ECLI:NL:RBDHA:2025:16494
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren maatregel bewaring en zicht op uitzetting naar Algerije
De minister heeft op 24 april 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 29 augustus 2025 behandeld via telehoren.
De rechtbank heeft eerder op 11 juli 2025 de maatregel als rechtmatig beoordeeld en toetst nu alleen de rechtmatigheid sinds dat moment. Eiser betoogt dat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn omdat het laissez-passer traject bij Algerije sinds januari 2025 loopt zonder reactie. Ook stelt hij dat hij mogelijk een verblijfsstatus in Spanje heeft en dat de minister onvoldoende voortvarend handelt.
De rechtbank oordeelt dat zicht op uitzetting niet ontbreekt, verwijzend naar eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak. Het ontbreken van documenten van eiser en de tijd die een lp-traject vergt, rechtvaardigen dit oordeel. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat hij een verblijfsstatus in Spanje heeft. Daarnaast rust op eiser de verplichting actief mee te werken aan zijn uitzetting, wat hij onvoldoende heeft gedaan.
De minister handelt voldoende voortvarend, zo blijkt uit rappels op de lp-aanvraag en vertrekgesprekken met eiser. De rechtbank ziet geen grond om de maatregel onrechtmatig te achten en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.