ECLI:NL:RBDHA:2025:19774
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende binding met Pakistan
Eisers uit Pakistan vroegen een visum aan voor een kort verblijf in Nederland, maar de minister wees deze aanvraag af omdat zij onvoldoende sociale en economische binding met Pakistan hadden aangetoond. Hierdoor bestond redelijke twijfel over hun voornemen om Nederland tijdig te verlaten.
De rechtbank beoordeelde het beroep van eisers tegen deze afwijzing. Eisers betoogden onder meer dat hun sociale binding met Pakistan wel degelijk aanwezig was, onder andere door schoolgaande kinderen en onroerend goed, en dat de minister ten onrechte ook Dubai en Nederland als bindingen meerekende. De rechtbank oordeelde echter dat het bij de beoordeling uitsluitend gaat om binding met het land van herkomst, Pakistan, en dat eisers onvoldoende hebben onderbouwd dat zij sterke sociale of economische bindingen hebben die hun terugkeer waarborgen.
Ook het beroep dat eisers ten onrechte niet zijn gehoord, werd verworpen omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor de afwijzing van het visum in stand blijft en eisers geen recht hebben op terugbetaling van het griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag wordt ongegrond verklaard en het visum wordt niet verleend.