ECLI:NL:RBDHA:2025:20095

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 september 2025
Publicatiedatum
31 oktober 2025
Zaaknummer
24/1088
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing op verzoek om veroordeling in de proceskosten in bestuursrechtelijke zaak

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 18 september 2025, zaaknummer SGR 24/1088, wordt het verzoek van verzoeker om veroordeling van verweerder in de proceskosten beoordeeld. Verzoeker heeft zijn beroep ingetrokken tegen een besluit van verweerder, het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ), omdat verweerder op 20 augustus 2024 een herziene beslissing op bezwaar heeft genomen. De rechtbank heeft verweerder de gelegenheid gegeven om te reageren op het verzoek om proceskostenveroordeling, waarop verweerder op 3 januari 2025 heeft gereageerd. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.

De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe, omdat verweerder geheel aan verzoeker is tegemoetgekomen door het bezwaar gegrond te verklaren. De rechtbank stelt vast dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een uitzondering op de regel van proceskostenveroordeling rechtvaardigen. Verweerder heeft weliswaar uit coulance een nieuw intelligentieonderzoek voorgelegd, maar dit levert geen bijzondere omstandigheid op die de proceskostenveroordeling zou uitsluiten. De rechtbank oordeelt dat verzoeker recht heeft op een vergoeding van zijn proceskosten, die is vastgesteld op € 907,-, en dat verweerder verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden. De uitspraak is openbaar gedaan en een afschrift is verzonden aan de betrokken partijen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/1088

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 september 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. R.G.A.M. van den Heuvel),
en

Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ), verweerder

(gemachtigde: mr. L.M.R. Kater).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen het besluit van verweerder van 14 december 2023. Hij heeft het beroep ingetrokken omdat verweerder op 20 augustus 2024 dit besluit heeft vervangen door een herziene beslissing op bezwaar.
1.1.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Verweerder heeft op dit verzoek gereageerd op 3 januari 2025.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
Is verweerder aan verzoeker tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of verweerder geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen.
4.1.
Op 22 januari 2024 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het bestreden besluit waarin het bezwaar van verzoeker ongegrond is verklaard. Verweerder heeft op 20 augustus 2024 een herziene beslissing op bezwaar genomen waarin het bezwaar van eiser gegrond is verklaard. Hiermee is verweerder tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker.
4.2.
In de reactie van verweerder van 3 januari 2025 heeft verweerder de rechtbank medegedeeld dat uit coulance het nieuwe intelligentieonderzoek is voorgelegd aan de medisch adviseur. Eigenlijk had er een nieuwe aanvraag moeten worden ingediend door eiser, zo stelt verweerder, omdat het nieuwe intelligentieonderzoek van ver na de periode in geding is. Volgens verweerder is de herziening op het bezwaar te beschouwen als een beoordeling van een nieuwe aanvraag met aanvullende en actuele medische onderbouwing. In de periode in het geding heeft verweerder namelijk geen beschikking gehad over deze informatie.
4.3.
In geval van een tegemoetkomen door het bestuursorgaan wordt in beginsel een proceskostenveroordeling uitgesproken. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden. In zijn uitspraak van 16 mei 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AX6776, heeft de Raad overwogen dat het gegeven dat onverplicht en bij wege van coulance is tegemoetgekomen, in beginsel niet een dergelijke bijzondere omstandigheid oplevert. Indien, bijvoorbeeld, de noodzaak om beroep (of hoger beroep) in te stellen uitsluitend is te wijten aan de handelwijze van de betrokkene zelf, kan wel gesproken worden van een bijzondere omstandigheid, zie de uitspraak van de Raad van 12 februari 2014 ECLI:NL:CRVB:2014:397.
4.4.
In wat verweerder heeft aangevoerd, is geen bijzondere omstandigheid gelegen op grond waarvan een uitzondering moet worden gemaakt op het uitgangspunt dat bij een tegemoetkomen door het bestuursorgaan in beginsel een proceskostenveroordeling wordt uitgesproken. Nog afgezien van de omstandigheid dat door verzoeker in de bezwaarfase reeds is aangegeven dat de uitslag van het nieuwe onderzoek begin 2024 zou worden verwacht, is het enkele gegeven dat verweerder hangende beroep op basis van medische informatie, van na de beslissing op bezwaar, alsnog de wlz-indicatie heeft afgegeven daartoe ontoereikend om te spreken van een dergelijke bijzondere omstandigheid. [3]
5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoeker krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 907,- omdat de gemachtigde van verzoeker een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
6. De rechtbank wijst erop dat verweerder verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden. [4] Verzoeker moet zich hiervoor dan ook tot verweerder wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, rechter, in aanwezigheid van
mr.E.P.A. Stok, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Zie daarvoor: ECLI:NL:CRVB:2019:3252
4.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.