ECLI:NL:RBDHA:2025:16819
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet-behandeling asielaanvraag wegens Dublinverordening Duitsland
Eiser, met de Guinee-Bissause nationaliteit, diende een asielaanvraag in die niet in behandeling werd genomen omdat Duitsland verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. Het beroep werd na de beroepstermijn ingediend, maar de rechtbank oordeelde dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege bijzondere omstandigheden zoals het ontbreken van professionele rechtsbijstand en problemen met postbezorging.
Eiser stelde dat het besluit was gebaseerd op een standaardvoornemen en dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet nakomt, waardoor overdracht onevenredige hardheid zou veroorzaken. De rechtbank oordeelde echter dat het voornemen voldoende was toegespitst op eiser en dat het overdrachtsbesluit zorgvuldig was genomen.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel werd toegepast, waarbij werd aangenomen dat Duitsland zijn verplichtingen nakomt. De rechtbank vond dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 van Pro het Handvest bij overdracht.
Ten slotte oordeelde de rechtbank dat verweerder terecht geen gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om de aanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard.