ECLI:NL:RBDHA:2025:15793

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juli 2025
Publicatiedatum
25 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.23048
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Y. Yeniay - Cenik
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 3, tweede lid, tweede alinea DublinverordeningArtikel 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Frankrijk ongegrond verklaard

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Frankrijk volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.

De rechtbank heeft het beroep op 26 juni 2025 behandeld en beoordeeld of de minister terecht geen bijzondere procedurele waarborgen heeft toegepast en geen medisch advies heeft ingewonnen. Eiser stelde dat hij psychische problematiek vertoonde en dat Frankrijk tekortkomingen heeft in de asielprocedure en opvang, waardoor overdracht een schending van mensenrechten zou opleveren.

De rechtbank oordeelt dat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor bijzondere kwetsbaarheid bij eiser, zodat aanvullende waarborgen niet nodig waren. Tevens mag de minister uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Frankrijk, nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit niet langer geldt. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.23048

uitspraak van de enkelvoudige kamer in datum de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. I. Mercanoglu),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 20 mei 2025 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1
De rechtbank heeft het beroep, samen met het beroep NL25.23049, op 26 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.
Had de minister aanvullende procedurele waarborgen aan eiser moeten bieden of medisch advies moeten inwinnen?
5. Eiser betoogt dat de minister in het bestreden besluit in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel, omdat hij geen zorgvuldig onderzoek heeft verricht naar de kwetsbaarheid van eiser. Uit het aanmeldgehoor van
24 maart 2025 blijkt namelijk dat eiser verwarde en inconsistente verklaringen heeft gegeven en aanwijzingen vertoonde van psychische problematiek. Ook stelde eiser dat hij in Frankrijk racistisch is bejegend en mishandeld en dat hij eerdere detentie heeft meegemaakt. De minister heeft echter nagelaten om, in lijn met WI 2021/9 en WI 2021/12, een beoordeling te maken van mogelijke bijzondere procedurele waarborgen of kwetsbaarheid van eiser. Verder is geen medisch advies ingewonnen, terwijl dat wel geïndiceerd was.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van bijzondere kwetsbaarheid bij eiser. Het verslag van het aanmeldgehoor biedt daarvoor namelijk onvoldoende aanknopingspunten. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hij in het aanmeldgehoor blijk heeft gegeven van één of meer van de indicatoren of bijzonderheden van kwetsbaarheid. [2] Eiser heeft zijn gestelde kwetsbaarheid ook niet nader onderbouwd. Nu geen sprake is van bijzondere kwetsbaarheid bij eiser, heeft de minister geen aanvullende procedurele waarborgen in acht hoeven te nemen. Ook hoefde de minister daarom geen medisch adviesgesprek aan te bieden aan eiser.
Mag de minister uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Frankrijk?
6. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte is uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Frankrijk. Frankrijk kampt namelijk met structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen. Daardoor leidt de overdracht van eiser aan Frankrijk tot een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling, in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 3 van Pro het EVRM. De overdracht levert daarnaast een schending van artikel 3, tweede lid, tweede alinea van de Dublinverordening op. Eiser wijst ter onderbouwing op het AIDA-rapport over Frankrijk van 2024 (AIDA-rapport van 2024) [3] en rapporten van de Contrôleur général des lieux de privation de liberté (CGLPL-rapporten). Uit deze rapporten blijkt dat sprake is van massale weigering van toegang tot opvang voor asielzoekers, een structureel gebrek aan juridische bijstand en een ontoereikende opvang. Ook wijst eiser op eerdere veroordelingen van Frankrijk door het EHRM inzake detentie van minderjarigen.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat hij in beginsel uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Frankrijk. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat de minister hier niet langer van uit mag gaan. Hierin is eiser niet geslaagd. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in de uitspraak van 9 oktober 2023 [4] geoordeeld dat uit het AIDA-rapport over Frankrijk van 2023 [5] weliswaar kan worden opgemaakt dat er problemen zijn geweest met de opvang in Frankrijk, maar dat niet is gebleken dat die problemen dermate structureel en ernstig zijn dat op voorhand sprake is van een reëel risico op schending van artikel 4 van Pro het EU Handvest of artikel 3 van Pro het EVRM. Over het AIDA-rapport 2024 heeft de Afdeling in de uitspraak van 30 augustus 2024 [6] geoordeeld dat daarin geen wezenlijk ander beeld naar voren komt over de opvangvoorzieningen in Frankrijk voor Dublinclaimanten, waardoor nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. De CGLPL-rapporten waar eiser op wijst maken dit niet anders. Naar deze rapporten wordt verwezen in het AIDA-rapport van 2024, zodat deze zijn betrokken in de voornoemde uitspraken van de Afdeling. Dat Frankrijk door het EHRM inzake detentie van minderjarigen is veroordeeld, doet niet ter zake, te meer nu eiser geen minderjarige betreft. Verder heeft eiser geen andere concrete feiten en omstandigheden aangevoerd die maken dat de minister niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit zou mogen gaan.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt het bestreden besluit van 20 mei 2025 in stand blijft. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Deze staan in de bijlage van WI 2021/9.
3.Asylum Information Database, “Country Report: France”, 2023 Update van mei 2024.
4.ABRvS 9 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3737.
5.Asylum Information Database, “Country Report: France”, 2022 Update van mei 2023.
6.ABRvS 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552 en ABRvS 11 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1642.