ECLI:NL:RBDHA:2025:20029

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 oktober 2025
Publicatiedatum
30 oktober 2025
Zaaknummer
NL24.12783
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen terugkeerbesluit van een Nigeriaanse vreemdeling na beëindiging tijdelijke bescherming in Oekraïne

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser, een Nigeriaanse vreemdeling, tegen een terugkeerbesluit dat hem is opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Eiser had eerder een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne, maar na de invasie door Rusland is hij naar Nederland gekomen. De rechtbank behandelt twee terugkeerbesluiten: het eerste van 21 februari 2024, dat eiser niet tijdig heeft aangevochten, en het tweede van 30 juli 2025, dat eiser wel heeft aangevochten. De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingediend. Voor het tweede besluit oordeelt de rechtbank dat eiser geen gronden heeft aangevoerd die het besluit onjuist maken. De rechtbank concludeert dat er geen risico's zijn bij terugkeer naar Nigeria en dat de minister bevoegd was om het terugkeerbesluit op te leggen. De rechtbank verklaart het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.12783

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en
de minister van Asiel en Migratie,voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. N. Rijerkerk).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het aan hem opgelegde terugkeerbesluit.
1.1.
Verweerder heeft met het besluit van 21 februari 2024 aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en bepaald dat hij binnen vier weken na 4 maart 2024 Nederland dient te verlaten.
1.2.
Vervolgens heeft verweerder met het besluit van 30 juli 2025 het besluit van
21 februari 2024 ingetrokken en aan eiser een nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Hierin heeft verweerder bepaald dat eiser binnen vier weken na 4 september 2024 Nederland dient te verlaten.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1998 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Eiser verbleef op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne op het moment dat de invasie van Oekraïne door de Russische strijdkrachten begon. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. [1]
3. Op 21 februari 2024 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming van rechtswege eindigt per 4 maart 2024, nu niet langer facultatieve tijdelijke bescherming wordt verleend aan derdelanders die een tijdelijk verblijfsrecht hadden in Oekraïne. Met hetzelfde besluit heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
3.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 21 februari 2024. Verweerder heeft dat besluit ingetrokken [2] en onder verwijzing naar artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vervangen met het besluit van 30 juli 2025. Het beroep van eiser heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb automatisch betrekking op het nieuw genomen besluit.
3.2.
Met het nieuwe besluit van 30 juli 2025 heeft verweerder eiser een terugkeerbesluit opgelegd omdat hij niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. Verweerder heeft daarbij geconcludeerd dat er geen sprake is van risico’s bij terugkeer naar Nigeria, dat de individuele omstandigheden van eiser niet maken dat van het terugkeerbesluit moet worden afgezien en dat er geen aanleiding bestaat om eiser te horen. Verder heeft verweerder overwogen dat er bij de beëindiging van de tijdelijke bescherming van eiser geen ruimte bestaat voor een individuele belangenafweging.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Ten aanzien van het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 stelt eiser dat het beroep is ingediend binnen vier weken na ontvangst van het besluit. Verweerder heeft eiser in strijd met de unierechtelijke beginselen en artikel 4:8 van de Awb niet gehoord. Het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 is genomen in strijd met het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Gelet op de uitspraak van de Afdeling [3] van 23 april 2025 [4] komt het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 voor vernietiging in aanmerking.
4.1.
Ten aanzien van het terugkeerbesluit van 30 juli 2025 stelt eiser dat de gronden en argumenten van de zienswijze als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd. Voor een zorgvuldige procedure diende het eerder opgelegde terugkeerbesluit vernietigd te worden en het beroep gegrond te worden verklaard. Verweerder heeft eiser ten onrechte niet gehoord. Verweerder gaat niet in op de in de zienswijze aangevoerde grond dat het verweerder niet was toegestaan om de bescherming aan eiser te stoppen, gelet op het gewekte vertrouwen door de Nederlandse overheid en de ruimhartige behandeling die was toegezegd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024
5. Voor het indienen van het beroepschrift geldt een termijn van vier weken na de datum van de beschikking. Nu eiser later dan vier weken, namelijk op 23 maart 2024, beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van 21 februari 2024, stelt de rechtbank vast dat eiser het beroep te laat heeft ingediend. Daarbij is van belang dat het beroep, anders dan eiser stelt, binnen vier weken na de datum van de beschikking moet worden ingesteld, en niet binnen vier weken na ontvangst van de beschikking. De rechtbank ziet in de stellingen van eiser - dat de post niet standaard binnen een dag wordt bezorgd, dat verweerder ten onrechte terugkeerbesluiten heeft opgelegd, en dat er sprake is van grote willekeur - geen aanleiding om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Dit betekent dat het beroep tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 niet-ontvankelijk is. De overige beroepsgronden gericht tegen dat besluit behoeven daarom geen bespreking meer.
Het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit van 30 juli 2025
Ontvankelijkheid
6. Nu het beroep op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege mede betrekking heeft op het terugkeerbesluit van 30 juli 2025, brengt de niet-ontvankelijkheid van het beroep gericht tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 niet de niet-ontvankelijkheid mee van het terugkeerbesluit van 30 juli 2025. [5] De rechtbank acht het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit van 30 juli 2025 dan ook ontvankelijk.
Herhaald en ingelast
7. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder in de zienswijze naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het terugkeerbesluit van 30 juli 2025 onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
Zorgvuldigheid
8. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat voor een zorgvuldige procedure het eerder opgelegde terugkeerbesluit vernietigd dient te worden. Het beroep van eiser heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb automatisch betrekking op het nieuw genomen besluit. Eiser heeft niet nader toegelicht hoe dit zou hebben geleid tot een onzorgvuldige procedure.
Het terugkeerbesluit
9. Uit de uitspraken van de Afdeling [6] en het arrest Kaduna en Abkez [7] volgt dat verweerder geen terugkeerbesluit kan opleggen wanneer een vreemdeling (nog) rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Dat geldt ook voor de situatie waarin een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van facultatieve tijdelijke bescherming. De rechtbank stelt met verweerder vast dat eiser geen rechtmatig verblijf had op 30 juli 2025 en verweerder daarom bevoegd en verplicht is om een terugkeerbesluit op te leggen. Daartoe is het volgende van belang.
10. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 geoordeeld dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart 2024. [8] In die uitspraken heeft de Afdeling ook geoordeeld dat verweerder geen toezeggingen heeft gedaan waaruit derdelanders mochten afleiden dat hun tijdelijke bescherming net zo lang zou duren als de verplichte tijdelijke bescherming. De Afdeling heeft de brief aan de Tweede Kamer waar eiser zich op beroept bij haar oordeel betrokken. Ten slotte heeft de Afdeling geconcludeerd dat schending van het Unierechtelijke rechtszekerheids- of het vertrouwensbeginsel niet aan de orde is. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen.
11. Voor zover de gemachtigde van eiser ter zitting heeft gesteld dat eiser werkt en dit belangrijk voor hem is, en hij daarmee een beroep doet op artikel 8 van het EVRM, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat dit geen reden is om af te zien van het opleggen van een terugkeerbesluit. Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat het hier gaat om een terugkeerbesluit na het van rechtswege aflopen van tijdelijke bescherming, waar geen plaats is voor een individuele belangenafweging. [9] Als eiser vindt dat hij een verblijfsrecht ontleent aan het recht op privéleven, zoals dat volgt uit artikel 8 van het EVRM, kan hij een daartoe strekkende aanvraag indienen.
De hoorplicht
12. De rechtbank overweegt verder dat verweerder af heeft kunnen zien van het horen van eiser. Uit arresten van het Hof van Justitie volgt dat eiser in staat moet worden gesteld om zijn standpunten over het terugkeerbesluit kenbaar te maken alvorens dat wordt opgelegd. [10] De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser daartoe voldoende in staat heeft gesteld, nu hij met een zienswijze heeft kunnen reageren op het voornemen van verweerder om een terugkeerbesluit op te leggen. Het is de rechtbank daarbij niet duidelijk welke informatie verweerder niet heeft kunnen betrekken in de besluitvorming omdat eiser niet is gehoord.
Het non-refoulement beginsel
13. Ten slotte overweegt de rechtbank ambtshalve dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van gronden om aan te nemen dat eiser een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Nigeria.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
15. Het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit van 30 juli 2025 is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 21 februari 2024 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 30 juli 2025 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2.Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (arrest Kaduna en Abkez) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Uitspraak van de Afdeling van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829.
5.Zie uitspraak van de Afdeling van 3 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX8931.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829.
7.Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038.
9.Zie pagina 3 en 4 van het bestreden besluit. Zie ook ECLI:NL:RBDHA:2024:4375, r.o. 15 en ECLI:NL:RVS:2024:32, r.o. 10 tot en met 10.3.
10.Zie het arrest van 8 mei 2018, EU:C:2018:308 en het arrest van 22 november 2022, ECLI:EU:C:2022:913.