië. Tot slot concludeert de minister dat terugkeer naar het land van herkomst in het geval van eiser in het belang van hemzelf en dus in het belang van het kind wordt geacht.
5. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat niet langer wordt tegengeworpen dat eiser wisselend zou hebben verklaard over het moment waarop zijn familie te horen kreeg dat zijn broer zich zou hebben aangesloten bij het OLF.

Is het bestreden besluit zorgvuldig tot stand gekomen?

6. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte heeft nagelaten om zijn referentiekader te schetsen en dit referentiekader bij de beoordeling vervolgens kenbaar mee te wegen. Eiser wijst in dit kader voornamelijk op zijn minderjarigheid en zijn culturele achtergrond. Het bestreden besluit kan hierom niet in stand blijven.
6.1.
De beroepsgrond slaagt. Uit rechtspraak van de Afdeling [3] volgt dat de minister in alle individuele asielzaken een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling verricht, waarbij hij rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden, achtergrond en leeftijd van de vreemdeling. Dit blijkt ook uit Werkinstructie 2024/6, waarin staat dat bij de beoordeling van de vijf voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 kenbaar rekening moet worden gehouden met wat in zijn algemeenheid van een vreemdeling verlangd mag worden. Daarbij speelt het referentiekader van de vreemdeling een rol. Aspecten die daarbij van belang kunnen zijn, zijn: leeftijd, geslacht, opleiding, land/gebied van herkomst, cultuur, maar ook aspecten zoals het werk dat hij deed, hoe groot zijn leefgebied was en of hij bijvoorbeeld toegang had tot internet, (social) media en dergelijke.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat zowel uit het bestreden besluit als het daarin ingelaste voornemen niet blijkt dat de minister het referentiekader van eiser kenbaar heeft betrokken. Het referentiekader is niet kenbaar beschreven. Ook blijkt niet op een andere wijze dat de minister de referentiekader bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser heeft betrokken. Het besluit is daarom onzorgvuldig tot stand gekomen.
6.3.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om de beroepsgrond die ziet op het ten onrechte ongeloofwaardig achten van de problemen van eiser door de betrokkenheid van zijn broer bij het OLF te bespreken. De minister zal eerst een nieuwe beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser moeten maken waarbij rekening wordt gehouden met zijn referentiekader.
Had de minister eiser een reguliere verblijfsvergunning moeten verlenen op grond van het buitenschuldbeleid voor amv’s?
7. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat er in Ethiopië adequate opvang voor hem beschikbaar is. De minister heeft ten onrechte nagelaten om te onderzoeken of het voor eiser mogelijk is om door zijn familieleden te worden opgevangen. Daarnaast heeft de minister ook onvoldoende gemotiveerd dat de aangewezen opvanginstelling (Bright Star) daadwerkelijk en passende opvang aan eiser kan bieden. Ter onderbouwing heeft eiser een document overgelegd van de juridische afdeling van Nidos. Nidos baseert zijn bevindingen op artikel 10, tweede lid, van de TRi [4] , het Terugkeerhandboek van de Uniewetgever en het arrest TQ [5] . Eiser wijst verder op een uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2025 [6] . Ook wijst eiser op het algemeen ambtsbericht over Ethiopië van 31 januari 2024. Hierin staat onder andere vermeld dat de opvang in Bright Star meestal niet langer duurt dan zes maanden. Bovendien blijkt uit het rapport van General on Bright Star Relief, waar de minister naar verwijst, niet dat daar ook opvang beschikbaar is voor minderjarigen die vanuit het buitenland terugkomen. Ook blijkt hieruit niet dat er op elk moment voldoende opvang beschikbaar is.
7.1.
De rechtbank overweegt dat uit rechtspraak van de Afdeling [7] volgt dat de minister concreet moet onderzoeken of er voor een niet-begeleide minderjarige adequate opvang beschikbaar is in het land van herkomst. [8] Uit het beleid van de minister volgt dat bij het zoeken naar een vorm van adequate opvang voor een amv primair moet worden getracht om de minderjarige met zijn ouder(s) te herenigen. Verder volgt uit het beleid dat een opvangvoorziening kan worden aangemerkt als adequaat indien de opvangvoorziening in ieder geval opvang biedt tot 18 jaar, er voedsel, kleding en hygiëne beschikbaar is, er toegang is tot onderwijsvoorzieningen en er medische verzorging aanwezig is. [9]
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat er voor eiser in Ethiopië adequate opvang beschikbaar is. De minister heeft onvoldoende onderzocht of eiser in Ethiopië door zijn familieleden kan worden opgevangen. De enkele opmerking in het bestreden besluit dat eiser in de zienswijze heeft aangegeven niet te weten waar zijn familie is, is onvoldoende voor de conclusie dat eiser niet terug kan worden gestuurd naar zijn familie. De minister had daar meer onderzoek naar moeten doen gelet op het hiervoor onder 7.1 geschetste beleid. Daarnaast heeft de minister ook onvoldoende onderzocht in hoeverre Bright Star in het individuele geval eiser adequate opvang aan hem biedt. De enkele verwijzing naar het rapport is daarvoor onvoldoende. Zeker nu uit het rapport niet is op te maken dat de opvangvoorziening ook beschikbaar is voor minderjarigen die terugkeren uit het buitenland en ook niet duidelijk is of er op elk moment voldoende opvangplekken beschikbaar zijn. Bovendien heeft de minister ook ten onrechte nagelaten om na te gaan in hoeverre de individuele omstandigheden van eiser maken dat de opvangvoorziening voor hem geschikt zou zijn. Zo is niet duidelijk of er geschikte medische zorg beschikbaar is en of eiser onderwijs kan volgen aldaar. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd omdat de minister het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft genomen en onvoldoende heeft gemotiveerd. Dit betekent dat de minister opnieuw een besluit moet nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak.
8.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,00 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
Beslissing
De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt de minister op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.Alleenstaande minderjarige vreemdelingen.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 15 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2073 en 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1622.
4.Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008.
5.Het arrest van het Hof van Justitie van 14 januari 2021, TQ, ECLI:EU:C:2021:9.
7.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
8.Zie de uitspraken van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:202:1530 en van 4 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3033.
9.Zie paragraaf B8/6.1 Vc 2000.