ECLI:NL:RBDHA:2025:19531

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 oktober 2025
Publicatiedatum
27 oktober 2025
Zaaknummer
NL24.46226
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.13 Vb 2000Art. 8.7 Vb 2000Richtlijn 2004/38/EGArt. 4:2 AwbArt. 3.102 Vb 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsdocument EU/EER wegens onvoldoende onderbouwing duurzame relatie en gezamenlijke huishouding

Eiser diende een aanvraag in voor een verblijfsdocument EU/EER vanwege verblijf bij zijn Griekse partner. De minister wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat zij een duurzame relatie onderhouden en een gezamenlijke huishouding voeren. Eiser voerde aan dat hij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarprocedure en dat hij voldoende bewijs had geleverd van hun relatie.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft afgezien van het horen in bezwaar omdat eiser onvoldoende nadere onderbouwing heeft gegeven en het bezwaar feitelijk een herhaling was van eerdere stukken. De minister had duidelijk gemaakt welke bewijsstukken nodig waren en de bewijslast ligt bij eiser.

Hoewel eiser diverse documenten overlegde, waaronder een huurovereenkomst, samenlevingscontract, gezamenlijke rekening, foto’s en communicatie, vond de minister deze onvoldoende onderbouwing. De rechtbank stelt dat de minister deze stukken gemotiveerd heeft beoordeeld en dat eiser onvoldoende heeft toegelicht waarom de minister deze stukken anders had moeten waarderen.

De rechtbank wijst het beroep af en verklaart dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsdocument blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.46226

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Orhan),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER vanwege verblijf bij zijn Griekse partner [referente] (referente). Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven. De minister is terecht tot de conclusie gekomen dat eiser en referente onvoldoende hebben onderbouwd dat zij een duurzame relatie hebben en een gemeenschappelijke huishouding voeren. En de minister had eiser daarover niet hoeven horen in de bezwaarprocedure. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staat waarom de minister de aanvraag heeft afgewezen. De beoordeling van de beroepsgronden volgt vanaf overweging 4. Aan het einde van de uitspraak staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft zijn aanvraag om een verblijfsdocument ingediend op 28 september 2023. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 10 juni 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 november 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 1 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, referente, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. De minister heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat niet is gebleken dat hij en referente een duurzame relatie onderhouden. Hoewel uit de Basisregistratie personen (BRP) blijkt dat hij en referente enige tijd op hetzelfde adres ingeschreven hebben gestaan, is niet gebleken dat zij feitelijk hebben samengewoond. Daarnaast is uit de stukken die eiser heeft overgelegd niet gebleken dat hij en referente een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd of dat zij een duurzame relatie onderhouden.
Toetsingskader
4. De derdelander-partner van een Unieburger (niet zijnde een Nederlander) heeft rechtmatig verblijf in Nederland als hij zich bij deze Unieburger voegt en tussen hen sprake is van een deugdelijk bewezen duurzame relatie. [1] De minister neemt dit in ieder geval aan als de partners op het moment van de aanvraag of het besluit op de aanvraag ten minste zes maanden lang een gezamenlijke huishouding voeren en hebben samengewoond. Als dat niet zo is, dan neemt de minister – afhankelijk van de omstandigheden van het geval – ook een deugdelijk bewezen duurzame relatie aan als de partners zes maanden lang een duurzame relatie hebben onderhouden. In dat geval kijkt de minister (onder meer) naar de reden waarom de partners niet hebben samengewoond, de duur van de gezamenlijke huishouding en het hebben van gezamenlijke financiële verplichtingen of banden. [2]
Had de minister eiser in de bezwaarprocedure moeten horen?
5. Eiser betoogt dat de minister hem in de bezwaarprocedure ten onrechte niet heeft gehoord. Het horen is een essentieel onderdeel van de bezwaarprocedure. De bezwaarmaker krijgt daarmee de kans om zijn mening naar voren te brengen en nadere informatie bij het bestuursorgaan aan te brengen. Daarnaast is het een kans om, zo mogelijk, een compromis over de zaak te bereiken. [3] Mede daarom moet de minister terughoudend gebruik maken van de mogelijkheid om het horen achterwege te laten. [4] In het geval van eiser heeft de minister erop gewezen dat het duidelijk had kunnen zijn welke stukken hij had moeten overleggen om zijn relatie met referente te onderbouwen. Het is volgens eiser mensonterend dat hij zijn liefdesrelatie en zijn gezamenlijke huishouding voor een bestuursorgaan moet onderbouwen, maar hij heeft zijn aanvraag uiteindelijk uitgebreid van documenten voorzien. Deze zijn volgens de minister onvoldoende, maar de minister licht dat standpunt verder niet toe. Een hoorzitting had – gelet op de mondelinge gedachtewisseling die daar plaatsvindt – aanvullende gegevens over de relatie tussen hem en referente kunnen opleveren. [5]
5.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat hij van het horen in bezwaar mocht afzien. De kern van het besluit van 10 juni 2024 is dat de minister de door eiser overgelegde onderbouwing voor de gestelde relatie onvoldoende vindt. In zijn bezwaar tegen dit besluit heeft eiser zich voornamelijk beklaagd over de toetsingswijze van de minister en verwezen naar de stukken die hij al had overgelegd, maar heeft hij nauwelijks inhoudelijke kritiek op het besluit geleverd. Later heeft hij nog enkele aanvullende stukken (foto’s en een belgeschiedenis) overgelegd, maar soortgelijke stukken had hij ook al bij de aanvraag overgelegd en de minister had zich daarover, zoals hiervoor opgemerkt, al op het standpunt gesteld dat deze de gestelde relatie onvoldoende onderbouwen. De rechtbank stelt daarom vast dat eiser zijn aanvraag in de bezwaarfase niet van de gevraagde nadere onderbouwing heeft voorzien en dat het bezwaar daarmee feitelijk een herhaling van zetten is geweest, terwijl de minister in het besluit van 10 juni 2024 duidelijk en uitgebreid heeft uitgelegd dat een dergelijke onderbouwing voor inwilliging van de aanvraag noodzakelijk is. Onder die omstandigheden is de minister niet gehouden eiser te horen. [6] Het enkele feit dat een hoorzitting nadere feiten en informatie had kunnen opleveren, is onvoldoende voor een ander oordeel. [7]
Heeft eiser voldoende onderbouwd dat hij een gezamenlijke huishouding en een duurzame relatie met referente heeft?
6. Eiser betoogt dat hij voldoende heeft onderbouwd dat hij een duurzame relatie en een gemeenschappelijke huishouding met referente heeft. Eiser stelt daarbij voorop dat de minister geen bestendige beslispraktijk heeft, zodat eiser is overgeleverd aan de gratie van de beslisambtenaar. Het is daarom maar de vraag in hoeverre eiser zijn aanvraag objectief en verifieerbaar kan onderbouwen. Verder heeft de minister de overgelegde stukken onvoldoende kenbaar beoordeeld. De minister heeft enige beoordelingsruimte, maar de minister mag deze niet zo gebruiken dat hij het nuttig effect aan de Verblijfsrichtlijn ontneemt. [8] Eiser en referente voeren naar buiten toe hetzelfde adres, waarnaar zij met ingang van 2 september 2024 zijn verhuisd. Zij hebben de huurovereenkomst van deze woning samen getekend. Daarnaast hebben zij een samenlevingscontract en hebben zij een gezamenlijke rekening, waarvan zij onder meer de boodschappen betalen. De stukken die hierover gaan zijn weliswaar administratief van aard, maar bevestigen wel de verwevenheid tussen eiser en referente en (dus) hun gemeenschappelijke huishouding. Verder heeft eiser bij de aanvraag verschillende foto’s, schermafbeeldingen van WhatsApp en telefoonfacturen overgelegd, waaruit de invulling van zijn relatie met referente blijkt. Niet elk van deze stukken is vertaald, maar dat had ook niet van eiser mogen worden verwacht, omdat dat veel tijd en geld kost. De minister had de authenticiteit van enkele van deze stukken – zoals de telefoongeschiedenis en de WhatsApp-gesprekken – bovendien kunnen verifiëren door op een hoorzitting de telefoons van eiser en referente te bekijken en met de hulp van een tolk kunnen bepalen waar de gesprekken over gaan. Tot slot had de minister meer waarde moeten hechten aan de overgelegde verklaringen van derden. Als de minister ondanks deze onderbouwing nog altijd twijfelt aan de duurzaamheid van de relatie tussen eiser en referente, had het op zijn weg gelegen om door middel van een huisbezoek een objectief oordeel over de relatie te krijgen. Door dat niet te doen, maar aanvullende stukken te verlangen, heeft de minister de bewijslat in het geval van eiser te hoog gelegd. [9]
6.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn relatie en gezamenlijke huishouding met referente onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank legt dat oordeel hierna uit.
6.1.1.
Het uitgangspunt is dat de vreemdeling zijn aanvraag met stukken onderbouwt [10] en die stukken, zo nodig, van een vertaling voorziet. De minister heeft slechts de verplichting om duidelijk te maken welke stukken van de vreemdeling worden verwacht. Als de vreemdeling zijn aanvraag van onderbouwende stukken voorziet, is het aan de minister om op basis van de voorliggende stukken te beoordelen of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor de gevraagde verblijfsvergunning. Is dat niet het geval of heeft de vreemdeling slechts een ‘begin van bewijs’ geleverd, dan wijst de minister de aanvraag af en legt hij uit waarom de overgelegde stukken onvoldoende zijn. De bewijslast ligt dus bij de vreemdeling en draait daarom, anders dan eiser op de zitting heeft betoogd, niet naar de minister als de vreemdeling een ‘begin van bewijs’ heeft geleverd. Daarbij heeft de minister terecht gesteld dat iedere zaak anders is en individueel wordt beoordeeld. Het gegeven dat de minister in andere zaken oordeelt dat een duurzame relatie en een gemeenschappelijke huishouding wel is aangetoond en in onderhavige zaak niet, leidt daarom niet tot het oordeel dat de minister willekeurig handelt of de aanvraag van eiser willekeurig heeft afgewezen.
6.1.2.
In het geval van eiser heeft de minister, anders dan eiser betoogt, alle overgelegde stukken in de beoordeling betrokken en zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat deze stukken de gestelde relatie en de gezamenlijke huishouding onvoldoende onderbouwen, onder meer omdat de stukken onderling tegenstrijdig zijn of onvoldoende bewijswaarde hebben. De rechtbank merkt daarbij op dat uit het dossier niet blijkt dat eiser, zoals hij heeft gesteld, verklaringen van derden heeft overgelegd, zodat de minister die ook niet heeft beoordeeld. Eiser heeft in reactie op de beoordeling van de minister in beroep slechts (nogmaals) naar de overgelegde stukken verwezen en gesteld dat hij vindt dat deze stukken voldoende onderbouwing zijn voor de relatie en de gezamenlijke huishouding. Dat is echter een herhaling van zetten. Het had op de weg van eiser gelegen om in zijn beroepschrift uit te leggen waarom het standpunt van de minister over de innerlijke tegenstrijdigheid van de stukken onjuist is en waarom de minister wél de bewijswaarde aan de stukken had moeten hechten die eiser daaraan gehecht wenst te zien. Dat heeft hij niet gedaan. De vijftien documenten met aanvullende stukken (die eiser in beroep heeft overgelegd) leiden daarbij niet tot een ander oordeel. Eiser heeft immers niet toegelicht wat hij met die stukken wenst te bereiken en ter betwisting van welk standpunt van de minister hij die stukken heeft overgelegd. Uit het voorgaande volgt dat eiser zijn aanvraag onvoldoende heeft onderbouwd. De minister mocht dan ook een aanvullende onderbouwing van eiser verlangen en heeft de bewijslat voor eiser daarmee, gelet op wat onder 6.1.1 is overwogen, niet te hoog gelegd.
7. Eiser heeft in zijn beroepschrift ook nog vermeld dat de minister geen zorgvuldig besluit kan hebben genomen, omdat het besluit is genomen kort na het indienen van een ingebrekestelling op 6 november 2024. Eiser heeft op zitting echter toegelicht dat hij dit niet als beroepsgrond heeft bedoeld, zodat de rechtbank daarover geen oordeel zal geven.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn aanvraag in stand blijft. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dat staat in artikel 8.13, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8.7, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Deze bepalingen zijn een implementatie van de Verblijfsrichtlijn (Richtlijn 2004/38/EG).
2.Dat volgt uit paragraaf B10/2.2.4.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
3.Eiser wijst op
4.Eiser wijst op ABRvS 3 maart 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO4777.
5.Eiser wijst op Rb. Den Haag (zp Groningen) 6 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:16652.
6.Vergelijk ABRvS 21 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2047, r.o. 9.
7.ABRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, r.o. 5.1.
8.Eiser wijst op HvJEU 12 juli 2018, C-89/17, ECLI:EU:C:2018:570 (
9.Eiser wijst daarbij op niet nader omschreven rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
10.Dat volgt uit artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en uit artikel 3.102, eerste en derde lid, van het Vb 2000.