ECLI:NL:RBDHA:2025:21574

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 september 2025
Publicatiedatum
17 november 2025
Zaaknummer
AWB - 23 _ 6970
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Naheffingsaanslag BPM terecht vastgesteld ondanks betwisting koerslijst

Eiser betaalde BPM over een Landrover Range Rover Evoque en kreeg later een naheffingsaanslag opgelegd door verweerder, gebaseerd op een forfaitaire afschrijvingstabel. Eiser voerde aan dat een andere koerslijst van een taxatiebureau gebruikt moest worden, maar trok dit beroep tijdens de zitting in. De rechtbank oordeelde dat eiser de bewijslast droeg voor de juistheid van de koerslijst en dat hij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de door hem ingediende koerslijst correct was, mede door het ontbreken van het geboortekaartje en het verschil in optiewaarden tussen de lijsten.

De rechtbank stelde vast dat de naheffingsaanslag terecht was vastgesteld op basis van de forfaitaire tabel. Daarnaast was de redelijke termijn voor bezwaar en beroep overschreden met bijna twaalf maanden, waardoor eiser recht had op een vergoeding van immateriële schade van €1.000, waarvan €500 voor rekening van verweerder en €500 voor de Staat. De rechtbank veroordeelde verweerder en de Staat tot betaling van deze vergoeding en tot vergoeding van proceskosten, ieder voor de helft.

De uitspraak werd gedaan door rechter W. de Wit op 26 september 2025. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard; vergoeding immateriële schade en proceskosten worden toegekend wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 23/6970

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 september 2025 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder,

en

de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie).

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (Bpm) opgelegd.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 11 oktober 2023 de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2025.
Namens eiser is mr. M.U. Sahin, kantoorgenoot van gemachtigde, verschenen, Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1] en mr. [medewerker belastingdienst 2] .

Overwegingen

Feiten
1. Eiser heeft op 9 mei 2022 op aangifte een bedrag van € 2.230 aan Bpm voldaan ter zake van de inschrijving in het kentekenregister van een Landrover Range Rover Evoque (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 13 april 2021.
2. In de aangifte is de te betalen belasting voor de auto berekend op basis van een taxatierapport van [taxatiebureau] (het taxatierapport). De taxatie van de auto heeft op 30 september 2021 plaatsgevonden en het taxatierapport is op 26 april 2022 opgesteld. In het taxatierapport is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 91.418 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 45.500 (gemiddelde referentievoertuigen -/- 25% marge). De taxateur heeft een bedrag van € 35.500 (96,65% van de gecalculeerde reparatiekosten van € 36.730,54) als schade aangemerkt en de handelsinkoopwaarde na schade op € 10.000 vastgesteld.
3. De auto is op 5 mei 2022 door de RDW gekeurd. De RDW heeft na de keuring de auto een WOK-status gegeven. Op 3 juni 2022 is de WOK-status opgeheven.
4. Naar aanleiding van een controle van de aangifte heeft verweerder met dagtekening 14 oktober 2022 aan eiser de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd. Verweerder heeft daarbij een bedrag van € 11.286 (€ 13.516 verschuldigde Bpm -/- € 2.230 voldane Bpm) nageheven. De naheffingsaanslag is vastgesteld aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel.
Geschil5. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil:
- of gebruik kan worden gemaakt van de door eiser in zijn nadere stuk ingediende koerslijst van [bedrijfsnaam] ;
- of eiser in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade.
Eiser heeft ter zitting zijn beroep op toepassing van de taxatiemethode ingetrokken.
Beoordeling van het geschil
Koerslijst
6. De rechtbank stelt voorop dat voor de hoogte van de afschrijving de bewijslast op eiser rust. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat in dit geval van de koerslijst van [bedrijfsnaam] kan worden uitgegaan. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat, naar verweerder ter zitting terecht heeft aangevoerd, in dit geval twee deskundigen een verschillend bedrag aan opties in aanmerking hebben genomen. In de koerslijst bij het taxatierapport is een bedrag van € 4.762 aan opties in aanmerking genomen, terwijl in de koerslijst van [bedrijfsnaam] van een veel hoger bedrag aan opties, namelijk van € 11.404, is uitgegaan. Eiser heeft voor dit verschil geen verklaring gegeven. Nu verder ook het zogenoemde geboortekaartje van de auto ontbreekt, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat in de nieuwe koerslijst van [bedrijfsnaam] van een juist bedrag aan opties is uitgegaan. De enkele stelling van eiser ter zitting dat de koerslijstprovider de koerslijst heeft opgemaakt en dat reeds hierom van de juistheid van de koerslijst dient uit te gaan, volgt de rechtbank niet. Het is immers aan eiser, die een beroep doet op de koerslijst, om een juiste koerslijst te overleggen en dit, indien dit door verweerder wordt betwist, aannemelijk te maken. Het is, anders dan eiser ter zitting heeft gesteld, dan ook niet de taak van verweerder dan wel de rechtbank om zelf aan de hand van openbare gegevens een onderzoek te doen naar mogelijke fouten in de door eiser overgelegde koerslijst van [bedrijfsnaam] .
7. Gelet op het vorenstaande slaagt het beroep van eiser op de koerslijst van [bedrijfsnaam] niet. Dit betekent dat verweerder terecht de afschrijving van de auto heeft bepaald aan de hand van de forfaitaire tabel. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag niet te hoog is vastgesteld. Het beroep is daarom ongegrond.
Immateriële schade
8. Eiser heeft in zijn beroepschrift van 24 oktober 2023 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 18 oktober 2022 ontvangen. De rechtbank doet op 23 september 2025 uitspraak. De redelijke termijn is derhalve overschreden met bijna twaalf maanden. Nu eiser een financieel belang heeft van meer dan € 1.000, heeft eiser recht op een vergoeding van immateriële schade van € 1.000. [1] Aangezien verweerder op 11 oktober 2023 uitspraak op bezwaar heeft gedaan, is de termijnoverschrijding voor de helft, ofwel € 500, toe te rekenen aan verweerder en voor de helft, ook € 500, aan de Staat.
Proceskosten
9. De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn reden om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op (afgerond) € 227 (1 procespunt voor het verzoek om vergoeding van immateriële schade met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 0,25). [2] Nu de overschrijding van de redelijke beslistermijn aan zowel verweerder als de rechtbank is toe te rekenen, dienen de proceskosten door verweerder en de Staat ieder voor de helft te worden voldaan. [3]
10. Eiser heeft reeds vóór het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [4] verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Nu de redelijke termijn voor bezwaar en beroep op de datum van dat arrest nog niet was overschreden, ziet de rechtbank geen aanleiding om het betaalde griffierecht aan eiser te laten vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade toe;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 113,50;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 113,50.
- draagt de Staat en verweerder op om de toegekende vergoedingen te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. de Wit, rechter, in aanwezigheid van
mr. U.A. Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
26 september 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voetnoten

1.Vgl. Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.
2.Vgl. Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
3.Vgl. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.14.2.