ECLI:NL:RBDHA:2025:18925
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewaring en zicht op uitzetting naar Algerije in vreemdelingenrechtelijke zaak
In deze bestuursrechtelijke zaak beoordeelt de rechtbank Den Haag het beroep van eiser tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om hem in bewaring te stellen op grond van artikel 59 lid 1 onder Pro a van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betoogt dat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn en dat een belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen.
De rechtbank stelt vast dat de eerdere bewaring van eiser was opgeheven op basis van een belangenafweging, waarbij het ontbreken van zicht op uitzetting niet doorslaggevend was. De aanvraag voor een laissez-passer loopt nog steeds en de minister heeft maandelijks contact gezocht met de Algerijnse autoriteiten zonder reactie. Eiser heeft onvoldoende medewerking verleend aan zijn uitzetting, onder meer door te weigeren een brief aan de ambassade te schrijven.
De rechtbank concludeert dat het zicht op uitzetting niet ontbreekt en dat de minister de bewaring terecht heeft opgelegd. Ook de belangenafweging valt niet in het voordeel van eiser uit, mede vanwege het onttrekkingsrisico en de herhaalde asielaanvraag die is afgewezen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.