ECLI:NL:RBDHA:2025:14474
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring van beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling
Eiser is sinds 4 juni 2025 in bewaring genomen op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 29 juli 2025 behandeld, waarbij eiser niet is gehoord en zijn gemachtigde niet aanwezig was.
Eiser voerde aan dat hij niet langer op de juiste grondslag in bewaring kan worden gehouden, mede vanwege een ordemaatregel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die geplande uitzetting op 16 juli 2025 verbood, en vanwege een opvolgend asielverzoek van 8 juli 2025. De rechtbank oordeelde dat deze gronden niet slagen omdat de ordemaatregel slechts een tijdelijke opschorting betrof en het opvolgend asielverzoek geen rechtmatig verblijf opleverde.
Daarnaast stelde eiser dat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn en dat de minister onvoldoende voortvarend zou handelen. De rechtbank concludeerde dat er wel degelijk zicht is op uitzetting, mede doordat een vlucht gepland was en een nieuwe vluchtaanvraag is ingediend. Ook de belangenafweging van de minister werd als proportioneel beoordeeld, mede gezien de medische zorg in detentie en het ontbreken van bijzondere omstandigheden die opheffing rechtvaardigen.
De rechtbank heeft ambtshalve geen reden gevonden om de maatregel als onrechtmatig te beschouwen en verklaart het beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard.