4.1.Ten aanzien van het terugkeerbesluit van 30 juli 2025 stelt eiser dat de gronden en argumenten van de zienswijze als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd. Voor een zorgvuldige procedure diende het eerder opgelegde terugkeerbesluit vernietigd te worden en het beroep gegrond te worden verklaard. Verweerder heeft eiser ten onrechte niet gehoord. Verweerder gaat niet in op de in de zienswijze aangevoerde grond dat het verweerder niet was toegestaan om de bescherming aan eiser te stoppen, gelet op het gewekte vertrouwen door de Nederlandse overheid en de ruimhartige behandeling die was toegezegd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024
5. Voor het indienen van het beroepschrift geldt een termijn van vier weken na de datum van de beschikking. Nu eiser later dan vier weken, namelijk op 23 maart 2024, beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van 21 februari 2024, stelt de rechtbank vast dat eiser het beroep te laat heeft ingediend. Daarbij is van belang dat het beroep, anders dan eiser stelt, binnen vier weken na de datum van de beschikking moet worden ingesteld, en niet binnen vier weken na ontvangst van de beschikking. De rechtbank ziet in de stellingen van eiser - dat de post niet standaard binnen een dag wordt bezorgd, dat verweerder ten onrechte terugkeerbesluiten heeft opgelegd, en dat er sprake is van grote willekeur - geen aanleiding om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Dit betekent dat het beroep tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 niet-ontvankelijk is. De overige beroepsgronden gericht tegen dat besluit behoeven daarom geen bespreking meer.
Het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit van 30 juli 2025
6. Nu het beroep op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege mede betrekking heeft op het terugkeerbesluit van 30 juli 2025, brengt de niet-ontvankelijkheid van het beroep gericht tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 niet de niet-ontvankelijkheid mee van het terugkeerbesluit van 30 juli 2025.De rechtbank acht het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit van 30 juli 2025 dan ook ontvankelijk.
7. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder in de zienswijze naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het terugkeerbesluit van 30 juli 2025 onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
8. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat voor een zorgvuldige procedure het eerder opgelegde terugkeerbesluit vernietigd dient te worden. Het beroep van eiser heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb automatisch betrekking op het nieuw genomen besluit. Eiser heeft niet nader toegelicht hoe dit zou hebben geleid tot een onzorgvuldige procedure.
9. Uit de uitspraken van de Afdelingen het arrest Kaduna en Abkezvolgt dat verweerder geen terugkeerbesluit kan opleggen wanneer een vreemdeling (nog) rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Dat geldt ook voor de situatie waarin een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van facultatieve tijdelijke bescherming. De rechtbank stelt met verweerder vast dat eiser geen rechtmatig verblijf had op 30 juli 2025 en verweerder daarom bevoegd en verplicht is om een terugkeerbesluit op te leggen. Daartoe is het volgende van belang.
10. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 geoordeeld dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart 2024.In die uitspraken heeft de Afdeling ook geoordeeld dat verweerder geen toezeggingen heeft gedaan waaruit derdelanders mochten afleiden dat hun tijdelijke bescherming net zo lang zou duren als de verplichte tijdelijke bescherming. De Afdeling heeft de brief aan de Tweede Kamer waar eiser zich op beroept bij haar oordeel betrokken. Ten slotte heeft de Afdeling geconcludeerd dat schending van het Unierechtelijke rechtszekerheids- of het vertrouwensbeginsel niet aan de orde is. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen.
11. Voor zover de gemachtigde van eiser ter zitting heeft gesteld dat eiser werkt en dit belangrijk voor hem is, en hij daarmee een beroep doet op artikel 8 van het EVRM, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat dit geen reden is om af te zien van het opleggen van een terugkeerbesluit. Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat het hier gaat om een terugkeerbesluit na het van rechtswege aflopen van tijdelijke bescherming, waar geen plaats is voor een individuele belangenafweging.Als eiser vindt dat hij een verblijfsrecht ontleent aan het recht op privéleven, zoals dat volgt uit artikel 8 van het EVRM, kan hij een daartoe strekkende aanvraag indienen.
12. De rechtbank overweegt verder dat verweerder af heeft kunnen zien van het horen van eiser. Uit arresten van het Hof van Justitie volgt dat eiser in staat moet worden gesteld om zijn standpunten over het terugkeerbesluit kenbaar te maken alvorens dat wordt opgelegd.De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser daartoe voldoende in staat heeft gesteld, nu hij met een zienswijze heeft kunnen reageren op het voornemen van verweerder om een terugkeerbesluit op te leggen. Het is de rechtbank daarbij niet duidelijk welke informatie verweerder niet heeft kunnen betrekken in de besluitvorming omdat eiser niet is gehoord.
Het non-refoulement beginsel
13. Ten slotte overweegt de rechtbank ambtshalve dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van gronden om aan te nemen dat eiser een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Nigeria.