De minister heeft op 2 juni 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser, een vreemdeling van vermeende Algerijnse nationaliteit, welke nog voortduurt. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 24 oktober 2025 behandeld en het onderzoek gesloten.
De rechtbank heeft eerder de rechtmatigheid van de bewaring getoetst tot 19 september 2025 en richt zich nu op de periode daarna. Eiser betoogt dat geen zicht op uitzetting bestaat omdat het lp-traject bij Algerije is afgesloten en de Marokkaanse autoriteiten niet reageren op de lp-aanvraag sinds april 2025. Tevens stelt hij dat de minister onvoldoende voortvarend handelt en dat zijn gezondheid lijdt onder de bewaring.
De rechtbank oordeelt dat wel degelijk zicht op uitzetting naar Marokko bestaat, verwijzend naar eerdere jurisprudentie. Het ontbreken van reactie van de Marokkaanse autoriteiten na vijf maanden is onvoldoende om het zicht op uitzetting te ontkennen. Eiser heeft onvoldoende bewijs geleverd van zijn Algerijnse nationaliteit en verleent onvoldoende medewerking aan zijn uitzetting.
De minister handelt volgens de rechtbank voldoende voortvarend door rappels te sturen en pogingen te doen tot vertrekgesprekken, die door eiser zijn geweigerd of niet konden plaatsvinden. De belangenafweging leidt niet tot opheffing van de bewaring, mede omdat eiser zijn gezondheidsklachten niet met stukken heeft onderbouwd. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.